De BHV trainer met ruim 25 jaar praktijkervaring

Diverse onderwerpen

Diverse onderwerpen

Luchtwegbelemmering door een vreemd voorwerp
De herkenning van een luchtwegbelemmering door een vreemd voorwerp is de sleutel tot een succesvolle afloop. Verwar de toestand van de patiënt dan ook niet met een hartaanval, epilepsie, flauwvallen of andere beelden die passen bij een plotseling verminderde of veranderde ademhaling, blauw aanlopen of verlies van bewustzijn.

Een vreemd voorwerp kan de luchtweg gedeeltelijk of helemaal afsluiten. Als de luchtweg gedeeltelijk is afgesloten, zal het slachtoffer nog hoorbaar hoesten en ademhalen, en naar zijn keel grijpen. Bij een volledige afsluiting van de luchtweg zal het slachtoffer hoestbewegingen maken zonder geluid, kan hij amper of niet ademen, kleurt hij blauw en zal uiteindelijk het bewustzijn verliezen.

Als het slachtoffer nog ademt en effectief hoest:

  • moedig hem aan te blijven hoesten, maar doe verder niets.

Als het slachtoffer niet (effectief) hoest en bij bewustzijn is:

  • als het slachtoffer niet effectief hoest, roep direct om hulp en beoordeel het bewustzijn. Vraag een omstander een ambulance te bellen via 112. Als u alleen bent, belt u zelf 112. Zet de telefoon bij voorkeur op de luidspreker, zodat u de aanwijzingen van de centralist kunt horen, terwijl u uw handen vrij heeft;
  • geef als volgt 5 slagen op de rug tussen de schouderbladen, ga aan de zijkant iets achter het slachtoffer staan;
  • ondersteun de borstkas met 1 hand en laat het slachtoffer voorover buigen;
  • geef met de hiel van uw hand snel na elkaar 5 slagen tussen de schouderbladen;
  • controleer of de slagen de luchtwegbelemmering hebben opgeheven.Hebben de slagen de luchtweg niet open gemaakt, voer dan 5 keer buikstoten(Heimlichmanoeuvre) uit;
  • ga achter het slachtoffer staan en sla uw armen om het bovenste deel van de buik;
  • laat het slachtoffer voorover leunen;
  • maak een vuist en plaats deze op het bovenste deel van de buik;
  • pak de vuist met uw andere hand en trek met een snelle beweging naar u toe en naarboven;
  • doe dit totaal 5 keer. Als de luchtwegbelemmering nog steeds bestaat, blijft u de rugslagen en de buikstoten met elkaar afwisselen.

Als het slachtoffer het bewustzijn verliest:

    • Controleer of er hulp onderweg is of laat alsnog 112 bellen;
    • Leg het slachtoffer voorzichtig in rugligging op de grond;
    • Start de basale reanimatie met 30 borstcompressies. Na het verwijderen van het voorwerp kan een stukje achterblijven in de luchtpijp en complicaties geven. Het slachtoffer blijft bijvoorbeeld hoesten, heeft moeite met slikken of houdt het gevoel dat er iets in zijn keel zit. Ook is het mogelijk dat er na de handelingen inwendige organen beschadigd zijn. Het slachtoffer moet daarom altijd naar de huisarts worden verwezen.

Stabiele zijligging
Het doel van de stabiele zijligging is het vrij houden van de luchtweg. Speeksel, braaksel en bloed lopen zo niet in de longen. Een uitzondering is er voor slachtoffers die een ongeval hebben gehad. Bij deze patiënten dient men terughoudend te zijn in verplaatsen of een zijligging. Ze hebben kans op het bestaan van wervelbreuken van de nek- en rugwervelkolom. Een uitzondering is dreigend gevaar. Denk aan een snelweg. Men kan dan een slachtoffer in de lengterichting, aan de enkels trekken en verplaatsen.

Als het slachtoffer na en succesvolle reanimatie weer zelfstandig ademt, leggen we het slachtoffer in deze stabiele zijligging.

Volgorde van handelen bij de stabiele zijligging

  • Kniel naast het slachtoffer en zorg ervoor dat zijn benen gestrekt zijn;
  • Leg de dichtstbijzijnde arm van het slachtoffer in een rechte hoek met het lichaam;
  • Buig de andere arm over de borst en leg deze met de handrug tegen de wang van het slachtoffer. Houd deze hand vast;
  • U heeft uw andere hand vrij om de knie van het verst liggende been te buigen, terwijl de voet op de grond blijft;
  • Trek dit gebogen been naar u toe, terwijl u de hand van het slachtoffer tegen zijn wang houdt. De heup en de knie van het bovenste been moeten in een rechte hoek liggen;
  • Zorg dat de elleboog de grond raakt;
  • Kantel het hoofd wat naar achteren, om er zeker van te zijn dat de luchtweg open is;
  • Zo nodig kan de hand onder de wang van het slachtoffer helpen het hoofd achterover te houden;
  • Controleer of de ademhaling normaal gebleven is;
  • Controleer regelmatig, maar tenminste elke minuut of de ademhaling normaal blijft;
  • Als de ademhaling stopt moeten de borstcompressies hervat worden.

Reanimatie van drenkelingen
Hulpverleners durven vaak geen drenkelingen te reanimeren uit angst schade aan te richten. Deze angst is (net als bij kinderen) ongegrond. Niets doen is dus schadelijker!

Een belangrijke oorzaak van de hartstilstand bij een drenkeling is zuurstofgebrek door water in de luchtwegen. Daarom worden bij drenkelingen altijd gestart met vijf beademingen. Daarna worden vervolgens borstcompressies met beademingen gecombineerd. Pas daarna de "gewone reanimatie voor volwassenen" toe. De eerste beademingen zullen moeizaam gaan. Later wordt dit gemakkelijk doordat het water in de longen verdwijnt.

Niet-reanimeren verklaring
Mensen kunnen ervoor kiezen een niet-reanimeren verklaring op te stellen. Deze moet aan een aantal eisen voldoen: de wilsverklaring moet geschreven zijn en te herleiden zijn tot de persoon die de verklaring uitte. De verklaring kan op papier staan en kan ook een penning zijn. Een niet-reanimeren verklaring moet gerespecteerd worden als dit voor het begin van de reanimatie duidelijk is.

Maar hulpverleners moeten bij iemand met een circulatiestilstand niet op zoek gaan naar een geschreven wilsverklaring of een niet-reanimeren penning. Zo wordt voorkomen dat de reanimatiepoging wordt uitgesteld en de uitkomst van de reanimatie nadelig wordt beïnvloed.

Een niet-reanimerenpenning wordt bij het begin van een reanimatie soms niet opgemerkt, omdat de borstkas van het slachtoffer bij basale reanimatie niet hoeft te worden ontbloot. Ook als dat wel het geval is, kan de penning onopgemerkt blijven als deze naar de nek of rug is verschoven.

Met name bij de burgerhulpverleners kan verwarring ontstaan als later tijdens de reanimatie de niet-reanimeren wens duidelijk wordt. De burgerhulpverlener mag zijn reanimatiepoging dan staken. Maar kan het besluit om te staken ook overlaten aan de professionele hulpverlener.

Ook een niet-reanimeren tatoeage is rechtsgeldig!

Tijdelijke aanpassingen richtlijnen reanimatie in verband met de COVID-19 pandemie (advies NRR)

De besmettelijkheid van het coronavirus en de mogelijke gevolgen daarvan voor de hulpverleners maken dat de wijze waarop de reanimatie wordt uitgevoerd tijdelijk aangepast moet worden:

Aantal hulpverleners bij een reanimatiepoging

Beperk in alle gevallen het aantal hulpverleners dat zich met de daadwerkelijke reanimatie bezighoudt tot maximaal twee.

Aanpassing eerste benadering slachtoffer

  • Raak het hoofd van het slachtoffer niet
  • De hulpverlener beoordeelt de ademhaling alleen door te kijken. Controleer de ademhaling niet door te luisteren en te voelen. Open de luchtweg niet voor het beoordelen van de ademhaling.

Aanpassing reanimatie bij volwassenen

Reanimatie bij een slachtoffer zonder duidelijke of bewezen COVID-19 besmetting:

  • Start met ononderbroken borstcompressies en gebruik de AED.
  • Geef geen beademing, ook niet met een beademingsmasker.

Reanimatie bij een slachtoffer met bewezen of veronderstelde COVID-19 besmetting:

Gebruik de AED, maar geef geen borstcompressies noch beademing.

Na de reanimatie

Alle hulpverleners (die direct bij de reanimatie betrokken waren) moeten de handen en polsen desinfecteren.

Reanimatie bij kinderen tot de puberteit

De reanimatie bij kinderen is onveranderd.

 

 

Reanimatie van kinderen

Wanneer hulpverleners geen speciale training in de basale reanimatie van kinderen hebben gevolgd, durven zij kinderen vaak niet te reanimeren uit angst schade aan te richten. Deze angst is ongegrond. Het is beter de basale reanimatie van volwassenen op een kind toe te passen dan het kind aan zijn lot over te laten. Niets doen is dus schadelijker!

Oorzaak
Bij baby’s en kinderen is een ademhalingsprobleem de meest voorkomende oorzaak van een circulatiestilstand. Denk hierbij aan verdrinking en verstikking.

Volgorde van handelen bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit)

1. Zorg ervoor dat uzelf, omstanders en het slachtoffer veilig zijn;

2. Kijk of het slachtoffer reageert: Schud voorzichtig aan de schouders;

3a. Als het slachtoffer WEL reageert:

  • Laat het slachtoffer in de houding waarin u hem aantreft, mits er verder geen gevaar dreigt;
  • Probeer te achterhalen wat er aan de hand is en zorg zo nodig voor hulp;
  • Controleer het slachtoffer regelmatig.

3b. Als het slachtoffer NIET reageert:

  • Vraag een omstander een ambulance te bellen via 112 en vraag om een AED te brengen, als die beschikbaar is. Als u alleen bent, belt u zelf 112. Zet de telefoon bij voorkeur op de luidspreker, zodat u de aanwijzingen van de centralist kunt horen, terwijl u uw handen vrij heeft;
  • Draai het slachtoffer op zijn rug en maak de luchtweg open met de hoofdkantel- kinliftmethode: plaats 1 hand op zijn voorhoofd en duw voorzichtig het hoofd achterover;
  • Maak vervolgens de ademweg open door 1 of 2 vingertoppen onder de punt van de kin te plaatsen en deze omhoog te tillen.

4.  Houd de luchtweg open en kijk, luister en voel maximaal 10 seconden naar normale ademhaling:

  • Kijk of de borstkas omhoog komt;
  • Luister ter hoogte van mond en neus of u ademhaling hoort;
  • Voel met uw wang of er luchtstroom is. Stel vast of de ademhaling normaal, niet normaal of afwezig is.

NB. In de eerste paar minuten na het ontstaan van de circulatiestilstand kan het zijn dat het slachtoffer gaspt (agonale ademhaling). Dit is echter zeldzaam bij kinderen.

5a. Als het slachtoffer WEL normaal ademt: Leg hem in de stabiele zijligging. Controleer elke minuut of de ademhaling normaal blijft.

5b. Als het slachtoffer NIET ademt of niet normaal ademt, of als u twijfelt: START DE REANIMATIE

AIs er geen omstander is om 112 te bellen, dan eerst 1 minuut lang reanimeren. Vervolgens bel je zelf 112. Zet de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie.

In eerste aanleg kan je bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit) dus uitgaan van dezelfde handelingen als bij volwassenen.

Kinderreanimatie

Reanimatie van kinderen (tot de puberteit) begint eerst met 5 beademingen, daarna opnieuw een check van de ademhaling. Als het slachtoffertje dan nog niet ademt dan reanimeren in de verhouding 15:2 (15 borstcompressies en 2 beademingen).

De reanimatie wordt gestart met beademingen omdat zuurstoftekort bij kinderen meestal de oorzaak is van een circulatiestilstand. Een primair hartprobleem is zeldzaam bij een kind.

Beademen zuigeling (0-1 jaar): Mond-op-mond-en-neusbeademing

  1. Leg het hoofd van de zuigeling met het gezicht recht naar boven. Leg een hand op het voorhoofd van de zuigeling en til tegelijkertijd met een of een a twee vingertoppen van je andere hand zijn kin omhoog. Let daarbij op dat je het hoofd niet kantelt. Een pasgeboren baby heeft een relatief groot achterhoofd waardoor zijn nek buigt als hij plat op zijn rug ligt. Leg een opgevouwen handdoek onder zijn schouders en nek ter ondersteuning.
  2. Adem normaal in en bedek mond en neus van de zuigeling met je mond zodat er geen lucht kan ontsnappen.
  3. Blaas rustig in mond en neus van de zuigeling gedurende één seconde. Als de borstkas iets omhoog komt, heb je voldoende lucht ingeblazen.
  4. Haal je mond van het gezicht van de zuigeling en kijk of de borstkas weer omlaag zakt. Het hoofd van de zuigeling blijft recht naar boven gericht. Pas op dat je de uitademingslucht van de zuigeling zelf niet inademt.
  5. Komt de borstkas na de eerste beademing niet omhoog dan is de beademing niet effectief. Kijk of er een zichtbaar obstakel in het mond van de zuigeling zit. Als je een voorwerp aantreft in de mond van de zuigeling mag je één poging doen om het voorwerp er met een lepelende beweging uit te krijgen. Vaker proberen levert te veel tijdsverlies op en het risico op extra verwondingen is te groot. Controleer of het gezicht van de zuigeling recht naar boven gericht is en kijk of de hoofdkantel-kinliftmethode juist is uitgevoerd. Maak eventueel knellende kleding los.
  6. Beadem maximaal 5 keer, ook al is de beademing niet effectief.
  7. Vervolg de reanimatie in de frequentie 15 borstcompressies afgewisseld met 2 beademingen.

Beademen kind vanaf één jaar tot de puberteit : Mond-op-mond-beademing

  1. Duw het hoofd van het kind voorzichtig achterover. Leg een hand op het voorhoofd van het kind en til tegelijkertijd met twee vingers van je andere hand zijn kin omhoog.
  2. Knijp het zachte gedeelte van de neus dicht met de wijsvinger en de duim van de hand die op het voorhoofd van het kind ligt en open de mond een beetje
  3. Adem normaal in en bedek de mond van het kind met je mond zodat er geen lucht kan ontsnappen.
  4. Blaas nu rustig in de mond van het kind gedurende één seconde. Als de borstkas iets omhoog komt, heb je voldoende lucht ingeblazen.
  5. Haal je mond van het gezicht van het kind en kijk of de borstkas weer omlaag zakt. Houd zijn hoofd gekanteld met zijn kin omhoog. Pas op dat je de uitademingslucht van het kind zelf niet inademt.
  6. Komt de borstkas na de eerste beademing niet omhoog dan is de beademing niet effectief. Kijk of er een zichtbaar obstakel in de mond van het kind zit. Als je een voorwerp aantreft in de mond van het kind mag je één poging doen om het voorwerp er met een lepelende beweging uit te krijgen. Vaker proberen levert te veel tijdsverlies op en het risico op extra verwondingen is te groot. Controleer of het gezicht van het kind voldoende naar achteren gekanteld is en kijk of de hoofdkantel-kinliftmethode juist is uitgevoerd. Maak eventueel knellende kleding los.
  7. Beadem maximaal 5 keer, ook al is de beademing niet effectief.
  8. Vervolg de reanimatie in de verhouding 15:2 1(5 borstcompressies afgewisseld met 2 beademingen).

Borstcompressies baby (0-1 jaar)

Een baby kunnen we het best op een harde ondergrond neerleggen, bijvoorbeeld een commode. Het hoofd is relatief groter als bij een volwassene. Daarom leggen we een handdoek of boek onder de schouderbladen. Zo ligt het hoofd beter gepositioneerd.

Borstcompressies vinden plaats door met de toppen van wijs- en middelvinger in het midden van de borstkas te drukken. De diepte is 1/3 van de borstkas hoogte (plm. 4 cm). Zorg ervoor dat je recht naar beneden drukt. Geef borst compressies in een tempo van 100-120 per minuut. Het indrukken van de borstkas moet ongeveer net zolang duren als het loslaten, zodat er een gelijkmatig tempo ontstaat.

Geef 15 borstcompressies met daarna 2 beademingen (15-2) en continueer dit.

Plaats de hiel van de masserende hand op het midden van de borstkas; bij grotere kinderen mag je twee handen gebruiken. Wees niet bang om druk uit te oefenen. Zorg ervoor dat je geen druk uitoefent op de ribben, de onderste punt van het borstbeen of de bovenbuik!

Druk het borstbeen minstens 1/3 van de diepte van borstkas in (ongeveer 5cm). Laat de borstkas steeds helemaal terugkomen, zonder de borstkas los te laten. Geef borstcompressies in een tempo van 100- 120 per minuut. Het indrukken van de borstkas moet ongeveer net zolang duren als het loslaten, zodat er een gelijkmatig tempo ontstaat.

Geef 15 borstcompressies met daarna 2 beademingen. 30:2 toepassen wanneer de AED dit aangeeft of het snel wisselen tussen de handelingen niet lukt. Zijn er 2 Eerste Hulp verleners, los elkaar dan om de 2 minuten af, maar onderbreek de compressies zo kort mogelijk.

Ga door met reanimeren, totdat:

  • professionele hulpverleners de reanimatie overnemen, of
  • het kind bij bewustzijn komt, beweegt, de ogen opent en normaal begint te ademen, of
  • je door uitputting niet meer verder kunt reanimeren.

Wanneer het bewusteloze kind een normale ademhaling krijgt:

  • leg je hem in de stabiele zijligging en
  • controleer je iedere minuut of de ademhaling normaal blijft.

Bij een kind in de stabiele zijligging wordt de ademhaling gecontroleerd door één hand op de borst te leggen bij de overgang van borst naar buik en de andere hand op de rug.

P.S. de richtlijnen zijn niet bedoeld voor de ”natte” pasgeborenen (eerste 24 uur).

Reanimatie baby mét de AED

Reanimatie kind (0-puberteit) met de AED

ROND NU EERST DE TOETS "REANIMATIE VAN KINDEREN" AF OM VERDER TE GAAN

Automatische Externe Defibrillator (AED)

De Automatische Externe Defibrillator (de AED) is een draagbaar apparaat dat het hartritme weer kan herstellen bij een hartstilstand. Dit gebeurt door het geven van een elektrische schok.

De AED heeft de overleving na reanimatie aanzienlijk verbeterd. Dit heeft er voor gezorgd dat er meer AED’s geplaatst worden in woonwijken. De bediening van de AED is zo eenvoudig dat in principe elke hulpverlener hem kan bedienen (na een jaarlijkse training). De AED is beveiligd en geeft nooit zomaar onterecht een schok.

Werking AED
Bij een hartstilstand staat het hart vaak niet helemaal stil. De hartkamers kunnen een chaotische ritmestoornis hebben. Dit heet ventrikelfibrilleren (kamerfladderen). Een AED is dan nodig om het hart te resetten en weer normaal te laten kloppen. Dit resetten noemen we defibrilleren. Eigenlijk zet de AED het hart stil. Middels het geven van borstcompressies willen we het hartritme weer op gang brengen.

Kansen
De kans op een succesvolle fibrillatie bij ventrikelfibrilleren neemt per minuut met 10% af. De AED moet daarom zo snel mogelijk worden ingezet.

Verschillende AED types
Er bestaan twee types: de halfautomaat en de automaat. Bij de halfautomaat moet de bediener zelf (op gesproken advies van AED) een schok geven. De automaat doet het zelf. Dit laatste is minder veilig.

Inhoud AED en tas
Bij de AED en tas zitten een aantal hulpmiddelen. Bijvoorbeeld wegwerphandschoenen, een beademingsmasker, een kledingschaar, een doekje om zweet weg te vegen en een scheermesje om borsthaar te verwijderen.

Aandachtspunten bij de AED
Plaats de elektroden niet over een pacemaker, ICD of (medicijn)pleisters. Bij extreme beharing dient voor het plakken van de elektroden geschoren te worden. Een AED kan zonder bezwaar en op de gebruikelijke manier worden gebruikt in een vochtige omgeving, zoals in de regen of aan de rand van een zwembad. Bij een slachtoffer dat nat is (bijvoorbeeld een drenkeling) moet de borstkas eerst afgedroogd worden om de elektroden goed te kunnen bevestigen. In dat geval dient u ook op uw rubberen zolen te gaan staan i.p.v. op de knieën te zitten.

Werkwijze reanimatie mét de AED met twee hulpverleners

Zodra de AED er is:
• Zet de AED aan; sommige AED’s starten automatisch na het openen van het deksel;
• Voer de gesproken/visuele opdrachten direct uit;
• Bevestig de elektroden op de ontblote borstkas;
• Zorg ervoor dat niemand het slachtoffer aanraakt als de AED het hartritme analyseert.

De AED geeft WEL een schokopdracht:
• Zorg dat niemand het slachtoffer aanraakt;
• Druk op de schokknop zodra de AED dit aangeeft. Een volautomatische AED geeft de schok zelf;
• Volg de gesproken/visuele opdrachten van de AED direct op. Start dus direct met borstcompressies.

De AED geeft GEEN schokopdracht:
• Volg de gesproken/visuele opdrachten van de AED direct op. Start dus direct met borstcompressies.

Gebruik van de AED bij kinderen
De door een standaard AED afgegeven energie is hoger dan de 4 Joule/kg lichaamsgewicht die voor kinderen wordt aanbevolen. Sommige AED’s hebben speciale elektroden die ervoor zorgen dat het kind minder energie ontvangt. Andere AED’s hebben de aanpassing ín het apparaat doorgevoerd. Gebruik voor kinderen van 0-8 jaar bij voorkeur een AED met aanpassingen voor kinderen. Als deze niet voorhanden is mag ook een standaard AED voor volwassenen worden gebruikt. Dit kan door één elektrode op het borstbeen te plaatse, de andere elektrode tussen de schouderbladen. Gebruik voor kinderen ouder dan 8 jaar de standaard AED voor volwassenen.


ROND EERST DE TOETS "REANIMATIE EN HET GEBRUIK VAN DE AED" AF OM VERDER TE GAAN

Ontruiming

4.1. Inleiding

Het ontruimingsplan is een onderdeel van het BHV- of bedrijfsnoodplan. De gebruiksvergunning of bouwverordening kan een ontruimingsplan eisen, afhankelijk van de grootte en het gebruik van het gebouw. Een ontruimingsplan is verplicht bij aanwezigheid van een verplichte brandmeldinstallatie (BMI). De aanwezigheid van een ontruimingsplan draagt bij aan de veiligheid van de werknemers en aanwezigen. Er wordt tegemoet gekomen aan de eisen die in het Arbobesluit zijn vastgesteld.

De veiligheid van personen in een bedrijf wordt niet alleen bedreigd door de calamiteit zelf. De erop volgende paniekreacties kunnen ook leiden tot gevaarlijke situaties. De Arbo-wet verplicht in veel gevallen vooraf een duidelijk plan te maken.

In een ontruimingsplan staat beschreven wat er moet gebeuren om een bedrijf snel en ordelijk te ontruimen in geval van een calamiteit. In een ontruimingsplan zijn plattegronden opgenomen. Op de ontruimingsplattegrond staan aanduidingen (zoals vluchtwegen), die een rol kunnen spelen bij een ontruiming en er staat aangegeven waar brandblusapparatuur zich bevindt. De uitgewerkte plattegronden moeten in het bedrijf aan de wand bevestigd worden.

Een ontruimingsplan wordt inhoudelijk bepaald door:

  • de aard van het bedrijf;
  • de indeling en omvang van het bedrijf;
  • het aantal aanwezige personen;
  • opslagruimten;
  • technische voorzieningen;
  • brandmeldsystemen;
  • vluchtwegen;
  • veiligheidsinstallaties.
4.2  Gedrag van werknemers en overige aanwezigen bij een ontruiming

De BHV'er moet bekend zijn met de inhoud van het ontruimingsplan.

Schematische weergave analysemodel vluchtveiligheid (bron: 'Basis voor brandveiligheid', Instituut Fysieke Veiligheid)

Je mag er niet vanuit gaan dat werknemers en overige aanwezigen op eenzelfde manier reageren op een calamiteit als een BHV'er. Ofwel, de mate van zelfredzaamheid is niet hetzelfde!

Een gevaar wordt niet of te laat als zodanig herkend. Werknemers hebben de neiging om door te willen werken. In eerste instantie wordt ontkend wat er daadwerkelijk aan de hand is.

Op het moment dat men zich wel bewust wordt van het gevaar, is de beoordeling er van afhankelijk van diverse factoren, zoals:

  • groepsgedrag;
  • eerdere ervaring met een calamiteit;
  • beoordeling van signalen;
  • de manier waarop instructies over de ontruiming gegeven worden.

Na de bewustwording van het gevaar kan het gedrag bij de ontruiming ook beïnvloed worden door:

  • de neiging dezelfde route te nemen als wanneer er geen gevaar is;
  • de mobiliteit van mensen (handicap, conditie);
  • noodvoorzieningen die bij geen gevaar niet gebruikt mogen worden en bij gevaar als drempel worden ervaren.

Als BHV'er kun je het gedrag van de medewerkers beïnvloeden door:

  • instructie en voorlichting;
  • het regelmatig controleren van vluchtroutes en uitgangen;
  • gebruik te maken van een alarminstallatie met de mogelijkheid om gesproken aanwijzingen te geven.

Het gedrag van een kind tijdens de ontruiming

Een kind kan zich, omdat hij bang is voor vuur, gaan verstoppen bij een brand. Hierdoor kan de ontruiming langer gaan duren met alle consequenties van dien.

Het is van belang dat een kind actief betrokken wordt bij de ontruimingsoefening. Een kind moet weten wat hij moet doen bij een calamiteit. De brandweer zou kunnen helpen bij een oefening zodat de (kleine) kinderen kunnen wennen aan hoe een brandweerman er uit ziet. Het kind moet gaan beseffen dat hij niet bang hoeft te zijn voor brandweermannen (die mogelijk maskers op hebben en zuurstofflessen op de rug dragen).

Je kunt een kind laten wennen aan een ontruimingsoefening door er een spel of activiteit van te maken. Oefen het ontruimen bijvoorbeeld door met poppetjes een situatie na te bootsen. Het lopen aan het ontruimingskoord kan geoefend worden als de kinderen naar buiten gaan. Mochten kinderen angstig zijn en niet mee naar buiten willen, stel ze iets lekkers in het vooruitzicht. Er is bij een echte ontruiming geen tijd om de noodzaak van het naar buiten gaan uit te leggen.

Ontruimingskoord

Tijdelijke krachten (bijvoorbeeld stagiaires) moeten ook bij de ontruimingsoefening betrokken worden. Leg uit wat er van ze verwacht wordt.

De taken van de begeleider(s) van kinderen tijdens een ontruiming zijn:

  • Stel de kinderen gerust en blijf zelf ook rustig;
  • Sluit alle tussendeuren en/of ramen;
  • Kijk onder tafels en in kasten of kinderen -die zich daar mogelijk verstopt hebben- achtergebleven zijn;
  • Zet de kinderen twee aan twee in een rij;
  • Laat persoonlijke spullen achter, je mag geen tijd verliezen;
  • Neem de presentie-/absentielijst van de kinderen mee;
  • Gebruik de aangegeven vluchtroute en verlaat het gebouw zo snel mogelijk;
  • Neem ook ‘verdwaalde’ kinderen mee;
  • Ga naar de afgesproken verzamelplaats;
  • Controleer of alle kinderen (en ondersteunende aanwezigen) er zijn;
  • Meld eventuele bevindingen bij de BHV'er;
  • Volg zijn aanwijzingen en eventueel die van de externe hulpverleners op;
  • Laat de kinderen niet alleen naar huis gaan;
  • Laat de kinderen, pas na toestemming van de BHV'er, meegaan met de ouders.

Aanwezigen die meehelpen vallen onder de verantwoordelijkheid van de begeleider(s).

Houd rekening met de leeftijd van de kinderen (boven of onder de 2 jaar), voor wat betreft de locatie van groepen in het gebouw. Een kinderdagverblijf kan op een 1e verdieping gesitueerd zijn of meerdere bouwlagen hebben. Het evacueren via trappen levert altijd vertraging op.

Wanneer moet tot ontruiming worden overgegaan?

Het kan mensenlevens kosten als er te laat besloten wordt te ontruimen. Er moet echter niet te snel worden overgegaan tot ontruiming. De ontruiming op zich houdt immers ook bepaalde risico’s in. Het is mogelijk dat personen, bij onvoldoende begeleiding, in de gevarenzone komen en er kunnen letsels ontstaan.

De BHV’er stelt, zo mogelijk, voordat het sein tot ontruiming wordt gegeven, een onderzoek in. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek kan besloten worden tot een gedeeltelijke of algehele ontruiming.

Iedereen moet het pand zo snel mogelijk verlaten bij een ontruiming, onder achterlating van persoonlijke spullen. De BHV’er ziet er op toe dat er over deze spullen gewaakt wordt. Bij een ontruiming wegens een bommelding moet men zo veel als mogelijk de persoonlijke zaken meenemen (om te voorkomen dat deze als verdacht pakket worden aangezien).

4.3 De vluchtroutes

Het is aan te bevelen om in een gebouw, nabij de trappenhuizen, plattegronden op te hangen met de vluchtroutes. Op de plattegronden kan ook worden aangegeven waar de aanwezige blusmiddelen staan en wat de eventuele opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen zijn. De plattegronden moeten ook bij het ontruimingsplan gevoegd worden.

4.4 Ontruimingssignaal

Het ten behoeve van alarmering gegeven ontruimingssignaal moet door het gehele gebouw te horen zijn. Denk hierbij ook aan zolders, kelders, toiletten en dergelijke. Wanneer het ontruimingssignaal gegeven wordt door een elektrische installatie, dan moet deze installatie een noodstroomvoorziening hebben. Het is belangrijk dat de ontruimingssignalering regelmatig wordt getest.

Het ontruimingssignaal kan een bericht of een toonsignaal zijn:

  • Een gesproken ontruimingssignaal via de omroepinstallatie heeft als voordeel, dat hiermee ook gerichte mededelingen gegeven kunnen worden. De omroeper moet duidelijk en rustig overkomen, omdat er gemakkelijk paniek kan ontstaan bij een ontruiming. Er kan gebruik worden gemaakt van vooraf ingesproken tekst.
  • Er zijn ook mobiele app's om alarmeringsberichten door te geven.
  • Een toonsignaal moet duidelijk anders klinken dan andere gebruikte signalen (slow- whoop).

Het verdient de aanbeveling om in gebouwen met een telefooncentrale één nummer als alarmnummer te gebruiken.

4.5 Procedure na het ontruimingssignaal

De procedure, nadat het ontruimingssignaal is afgegeven, is als volgt:

  1. De BHV'ers begeven zich naar een vooraf afgesproken plaats. In de meeste gevallen is dit de receptie bij de hoofdingang.
  2. Er kan geheel of gedeeltelijk worden ontruimd. Dit is afhankelijk van de omvang van het incident en de mobiliteit van de aanwezige personen om zelfstandig naar buiten te gaan.

Bij een volledige ontruiming wordt vaak als volgt gehandeld:

  1. Fase 1: een klein deel van de etage wordt ontruimd en personen worden achter de eerste brandwerende scheiding gebracht.
  2. Fase 2: de hele verdieping wordt ontruimd: iedereen wordt naar buiten, dan wel naar de ondergelegen etage gebracht. Ook de etage boven de brand wordt ontruimd.
  3. Fase 3: het gehele gebouw/complex wordt ontruimd: eerst de etage waar de brand is ontstaan, dan de erboven gelegen etage, dan de daarboven gelegen etage en dan de etage onder de brand, een en ander afhankelijk van de mogelijkheden.
  4. Iedere medewerker en bezoeker meldt zich af op de verzamelplaats.

Ontruim door gebruik te maken van alle (veilige) vluchtwegen. Er kan vooraf bepaald worden hoeveel personen er via een vluchtroute kunnen ontkomen, zodat er geen overbelasting ontstaat.

De bedrijfshulpverleners coördineren de ontruiming, begeleiden de aanwezigen en/of houden zich bezig met de calamiteit. Ze fungeren als gids voor de externe hulpverlenende diensten.

Uit- en nooduitgangen moeten bewaakt worden om te voorkomen dat personen terug het gebouw in gaan of dat onbevoegden het gebouw betreden.

Het ontruimen van kinderen onder de 2 jaar

Bepaal vooraf wat de beste manier is om kinderen van deze leeftijd te verplaatsen. Er kunnen karretjes, evacuatie bedjes (zie foto) of evacuatieschorten gebruikt worden. Zorg voor extra dekentjes om de kinderen warm te houden. Oefen de ontruiming eventueel met poppen en let daarbij op obstakels zoals drempels.

Het ontruimen van kinderen boven de 2 jaar

  • Maak van de ontruiming of ontruimingsoefening een spel;
  • Loop met de kinderen naar buiten als in een polonaise of gebruik een ontruimingskoord;
  • Aan het ontruimingskoord kan (voor iedere groep in een andere kleur) een aantal ringen of lussen zitten gelijk aan het aantal kinderen in de groep.
  • Elk kind kan zijn eigen ring vastpakken. Er is meteen duidelijk of alle kinderen uit een groep aanwezig zijn;
  • Denk aan het warm houden van de kinderen bij slecht weer;
  • Vertel aan de kinderen dat ze niet mogen rennen en dat ze niets mogen meenemen;
  • Houd ook rekening met een eventuele evacuatie tijdens het slaapuurtje van de kinderen. Wellicht moeten de kinderen op een andere manier geëvacueerd worden.
4.6 Instructies

Instructies, die gegeven worden tijdens het ontruimen, moeten kort en eenvoudig zijn. De instructies moeten vooraf besproken worden met degenen, waarvoor ze bestemd zijn. Het is wenselijk om deze besprekingen jaarlijks te herhalen.

De overige personen, die een actieve taak hebben tijdens de ontruiming, krijgen alleen die instructies, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de eigen taak.

Personen die geen taak hebben tijdens een ontruiming, hoeven de ontruimingsprocedures alleen in eenvoudige vorm te kennen. Zij moeten in ieder geval weten:

  • hoe het ontruimingssignaal klinkt;
  • hoe een brand gemeld moet worden;
  • wat de vluchtroutes per afdeling zijn;
  • hoe er gehandeld moet worden in geval van brand;
  • dat alleen persoonlijke bezittingen (zo mogelijk) mogen worden meegenomen, die een snelle ontvluchting niet belemmeren;
  • dat ramen en deuren gesloten moeten worden;
  • dat ramen en deuren geopend moeten worden bij een bommelding of andere explosiedreiging;
  • dat machines moeten worden afgezet;
  • dat bij brand de liften niet gebruikt mogen worden;
  • waar de verzamelplaats is.
4.7 De verzamelplaats

De personen, die in het gebouw aanwezig waren, gaan na een ontruiming naar de verzamelplaats. Op de verzamelplaats kan appèl worden gehouden en kunnen mededelingen worden gedaan.

Er moeten van tevoren afspraken gemaakt worden over het gebruik van de verzamelplaats. Het kan noodzakelijk zijn om verkeersregelaars in te schakelen, als de verzamelplaats alleen te bereiken is via een drukke verkeersweg.

De verzamelplaats mag alleen verlaten worden als de BHV'er hiervoor toestemming heeft gegeven.

De verzamelplaats moet:

  • gunstig gelegen zijn in de directe omgeving van het gebouw;
  • beschikken over voldoende accommodatie;
  • beschikken over telefoon en een lijst met belangrijke telefoonnummers.
4.8 Ontruimingsoefeningen

Ontruimingsoefeningen worden gehouden om de volgende redenen:

  • de gevolgde procedures kunnen aan de hand van de opgedane ervaringen bekeken worden. De procedures kunnen waar nodig worden aangepast;
  • iedereen kan vertrouwd raken met de procedures die bij een ontruiming gevolgd moeten worden.

Het is noodzakelijk om een totale ontruimingsoefening te houden vanwege eerstgenoemde reden. Bij voorkeur eenmaal per jaar. Het is zinvol de ontruimingsoefening één à twee keer per jaar te herhalen. Dit kan alleen als de aard van het bedrijf het toelaat.

Aandachtspunten bij een ontruimingsoefening zijn:

  • de brandweer moet direct gewaarschuwd worden. Ga niet eerst op onderzoek uit;
  • ramen en deuren moeten gesloten worden. Dit moet niet gebeuren bij een bommelding;
  • liften mogen niet gebruikt worden;
  • er moet op de juiste wijze gecontroleerd worden of er geen personen achterblijven;
  • iedereen moet op de hoogte zijn van de plaats en werking van de voorzieningen die zijn aangebracht voor de ontvluchting (zoals speciale trappen en sluitingen van nooduitgangen);
  • de aanrijdplaats voor de brandweer moet vrij zijn en de brandweer moet op de juiste wijze worden ingelicht.
4.9 Na de ontruiming

Wanneer het weer veilig is het gebouw te betreden, begeleidt de BHV'er de personen terug naar binnen.

Het management kan op basis van informatie van de BHV'er extra maatregelen nemen voor slachtoffers (bijvoorbeeld slachtofferhulp).

Na een ontruiming koppelt de BHV'er de belangrijkste informatie terug aan de het management. Samen met het management wordt daarna bezien of er bijstelling nodig is van de procedures.

4.10  Voorzieningen

We kennen de volgende voorzieningen:

Alarmkaarten

Er moeten op strategische punten in het gebouw duidelijke aanwijzingen hangen wat te doen in geval van nood.

De te ondernemen acties en belangrijke telefoonnummers staan meestal op alarmkaarten. Op de alarmkaarten staan vaak pictogrammen.

Transparantverlichting

De vluchtroutes, de uitgangen en nooduitgangen worden met transparantverlichting gemarkeerd. De transparantverlichting moet altijd branden als er mensen in het gebouw zijn.

Noodverlichting

In gebouwen is noodverlichting geïnstalleerd om, in geval van stroomuitval, een redelijke oriëntatie te behouden. De noodverlichting gaat automatisch aan bij stroomuitval.

Vluchtdeuren

De deuren in een vluchtroute

worden vluchtdeuren genoemd. De vluchtdeur naar buiten is een nooduitgang.

Vluchtdeuren draaien altijd met de vluchtroute mee en zijn zelfsluitend. De nooduitgang is voorzien van een panieksluiting.

Brandweeringang en sleutelkluis

De brandweer moet, na een automatische brandmelding, zelf binnen kunnen komen als een gebouw leegstaat of niet in gebruik is. Ook ‘s nachts of in het weekeinde. De brandmeldinstallatie zal de sleutelkluis ontgrendelen, zodat de brandweer toegang heeft tot de sleutels van het gebouw.

Brandweerlift 

De liften mogen bij brand niet gebruikt worden. In sommige gebouwen zijn brandweerliften aangebracht, die in geval van brand ter beschikking staan van de brandweer. Ze hebben een aparte stroomtoevoer, zodat ze altijd gebruikt kunnen worden.

Evacuatiestoel

Er mag bij een ontruiming geen lift worden gebruikt, ook niet voor niet zelfredzame personen. Met een evacuatiestoel is het mogelijk van een trap af te dalen, zonder veel krachtsinspanning van de begeleider.

Evacuatiematras

Er kan gebruik gemaakt worden van een evacuatiematras om mindervalide personen snel via de trap te evacueren.

Voor baby’s en peuters is er een speciale uitvoering.

Evacuatieschort

Een evacuatieschort is bedoeld om, in geval van brand of een andere calamiteit, snel baby’s te kunnen evacueren. Het schort is gemaakt van brandwerend materiaal.

Er zitten 3 draagzakken met openingen voor de beentjes in het evacuatieschort. In geval van nood kunnen er dus 3 baby’s tegelijkertijd verplaatst worden.

Ontruimingskoord/-touw

Een ontruimingskoord wordt gebruikt bij een ontruiming of ontruimingsoefening. Kinderen kunnen, als ze het koord vasthouden, op een speelse manier naar een veilige plaats (buiten) begeleid worden. Het koord is tevens uitermate geschikt om te gebruiken tijdens wandelingen en/of excursies.

Rond uw e-learning nu af door de Toets Ontruiming af te ronden.

Brandbestrijding

3.1 Inleiding

De bedrijfshulpverlener levert ook een bijdrage aan de brandbestrijding.

Hij moet bekend zijn met de principes van de verbranding en van het blussen. De BHV’er moet de verschillende soorten branden kunnen onderscheiden, zodat hij goed en veilig ingezet kan worden bij brandbestrijding.

Er zijn diverse soorten blusstoffen die bij brandbestrijding gebruikt kunnen worden. De BHV’er kan gebruik maken van kleine blusmiddelen. Voorbeelden van kleine blusmiddelen zijn blusdekens, brandslanghaspels, sprayblussers, poederblussers, koolzuursneeuwblussers en schuimblussers.

De bedrijfshulpverlener:

  • kan een kleine brand beperken en bestrijden;
  • kan veiligheidsvoorzieningen gebruiken;
  • (her)kent de belangrijkste functies van de brandpreventieve maatregelen en voorzieningen;
  • kan de branddriehoek toepassen;
  • kent de ontwikkeling van een brand.

Een kleine brand beperkt zich tot het voorwerp of de plaats waar de brand is ontstaan. Het vuur is nog niet overgeslagen naar de omgeving. We spreken van een kleine brand als de vlammen kleiner zijn dan de eigen arm (ca. 70 cm).

Naast vlammen kan er ook rook te zien zijn. Rook is nog gevaarlijker dan vuur. Wanneer de rook een dunne laag vormt, ruim boven het hoofd van een volwassen persoon, dan is de brand in de meeste gevallen zonder veel risico door de BHV'er te blussen.

Blus niet zelf, sluit de deur van de ruimte waarin de brand woedt, bel of laat 112 bellen en begin met de ontruiming als:

  • de vlammen groter zijn dan de eigen arm (circa 70 cm);
  • de rook in een dikke laag vlak boven het hoofd van een volwassen persoon hangt.

3.2 Taken van de bedrijfshulpverlener bij brand

De BHV’er moet in actie komen, zodra in een bedrijf brand wordt ontdekt. Alle activiteiten met betrekking tot de brandbestrijding vallen onder zijn verantwoordelijkheid. De activiteiten zijn gericht op het voorkomen en beperken van ongevallen en schade en op het onderdrukken van brand.

De BHV’er zal, na het ontdekken van een brand, snel moeten reageren. De juiste maatregelen zullen in de juiste volgorde moeten worden uitgevoerd.

De belangrijkste taken voor de BHV’er bij brand zijn:

Alarmeren

Een brand moet altijd gemeld worden volgens de brandinstructies. De melding wordt over het algemeen gedaan conform de in het bedrijf geldende procedures of via het landelijke alarmnummer 112. De centralist zal onder andere vragen waar de brand is, wat er brandt en hoeveel personen er aanwezig zijn.

Het blussen van een kleine brand

Denk, bij het blussen van een kleine brand, steeds aan je eigen veiligheid en die van anderen. Er vallen over het algemeen meer slachtoffers door de gassen en dampen die bij een brand vrijkomen (de rook), dan door het vuur zelf.

Kun je de kleine brand niet blussen:

    • sluit dan ramen en deuren;
    • bel 112 of laat 112 bellen;
    • begin met de ontruiming.

Het verlenen van hulp aan collega’s en/of bezoekers

Wijs collega’s en/of bezoekers de veilige vluchtweg en de verzamelplaats. Zij moeten tot nader order op de verzamelplaats blijven, zodat kan worden nagegaan of er nog mensen worden vermist. Sta niet toe dat het gebouw weer betreden wordt.

Het opvangen van de brandweer

Zorg voor de opvang van de brandweer en wijs hen de weg op de terreinen en in de gebouwen. Duid de mogelijke risico's voor de hulpverleners, bijvoorbeeld de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Houd aan- en afvoerwegen vrij voor de externe hulpdiensten.

Ontruimingsmaatregelen nemen

Is er voor het bedrijf een ontruimingsplan opgesteld, dan moet bij een ontruiming gehandeld worden zoals aangegeven in dit plan.

3.3  Het verbrandingsproces

Een brand is mogelijk als de volgende drie elementen aanwezig zijn:

  • brandbare stof
  • zuurstof
  • ontbrandingstemperatuur

De drie elementen moeten aanwezig zijn bij een verbranding met vuurverschijnselen.

Een verbranding is een scheikundige reactie van een brandbare stof met zuurstof, die gepaard gaat met warmte en vlamverschijnselen.

Om de verbranding van een brandbare stof te onderhouden, moet:

  • de stof tot boven de ontbrandingstemperatuur worden verhit én
  • voldoende verbrandingslucht worden toegevoegd én
  • de stof voldoende brandbaar zijn (kunnen vergassen).

Een brand kan worden voorgesteld als een driehoek. Wordt uit de branddriehoek één van de zijden weggenomen, dan is de driehoek niet langer gesloten. De brand dooft uit.

Een brand wordt geblust door het wegnemen van één of meer van de drie factoren:

  • brandbare stof (bijvoorbeeld het dichtdraaien van de gaskraan);
  • zuurstof (de zuurstoftoevoer verhinderen: verstikken);
  • ontbrandingstemperatuur (door afkoeling: het wegnemen van warmte of verlagen van de temperatuur).

De werking van de verschillende blusstoffen is hierop gebaseerd. Afhankelijk van de situatie wordt voor een bepaalde blusmethode en een bepaalde blusstof gekozen.

De diverse stadia van brand

Zuurstof, een voldoende hoge temperatuur én een brandbare stof zijn nodig voor het ontstaan en het instandhouden van een brand. Brandbare stoffen zijn bijvoorbeeld:

  • hout, papier, textiel en kolen (vaste vorm);
  • benzine en olie (vloeibare vorm);
  • aardgas, acetyleen, butaan, propaan en LPG (gasvorm).

Er zijn ook brandbare stoffen die tijdens de brand overgaan van een vaste vorm in een vloeibare vorm. Voorbeelden zijn kaarsvet en wasproducten.

Er zijn verschillende verschijnselen zichtbaar bij verbranding: vlammen, gloedverschijnselen, smeulverschijnselen of een combinatie hiervan. De verschijnselen zijn afhankelijk van de samenstelling van de brandbare stof. Met behulp van deze verschijnselen en het moment waarop deze zich voordoen, kun je bepalen in welk stadium de brand zich bevindt:

  • Smeulstadium
    De brand komt niet tot ontwikkeling door gebrek aan zuurstof. Er komen veel brandbare gassen vrij, maar weinig warmte.
  • Vlammenstadium
    Er is voldoende zuurstof aanwezig. De brand komt snel tot ontwikkeling. Er vindt een grote warmteafgifte plaats.
  • Gloeistadium
    Er zijn geen brandbare gassen (meer) aanwezig.

Enkele begrippen met betrekking tot brand en verbranding

Hieronder tref je een aantal van de belangrijkste begrippen aan met betrekking tot brand en verbranding.

Brand is een ongewenste, zich ongehinderd uitbreidende en schade of gevaar veroorzakende verbranding.

Ontbrandingstemperatuur is de temperatuur waarbij een stof tot ontbranding overgaat.

Vlampunt is de temperatuur waarbij een vloeistof nog net voldoende damp afgeeft om vlam te kunnen vatten.

Voortgang verbrandingsproces is de wijze, waarop een brand zich ontwikkelt.

De voortgang van het verbrandingsproces is afhankelijk van de aanwezigheid van zuurstof. De brand wakkert aan door aanvoer van normale omgevingslucht. In de omgevingslucht zit 21% zuurstof. Toevoer van zuivere zuurstof (100% zuurstof) geeft een fellere en snellere verbranding. De brand gaat uit bij een zuurstofgehalte dat onder de 14% ligt. Als niet alle brandbare stof direct in contact staat met de lucht, zal het verbrandingsproces langer duren.

Explosieve verbranding is een zeer snelle verbranding met een vermenging van lucht met een gas, damp of vaste, zeer fijne stofdeeltjes. De verbranding vindt in alle richtingen plaats.

Steekvlam is een, in één richting optredende, snelle verbranding van een mengsel van lucht met een gas, damp of zeer fijne stofdeeltjes.

3.4 Brandklassen

Branden worden ingedeeld in brandklassen van A tot en met F. De brandklassen zijn:

Klasse A Vastestofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vaste vorm heeft.

Klasse B Vloeistofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vloeibare vorm heeft of deze vorm tijdens de brand aanneemt.

Klasse C Gasbranden

Branden waarbij de brandbare stof een gasvormige toestand heeft.

Klasse D Metaalbranden

Klasse F Branden met brandbare vetten, olie of bitumen

In veel gevallen is sprake van een combinatie van deze klassen. De volgende situatie is daar een voorbeeld van:

Een elektriciteitsbrand is een bijzonder soort brand.

Een elektriciteitsbrand is een brand die gevoed wordt door elektriciteit. De spanning van de spanningvoerende delen kan niet worden uitgeschakeld. Elektriciteit kan een vaste stof brand, vloeistofbrand of gasbrand veroorzaken, door kortsluiting, vonkvorming en oververhitting. In deze gevallen spreek je niet van een elektriciteitsbrand.

Er wordt gesproken van een vaste stof-, vloeistof- en/of gasbrand, in het geval elektriciteit alleen de ‘aansteker’ van de brand is.

Er is sprake van een elektriciteitsbrand als de elektriciteit niet uitgeschakeld kan worden en de brand in standhoudt.

3.5 Blusstoffen, blusmiddelen en blusregels

De blusstoffen zijn in drie groepen te verdelen:

Natte blusstoffen

  • water;
  • sproeischuim.

Droge blusstoffen:

  • droog zand;
  • blusdeken;
  • blusdeken.

Gasvormige blusstoffen:

  • De door de BHV'er te gebruiken gasvormige blusstof heet kooldioxide (CO2 , koolzuurgas of koolzuursneeuw).

Kleine blusmiddelen

Onder kleine blusmiddelen vallen draagbare blustoestellen, blusdekens en vaste slanghaspels. Deze blusmiddelen worden onderverdeeld in die met een onbeperkte en een beperkte werkingsduur. Brandslanghaspels zijn net als blusdekens kleine blusmiddelen met een onbeperkte werkingsduur. Draagbare blustoestellen daarentegen hebben, afhankelijk van de inhoud, een korte werkingsduur, vaak niet meer dan 30 seconden.

Een BHV’er kan snel met kleine blusmiddelen ingrijpen bij een kleine brand. Uitbreiding van de brand wordt voorkomen, ook als de brand niet direct kan worden geblust.

De bedieningsvoorschriften moeten in begrijpelijke taal op de kleine blusmiddelen vermeld staan. Niet-geïnstrueerde personen moeten een klein blusmiddel ook kunnen bedienen.

Draagbare blustoestellen

Een draagbaar blustoestel is bestemd voor het bestrijden van brand. Het weegt in gevulde staat ten hoogste 25 kg. Één persoon kan, op eenvoudige wijze, zonder mechanische kracht, het blustoestel in werking stellen en houden.

De vulling bestaat uit een blusstof en een middel, dat zorgt voor het uitdrijven van de blusstof uit het blustoestel.

De voordelen van een draagbaar blustoestel zijn:

  • het is door één persoon te bedienen;
  • het is gemakkelijk te bedienen;
  • het is snel in te zetten;
  • het is gemakkelijk te verplaatsen;
  • de blusstof is gemakkelijk te verspreiden.

Het nadeel van een draagbaar blustoestel is de korte werkingsduur.

Op ieder blustoestel moet het volgende vermeld staan:

  • het soort/type blustoestel, de vulling en het blusvermogen;
  • de gebruiksaanwijzing en aanduidingen (pictogrammen) van de brandklassen waarvoor het toestel geschikt is;
  • naam en adres van de leverancier of producent;
  • het Rijkskeurmerk en het productiejaar.

Algemene regels bij het blussen met een klein blusmiddel

Ga als volgt te werk:

  1. Benader de brand met een tweede persoon, bij voorkeur ook een BHV'er;
  2. Let allereerst op de eigen veiligheid;
  3. Beoordeel de situatie;
  4. Beoordeel of er sprake is van een kleine brand en of je deze zelf kunt blussen;
  5. Beoordeel of het aanwezige blusmiddel kan worden gebruikt. Is dat niet het geval, sluit de deur;
  6. Test het blusmiddel (met bijvoorbeeld een proefstoot). Bepaal je veilige afstand tot de brand, aan de hand van de worplengte (het maximumbereik) van de blusstof;
  7. Blijf laag, op een veilige afstand, waar geen rook of hitte is, maar wel goed zicht op de brand;
  8. Blus buiten altijd met de wind mee;
  9. Ga de brandhaard nooit voorbij;
  10. Blus tot de brand uit is;
  11. Doe een nacontrole.

Gasbranden alleen blussen als de gastoevoer eerst kan worden afgesloten; let op explosiegevaar!

Blus buiten met de wind mee.

Natte blusstoffen

Natte blusstoffen bestaan geheel of gedeeltelijk uit water en zijn hierdoor elektrisch geleidend. Zij zijn in principe niet geschikt voor het blussen van branden bij onder elektrische spanning staande delen. Sproeischuim kan veilig gebruikt worden tot 1000 V (door de verneveling is er een onderbroken straal).

Water

De natuurlijke tegenhanger van vuur is water. Deze vloeistof is zeer effectief voor het blussen van brand. Het is nog altijd de belangrijkste blusstof. Er zijn middelen om de blussende werking van water te vergroten.

Water heeft een groot bluseffect. Het kan veel warmte opnemen.

Er wordt geprobeerd zo min mogelijk waterschade te veroorzaken bij de brandbestrijding. De waterschade wordt beperkt door, met zo min mogelijk water, zoveel mogelijk warmte aan de brand te onttrekken. Het gebruik van een sproeistraal, in plaats van een dikke volle waterstraal, maakt dat het water makkelijker verdampt. De stoom die hierbij ontstaat kan brandwonden veroorzaken.

De voordelen van water als blusmiddel zijn:

  • water heeft een groot koelend vermogen;
  • water is meestal in voldoende mate aanwezig of op eenvoudige wijze te verkrijgen;
  • water is gemakkelijk te transporteren;
  • water is in verschillende gebruiksvormen toepasbaar;
  • water is geschikt voor vele soorten branden;
  • water is niet giftig voor degene die blust (pas wel op voor legionellabesmetting);
  • water is goedkoop.

De nadelen van water als blusmiddel zijn:

  • water is elektrisch geleidend;
  • water is minder geschikt voor het bestrijden van vloeistofbranden;
  • water is vorstgevoelig;
  • water is gevaarlijk bij het blussen van metaalbranden;
  • water kan veel nevenschade veroorzaken.

Brandslanghaspel

Een brandslanghaspel is een ‘uit te lopen’ slang, die op een haspel gerold is. Het water stroomt onder druk uit de slangleiding. Er kan richting en vorm worden gegeven aan het water met behulp van de afsluitbare straalpijp. De slanglengte (meestal 20 à 30 meter) wordt bepaald door de indeling van het gebouw. De worplengte (het maximumbereik) bedraagt 5 meter.

Blussen met de brandslanghaspel

Ga als volgt te werk:

  1. Rol de slang circa 2 meter af en draai de hoofdafsluiter geheel open;
  2. Open de straalpijp en controleer een paar seconden of er druk op de slang staat en er water uitkomt;
  3. Leg de straalpijp op de grond in de richting van de brand;
  4. Rol de slang af in lussen;
  5. Leg deze plat op de grond en zorg dat de slang plat blijft liggen;
  6. Houd de slang met de ene hand en de straalpijp met de andere hand vast;
  7. Benader de brand met een gebonden sproeistraal (begin vanaf circa 10 meter);
  8. Blijf laag, op gepaste afstand en richt de sproeistraal op de onderkant van de vlammen;
  9. Als de vlammen gedoofd zijn, blus na met een bredere sproeistraal;
  10. Kijk links en rechts in de brandhaard om te zien of de brand uit is;
  11. Voer een nacontrole uit (let op knetteren, vlammen en rook);
  12. Draai de straalpijp dicht;
  13. Leg de straalpijp onder de haspel en de slang in lussen richting de haspel;
  14. Wind de slang netjes op, waarbij de windingen naast elkaar liggen. De slanghaspel is nu klaar voor een volgend gebruik;
  15. Draai de hoofdafsluiter dicht;
  16. Open de straalpijp voor je de laatste 2 meter slang oprolt en laat de druk eraf gaan;
  17. Sluit de straalpijp en hang deze op zijn plaats.

Sproeischuim

De meeste brandbare vloeistoffen kunnen niet, of slechts zeer moeilijk met water worden geblust. Het bluswater is zwaarder dan de brandbare vloeistof. De brandbare vloeistof zal blijven drijven en het water zinkt weg. De meeste brandbare vloeistoffen mengen niet met water. Je moet een blusstof gebruiken die lichter is dan de brandbare vloeistof.

De bluswerking van schuim berust op afdekking. De zuurstof uit de omgevingslucht kan niet bij de brand komen, omdat een laag schuim op de brandende stof is aangebracht. Brandbare gassen of dampen die vrijkomen, zullen niet door de aangebrachte schuimlaag kunnen ontsnappen. De brand moet met een deken van schuim worden afgedekt om een goede bluswerking te verkrijgen.

Sproeischuimblusser

De inhoud van de sproeischuimblusser bestaat grotendeels uit water met een paar procent schuimvormende vloeistof. De schuimvormende vloeistof is in veel gevallen biologisch afbreekbaar; sommige bevatten echter ook fluorverbindingen (PFAS), die milieugevaarlijk en giftig zijn.

De sproeischuimblusser is voorzien van een sproeischuimstraalpijp. De straalpijp produceert een schuimnevel van zeer fijne druppeltjes. Een voordeel van deze nevel is, dat er zonder gevaar branden kunnen worden geblust van onder spanning staande apparatuur.

De blussende werking op vaste stoffen berust op een groot afkoelend vermogen.

Bij een vloeistofbrand wordt door filmvorming het oppervlak afgedekt. De toevoer van zuurstof naar de brandhaard wordt verhinderd en het verdampen van de brandbare vloeistof wordt beperkt.

Blussen met een sproeischuimblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer. Verwijder daarna de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het straalpijpje in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 5 meter;
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Verdeel bij een vastestoffenbrand het sproeischuim over het object en blus vanaf diverse zijden maar loop er nooit voorbij;
  7. Bij een vloeistoffenbrand laat je het sproeischuim rustig over het object verspreiden totdat er een schuimlaag ontstaat;
  8. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  9. Bekijk van alle kanten of de brand geblust is maar loop er nooit voorbij;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.

Vetbrandblusser

De vetbrandblusser is goedgekeurd voor brandklasse A, B en F. De vetbrandblusser bevat een speciale blusstof (‘wet chemical’ of ‘chemisch blusschuim’ genaamd), die is bedoeld om een brandende frituurbak af te dekken en adequaat te blussen.

Het chemisch blusschuim heeft een emulgerende eigenschap. Er wordt een afsluitende laag gevormd op de brandende vloeistof. Het blusschuim heeft een sterk koelende werking. De temperatuur van de vloeistof daalt snel en komt onder de zelfontbrandingstemperatuur.

Droge blusstoffen

Droge blusstoffen bevatten geen water. Ze zijn niet elektrisch geleidend. Blijf bij een hoge elektrische spanning, toch altijd voorzichtig.

Blusdeken

Blusdekens worden gemaakt van een niet, of zeer slecht brandbaar materiaal. Het materiaal kan glaswol zijn, maar ook

linnen met een brandwerende coating. Blusdekens kunnen verschillen van formaat en qua uitvoering.

De blussende werking van een blusdeken berust op afdekking (het afdichten van de brand voor zuurstof).

Kleine branden kunnen geblust worden door er snel een blusdeken overheen te leggen.

Een blusdeken kan ook gebruikt worden om een slachtoffer te bedekken.

Bluspoeders

Bluspoeders bestaan voornamelijk uit zouten. Het is zeer effectief als het door middel van drijfgas verstoven wordt.

Er ontstaat een poederwolk door het verstuiven, die als het ware gedragen wordt door het drijfgas.

Bluspoeders werken als een negatieve katalysator en hebben een vlam afbrekende werking. Dit betekent dat bluspoeders de verbrandingsreactie vertragen. In de brand gespoten bluspoeder vertraagt de verbrandingsreactie zodanig snel, dat de brand vaak snel beëindigd wordt.

Het klonteren van het bluspoeder in de blusser moet worden voorkomen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen ABC- en BC-poeder. ABC-poeder (‘gloedpoeder’) wordt het meest gebruikt en is geschikt voor het blussen van branden van zowel klasse A, B als C. BC-poeder is alleen geschikt voor het blussen van klasse B- en C-branden.

D-poeder is geschikt voor metaalbranden. Zuurstoftoetreding wordt voorkomen, doordat het poeder een korst over het metaal vormt.

Gebruik van bluspoeder in een afgesloten ruimte kan veel nevenschade veroorzaken (zout is corrosief) en bluspoeder kan overal indringen. Elektronische apparatuur wordt onbruikbaar en mechanische delen (zoals lagers) kunnen vastlopen. Bovendien ontneemt bluspoeder het zicht. Er kan daardoor bij andere aanwezigen in de afgesloten ruimte paniek ontstaan.

De koelende werking van bluspoeder is verwaarloosbaar. Bij vloeistofbranden met een langere brandduur kan herontsteking ontstaan.

De voordelen van bluspoeder zijn:

  • het is zeer geschikt voor het blussen van vloeistof- en vloeistofcombinatiebranden;
  • het is niet elektrisch geleidend;
  • het is niet vorstgevoelig;
  • het kan zowel in de openlucht, als in een besloten ruimte waar personen aanwezig zijn, worden gebruikt.

De nadelen van bluspoeder zijn:

  • het is minder geschikt voor ruimtes waarin zich gevoelige apparaten bevinden;
  • het heeft geen koelend vermogen (herontsteking!);
  • het is minder geschikt voor brandende metalen;
  • het veroorzaakt in besloten ruimten veel nevenschade.

Poederblusser

De poederblusser is een (hand)brandblustoestel met groot blusvermogen, waarin droogpoeder als blusstof wordt gebruikt. Het uitdrijvende gas in kleinere toestellen is kooldioxide, in grotere blustoestellen of blusinstallaties stikstof. Stikstof bevriest bij een extreem lagere temperatuur dan kooldioxide.

Gebruik de juiste poedersoort (ABC-, BC- of D-poeder), afhankelijk van de te beveiligen ruimte en/of materialen.

Grotere poederblussers kunnen zijn voorzien van een hogedrukpatroon. Hierin is het (uit)drijfgas samengeperst. Het bluspoeder staat niet permanent onder druk. Het afsluitplaatje wordt geperforeerd bij het indrukken van de knijpkraan. Het bluspoeder stroomt met kracht naar buiten.

In kleine poederblussers (zoals autoblussers) zit het (uit)drijfgas niet in een aparte hogedrukpatroon. Het bluspoeder in het toestel staat onder een permanente druk. De maximale spuitduur van kleine poederblussers is 6 tot 8 seconden. Deze toestellen zijn voorzien van een drukmeter.

Blussen met een poederblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen.
  2. Neem de handgreep of draagbeugel in de ene hand en het straalpijpje of slang in de andere hand en geef een proefstoot.
  3. Benader de brand laat tot op ongeveer 5 tot 7 meter.
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in.
  5. De brand wordt geblust door de wolk van blusstof. Hoe groter de wolk, hoe groter het effect.
  6. Blus van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen.
  7. Bij een vaste stoffenbrand geef je een stoot poeder, wacht tot de wolk weg is en geef net zolang een stoot totdat je geen vlammen en gloed meer ziet. Houd er rekening mee dat je door de wolk geen vlammen of gloed kunt zien.
  8. Bij een vloeistoffenbrand blijf je ononderbroken blussen tot je geen vlammen meer ziet.
  9. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter.
  10. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij.
  11. Het grootste gevaar bij blussen met poeder is de kans op herontsteking.
  12. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat.
  13. Voer een nacontrole uit.
  14. Loop achteruit weg van het object.

Gasvormige blusstoffen

Gasvormige blusstoffen bevatten net als droge blusstoffen geen water. Gasvormige blusstoffen zijn ook niet elektrisch geleidend.

Koolzuursneeuw

De bluswerking van koolzuursneeuw berust op de verdringing van zuurstof. De sneeuw ontstaat door koolzuurgas (kooldioxide, CO2) uit een drukfles snel te laten uitzetten. Aan de uitstroomopening van de drukfles is een zogeheten ‘expansiekoker’ (een taps toelopende koker van isolerend materiaal) bevestigd.

Een klein deel van het uitstromend koolzuurgas gaat bij het uitstromen in sneeuw over. Het overige deel van het koolzuurgas stroomt in gasvormige toestand uit. Het uitstromende gas neemt de sneeuw mee. Er ontstaat een gas/sneeuwwolk die de brandende stof omhult. Hierdoor is er gevaar voor zuurstoftekort wanneer koolzuursneeuw gebruikt wordt in kleine, besloten ruimtes.

Koolzuursneeuwblusser

De koolzuursneeuwblusser wordt ook wel koolzuur(gas)blusser of CO2-blusser genoemd. Het is een alternatief voor een poederblusser of water, als die veel schade zouden opleveren of een gevaar voor de gebruiker. De werkingsduur is kort, de worplengte minder dan 2 meter.

De fles is gevuld met kooldioxide die zó sterk is samengeperst, dat het een vloeistof is geworden.

Er is geen uitdrijfgas nodig om de kooldioxide uit de fles te laten stromen. De ‘eigen’ druk (60 bar) is zo hoog dat het uitstromen spontaan plaatsvindt wanneer men de handgreep inknijpt.

Let er op dat de expansiekoker koud wordt tijdens het blussen. De koker kan tot -80 °C afkoelen.

Blussen met de koolzuursneeuwblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het handvat van de koker (niet de koker zelf i.v.m. bevriezingsgevaar!) in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 1 meter;
  4. Richt de bluskoker op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Zorg ervoor dat de CO2 de gehele brandhaard bedekt;
  7. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  8. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij;
  9. Let op herontbranding;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.
Toepassing van de verschillende blusstoffen

*Klasse C: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer.

**Klasse F: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer en uitzetten van de ventilatie. Daarna kun je de deksel op de pan schuiven, zodat de zuurstof opraakt.

***Elektriciteitsbrand: Voor het blussen van een brand van een batterij in mobiele telefoons, tablets, laptops, elektrische fietsen, scootmobiels of elektrische auto's werken deze blusstoffen niet goed.

Voor de brandweer: droge blusleiding

Een droge blusleiding is een pijpleiding in of aan een gebouw, die door de brandweer wordt gebruikt om bluswater naar de verdiepingen te leiden.

Het gebruik van een droge blusleiding bij brandbestrijding heeft de volgende voordelen:

  • er kan sneller worden opgetreden;
  • het brandweerpersoneel raakt minder snel vermoeid;
  • het trappenhuis wordt niet belemmerd door brandslangen.
3.7  Gevaren bij brandbestrijding en hulpverlening

De hulp van een BHV’er kan worden ingeroepen bij calamiteiten zoals brand, dreigende explosies en instortingen of wanneer een persoon bekneld of ingesloten zit.

Om de hulp op een veilige manier te kunnen verlenen, moet je als BHV'er weten met welke gevarenkenmerken je te maken hebt:

  • Menskenmerken (hoe kunnen aanwezigen veilig het gebouw verlaten);
  • Gebouwkenmerken (op welke manier zijn onderdelen van het gebouw bestand tegen brand);
  • Brandkenmerken (hoe verloopt een brand);
  • Interventiekenmerken (hoe snel moet je ter plaatse zijn, wat kun je doen als hulpverlener);
  • Omgevingskenmerken (welke invloed heeft de omgeving op de brandveiligheid).

Denk altijd eerst aan je eigen veiligheid! Er zijn veel gevaren waaraan je kunt worden blootgesteld. Deze gevaren mogen je er echter niet van weerhouden om je taak uit te voeren. Het is van groot belang dat je op de hoogte van de gevaren bent, zodat je de juiste maatregelen kunt nemen.

In deze paragraaf worden gevaren behandeld waarmee je bij de brandbestrijding en hulpverlening geconfronteerd kunt worden. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de deurprocedure, rook en koolmonoxide, explosiegevaar, gevaren door elektriciteit en gevaarlijke stoffen.

Deurprocedure

Een BHV'er neemt altijd een draagbaar blustoestel mee als hij naar de plaats van het incident gaat. Wanneer de vermoedelijke brand zich achter een deur bevindt, plaatst de BHV'er dit blusmiddel binnen handbereik.

Bij het vermoeden van een brand in een ruimte achter een gesloten deur mag de deur niet zomaar geopend worden. Probeer eerst te weten te komen welke situatie je zou kunnen aantreffen. Ga na of er zich nog personen achter de gesloten deur bevinden.

Een warm deuroppervlak geeft aan dat de temperatuur aan de andere kant hoog is. Controleer met de rug van je handen langs de randen van de deur en voel of het warm aanvoelt. Bewaar enige afstand tot de deur in verband met de eventuele warmte. Wanneer je warmte voelt, ga er dan van uit dat er brand woedt achter de gesloten deur.

De deur kan voorzichtig (er kan een steekvlam ontstaan) iets geopend worden als je bij de controle geen warmte aan de deur hebt gevoeld.

Open de deur als volgt verder:

Afdraaiende deur (de deur draait van je af als de scharnieren niet zichtbaar zijn):

  • kniel voor muur, op arm-afstand van de klink;
  • wend je gezicht af van de deuropening;
  • open de deur een klein stukje maar houd de klink vast. Wacht enige seconden.

Toedraaiende deur (de deur draait naar je toe als de scharnieren zichtbaar zijn):

Wanneer er vlammen of rook boven de deur uitkomen sluit je de deur en sla je alarm. Ga na of er iemand in de ruimte aanwezig is door te roepen. Is er een reactie, vraag dan of de persoon naar je toe kan komen en evacueer hem als dat veilig kan. Ga niet zelf naar binnen en denk voortdurend aan je eigen veiligheid. Kan er geen evacuatie plaatsvinden, meld dan aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn. Geef ook door in welke ruimte ze zich bevinden. Blijf zo lang als dat veilig is communiceren met het slachtoffer. Laat ondertussen de andere BHV’ers verder gaan met de ontruimingsprocedure.

De BHV’er moet daarna als volgt handelen om uitbreiding van de brand te voorkomen:

  • laat de deur gesloten;
  • waarschuw de omgeving;
  • alarmeer;
  • ga verder met ontruimen.

Is er geen sprake van rook, hitte of vlammen boven de deur, open de deur voorzichtig iets verder om in de ruimte te kunnen kijken. Is er alsnog sprake van veel rook, hitte of vlammen: sluit de deur. Ook nu ga je na of er zich iemand in de ruimte bevindt en of hij geëvacueerd kan worden. Kan er geen evacuatie plaats vinden, meld aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn en in welke ruimte ze zich bevinden.

Is er in de ruimte geen sprake van veel rook, hitte of vlammen, dan kun je naar binnen gaan.

Zorg voor een veilige terugtocht. Controleer vóór het naar binnen gaan altijd of er een binnenklink aan de deur zit! Je kunt een bluspoging doen, als er sprake is van een kleine brand. Rookverspreiding moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Wanneer er te veel hitte, te veel rook of te weinig zicht is of ontstaat: ga uit de ruimte en sluit de deur!

Rook en koolmonoxide

Rook ontstaat bij brand door een onvolledige verbranding. Rook kan het zicht ontnemen en kan een aantal stoffen bevatten die zeer gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Één van de meest gevaarlijke stoffen is koolmonoxide (CO), dat kleurloos, reukloos en smaakloos is.

Koolmonoxide kan al bij zeer kleine hoeveelheden leiden tot bewusteloosheid of erger.

De meeste letsels bij brand worden veroorzaakt door de rook. Hoe donkerder de rook, hoe giftiger.

Explosiegevaar

Een explosie kan veroorzaakt worden door gassen, dampen, brandgevaarlijke vloeistoffen, gasflessen, drukvaten, flessen met koolzuurhoudende dranken, acetyleenflessen, spuitbussen en gaspatronen.

Vermijd elk gebruik van open vuur en vonk veroorzakende voorwerpen bij een vermoeden van een explosief gas-/luchtmengsel in de omgeving. Lichtschakelaars kunnen vonken veroorzaken, ook al zie je de vonken door de afscherming niet.

Waarschuw altijd de brandweer bij een vermoeden van een lekkage van gassen of dampen.

Gevaren door elektriciteit

Elektriciteit laat zich makkelijk verplaatsen. Elektriciteit kan op bijna elke gewenste plaats beschikbaar zijn met behulp van een verlengsnoer en verdeelstekkers. Houd rekening met de volgende gevaren:

  • snoeren en kabels kunnen overal liggen;
  • de isolatiemantel van snoeren en kabels kan beschadigd zijn door brand, explosie of instorting;
  • het beschermende huis van elektrische apparatuur kan defect raken, waardoor spanningvoerende delen bloot komen te liggen. Aanraking ervan betekent direct levensgevaar!

Spanning (zowel laag- als hoogspanning) is levensgevaarlijk.

Let op bij het blussen met water. Water geleidt elektriciteit. Blus je met een gebonden straal, dan kan deze straal dienen als geleider. Haal altijd de elektrische spanning weg voordat je gaat blussen.

Ruimten waarin zich hoogspanning bevindt zijn in de regel voorzien van een hoogspanningsbord. Een voorbeeld van het bord:

Een zwart/geel gestreept bord geeft aan dat er in de betreffende ruimte niet met water mag worden geblust. Hiervoor kunnen twee redenen zijn:

  • er bevindt zich hoogspanning in de ruimte;
  • de aanwezige apparatuur is niet tegen water bestand.

Het advies luidt: ‘Handen af van onder spanning staande apparatuur of geleiders!’

Gevaarlijke stoffen

De BHV’er kan te maken krijgen met gevaarlijke stoffen tijdens de bestrijding van een calamiteit. Na ongevallen of onregelmatigheden bij het transport of de opslag moeten snel doeltreffende maatregelen genomen worden.

Er gelden voorschriften voor het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het is van belang dat de aard van de gevaarlijke stof direct kan worden vastgesteld. Het is verplicht dat bepaalde etiketten en borden altijd zichtbaar zijn. De BHV’er kan een betere inschatting van de gevaren maken en adequaat handelen.

Verpakking

De GHS-richtlijn schrijft voor dat op het etiket van een gevaarlijke stof de volgende informatie moet staan:

  • de naam van het product;
  • de gevarenpictogrammen;
  • de gegevens van de leverancier of importeur;
  • de H(azard)-en P(revention)-zinnen.

De H- of gevarenzinnen geven aan welke gevaren of risico’s een stof/product met zich mee brengt.

De P-zinnen of veiligheidsaanbevelingen geven aan welke preventie- en veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen om risico’s bij het werken met het product te voorkomen.

3.7      Brandpreventie bij een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang (BSO)

In het pand moeten (middels een Plan van Aanpak als onderdeel van de Risico- Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E)) preventieve maatregelen genomen worden om brand te voorkomen. Enkele voorbeelden:

  • Prullen- of vergaarbakken moeten bij voorkeur van metaal zijn en voorzien van een zelfdovend deksel;
  • Elektrische apparatuur moet periodiek onderhouden worden;
  • Materialen die niet behoren tot de centrale verwarmingsinstallatie mogen niet opgeslagen worden in en om de ruimte waar de installatie staat;
  • Er mogen geen goederen opgeslagen worden onder trappen, in gangen en in het trappenhuis;
  • Brandgevaarlijke stoffen moeten volgens de daarvoor geldende regels worden opgeslagen;
  • Gebruik alleen goedgekeurde stekkers of stopcontacten voor elektrische aansluitingen;
  • Er moeten bliksemafleiders geplaatst worden op hoge gebouwen;
  • Er moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden bij het verrichten van brandgevaarlijke reparaties en handelingen;
  • De compartimentering van het gebouw moet intact gehouden worden. Houd daarom de branddeuren gesloten;

  • Er moet een brandmeldinstallatie (BMI) aanwezig zijn. Een automatische brandmelder kan de melding automatisch doorsturen aan de alarmcentrale. Als er voldoende personen aanwezig zijn om zelf voor de ontruiming te zorgen, kan de melding vertraagd worden. Meldingen van handbrandmelders mogen nooit worden vertraagd;
  • Het magazijn moet altijd vrij toegankelijk of te verlaten zijn en er mag in deze ruimte niet gerookt worden;
  • Nooduitgangen moeten vrijgehouden worden. Ze mogen niet geblokkeerd worden door speelgoed, wandelwagens e.d.

Een kind is van nature nieuwsgierig en wil de wereld om zich heen ontdekken. Probeer te voorkomen dat een kind hierbij letsel oploopt. Scherm gevaarlijke voorwerpen af of vervang ze. Vervang bijvoorbeeld CO2 - of poederblussers door schuimblussers, omdat deze minder gevaar opleveren voor een kind.

Maatregelen om de kans op brand en daarbij behorend letsel zoveel mogelijk te beperken zijn:

  • Leer de kinderen wat ze moeten doen als de rook of vuur zien of als de brandmelder afgaat;
  • Zie toe op brandveilig gedrag en spreek kinderen aan op onveilig gedrag;
  • Organiseer een ‘brandveiligheidsbijeenkomst’ voor de kinderen en de ouders;
  • Vraag ouders onveilige situaties te melden.

3.8 Preventieve maatregelen om brand te voorkomen tijdens festiviteiten op het kinderdagverblijf of de buitenschoolse opvang (BSO)

De dagelijkse gang van zaken op het kinderdagverblijf of de BSO kan afwijken van de normale. Denk hierbij aan het vieren van feest(dagen), het geven van een voorstelling, het houden van een sportdag of projectweek. Daarbij kunnen zich onverwachte situaties voordoen die brandgevaar opleveren.

De volgende materialen of situaties kunnen brandgevaar met zich meebrengen:

  • Er wordt vuurwerk (zoals sterretjes) afgestoken waarvan gedacht wordt dat het ongevaarlijk is;
  • Er worden bij wijze van grap rollen toiletpapier uitgerold;
  • Er wordt brandgevaarlijke versiering aangebracht op wand en plafond zoals tekeningen, slingers en werkjes;
  • Er worden kaarsen en waxinelichtjes aangestoken;
  • Er worden grote lappen papier, plastic en/of doeken opgehangen als decor;
  • De vluchtdeuren worden afgesloten om te voorkomen dat ongenode gasten het gebouw binnenkomen anders dan door de voordeur.

 

Het is aan te bevelen om bij de aanschaf van (feest)verlichting te kijken of deze voorzien is van een KEMA-keurmerk of CE-markering.

In de dagen rond de jaarwisseling moet er extra gesurveilleerd worden, omdat jongeren in deze tijd bezig zijn met (het afsteken van) vuurwerk.

Er is een handige online tool beschikbaar op www.risico-monitor.nl om de risico’s op een kinderdagverblijf of BSO in kaart te brengen. Op deze website zijn tevens regels en aanbevelingen terug te vinden met betrekking tot feestvieren en brandveiligheid.

Enkele aanbevelingen zijn:

  • Houd kleine kinderen uit de buurt van kaarsen en waxinelichtjes;
  • Gebruik een aansteker met kinderbeveiliging;
  • Houd lucifers en aanstekers buiten het bereik van kinderen. Ze vinden het leuk om hiermee ‘te spelen’.

Om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk dient u eerst de TOETS Brandbestrijding af te ronden

COVID-19 richtlijn

Versie 9 oktober 2020. Het is op dit moment voor de meldkamer ambulancezorg niet meer mogelijk om door middel van uitvragen een goede afweging te kunnen maken of het slachtoffer besmettelijk is door het coronavirus. Daarom is ter bescherming van BHV'ers, burgerhulpverleners en ambulancezorgverleners besloten alle slachtoffers te reanimeren volgens de COVID-19 richtlijn.

Voor de reanimatie  van volwassenen betekent dit onder andere:

  • beoordeel de ademhaling door alleen naar de borstkas te kijken, open de luchtweg niet;
  • bedek losjes de mond en neus met een doek of shawl en geef GEEN beademingen, WEL borstcompressies;
  • sluit de AED aan zo gauw deze beschikbaar is.

Beperk in alle gevallen het aantal hulpverleners dat zich met de daadwerkelijke reanimatie bezighoudt tot maximaal twee

Reanimatie bij een slachtoffer met bewezen of veronderstelde COVID-19 besmetting: gebruik de AED, maar geef geen borstcompressies noch beademing.

Na de reanimatie: alle hulpverleners (die direct bij de reanimatie betrokken waren) moeten de handen en polsen desinfecteren.

Reanimatie bij kinderen tot de puberteit: de reanimatie bij kinderen is onveranderd.

1.1 Inleiding

Eerste Hulp aan Kinderen beschrijft de basisvaardigheden waarover een eerstehulpverlener moet beschikken om een kind te helpen die een (plotselinge) stoornis in zijn gezondheidstoestand heeft. De stoornis kan een gevolg zijn van een ongeval of van een ziekte. We spreken voor het leesgemak over het kind of de hulpverlener als hij of hem.

De BHV'er moet zich jaarlijks laten bijscholen. Hij heeft op zijn werk een goed gevulde en gecontroleerde verbanddoos.

Een mantelzorger verleent hulp aan chronisch zieken, gehandicapten of hulpbehoevende personen uit de directe sociale omgeving. Mantelzorg valt onder de verantwoordelijkheid van de huisarts of de specialist.

Er zijn handelingen die niet door een eerstehulpverlener, maar wel door een mantelzorger uitgevoerd mogen worden. Denk hierbij aan het helpen van een astmapatiënt bij het inademen van medicijnen, of hulp bij het gebruik van een adrenaline auto-injector bij een ernstige allergische reactie. De mantelzorger weet wanneer en wie hij moet waarschuwen en wat hij moet melden.

De eerstehulpverlener verstrekt geen medicijnen behalve (kinder)paracetamol bij pijn, conform de bijsluiter. De mantelzorger van het kind mag onder voorwaarden wel medicatie verstrekken.

Het bellen van 112 kun je het beste aan en omstander vragen zodat je zelf verder kunt met de hulpverlening. Bel je zelf, zet dan je telefoon op de luidspreker functie.

Er zijn belangrijke zaken bij letsel of een ongeval die de eerstehulpverlener in acht moet nemen. Het allerbelangrijkste is om geen tijd te verliezen. Het leven van een kind kan door allerhande oorzaken op het spel staan. Bij deze constatering is het van belang meteen 112 te bellen en te bepalen of je moet reanimeren. Pas daarna kijk je of er andere levensbedreigende letsels of ziekten zijn.

Als er meer slachtoffers zijn dan hulpverleners, kun je voor de keuze gesteld worden alleen korte levensreddende handelingen uit te voeren.

Houd rekening met de regels met betrekking tot de houding van het kind. Zorg voor voldoende beschutting tegen de kou, regen, wind en warmte. Gebruik bijvoorbeeld een isolatiedeken of verplaats het kind, als dat mogelijk is, naar een beschutte plaats.

Benader een kind bij voorkeur aan de gezichtszijde en stel hem gerust. Behandel hem met respect en zorg.

1.3 Oorzaken van letsel bij kinderen

Een kind maakt gedurende de eerste fase van zijn leven verschillende stadia door. Bij elke leeftijd horen specifieke risico’s op letsel.

Zorg ervoor dat een kind goed beschermd is tegen diverse weersinvloeden (warm en koud) en kijk op het label of zijn kleding niet licht ontvlambaar is. Mochten er koordjes in zijn kleding zitten, haal deze eruit. Laat een kind passende schoenen dragen die geen gladde zolen hebben.

Koop speelgoed dat veilig is en past bij de leeftijd van het kind. Er mogen geen scherpe randen, hoeken of punten aan het speelgoed zitten. Wees alert op batterijen in het speelgoed! Het (kleinste onderdeel van) speelgoed moet zo groot zijn dat het niet in de mond van met name baby’s en peuters/kleuters past.Speelgoed mag niet brandbaar zijn en/of afgewerkt met schadelijke verf.

Voorbeelden van specifieke risico’s op letsel bij een zuigeling (0-1 jaar) zijn:

  • het vallen van hoogte;
  • stoten en botsen;
  • verslikken;
  • verbranden;
  • verdrinking;
  • verwonden aan scherpe voorwerpen;
  • giftige stoffen tot zich te nemen zoals schoonmaakmiddelen, medicijnen en planten.

Kijk in alle ruimtes van het huis, op ooghoogte van het kind, waar hij bij kan op het moment dat hij gaat kruipen of zich gaat optrekken. Herhaal deze controle regelmatig naarmate het kind ouder wordt.

Voorbeelden van specifieke risico’s op letsel bij een peuter/kleuter (1-5 jaar) zijn:

  • vallen en struikelen;
  • verbranden;
  • het inslikken van giftige stoffen;
  • verdrinken;
  • verslikken;
  • snijden;
  • elektrocutie;
  • verkeersongeval;
  • bekneld raken.

Voorbeelden van specifieke risico’s op letsel bij een kind vanaf 5 jaar tot de puberteit zijn:

  • vallen;
  • verdrinken;
  • imiteren van bijvoorbeeld een film- of gameheld;
  • prikken en snijden;
  • verbranden;
  • verkeersongeval.

Preventieve maatregelen

Het is onmogelijk gevaar compleet uit te sluiten. Zorg ervoor dat genomen veiligheidsmaatregelen nageleefd en onderhouden worden. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de batterijen van brand- en rookmelders, berg medicatie op de daarvoor bestemde plaatsen op en gebruik traphekjes.

Op de website van www.veiligheid.nl vind je diverse tips om het huis en de omgeving waarin het kind zich bevindt zo veilig mogelijk te maken.

1.4 Kindermishandeling

Er is mogelijk sprake van mishandeling als een kind regelmatig letsel en/of verandering van gedrag vertoont. De gevolgen van kindermishandeling zijn ingrijpend. Een kind dat slachtoffer is (of is geweest) draagt dit zijn verdere leven met zich mee. Kindermishandeling vindt in alle lagen van de bevolking en in alle culturen plaats.

Mag je je ermee bemoeien?

Ken je een kind dat thuis misschien mishandeld of verwaarloosd wordt dan kun je daar wat aan doen. Een slachtoffer van kindermishandeling kan geholpen worden als iemand dit bij de juiste instantie meldt.

Vaak is kindermishandeling het gevolg van problemen of onmacht. Ouders die kinderen mishandelen zijn (uiteindelijk) soms zelfs opgelucht als er ondersteuning wordt geboden bij de opvoeding.

Wat kun je zelf doen?

Je bent waarschijnlijk niet de enige die signalen van mishandeling opmerkt. Misschien ben je wel de eerste die er wat aan gaat doen. Hoe kan je helpen?

  • Praat met iemand uit je eigen omgeving over je vermoeden, bijvoorbeeld met een vriend(in), huisarts, leraar, collega of familielid. Je kunt contact opnemen met de Stichting Korrelatie via 0900-1450. Probeer in contact te komen met mensen die het slachtoffer kennen. Denk aan medewerkers van bijvoorbeeld het consultatiebureau of zijn school. Je kunt je vermoeden ook delen met een deskundige van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis, telefoonnummer 0800- 2000 (24/7 bereikbaar).
  • Houd signalen van kindermishandeling bij door ze op te schrijven. Noteer wat en wanneer je iets hebt waargenomen.
  • Besef dat kindermishandeling vaak het gevolg is van onmacht. Je kunt al helpen door het gezin te steunen of door aan het kind een luisterend oor te bieden.

Vormen van kindermishandeling

We kunnen een aantal soorten kindermishandeling onderscheiden: lichamelijke mishandeling, psychische mishandeling, lichamelijke verwaarlozing, psychische verwaarlozing en  seksueel misbruik.

Signalen van mishandeling

Signalen die een mishandeld kind kan afgeven zijn o.a. : angst voor aanraken, angst voor mannen en/of vrouwen, niet durven uitkleden (bijvoorbeeld bij sport), negatief lichaamsbeeld, afwijkend gedrag etc. etc.

Meer informatie is te vinden op www.vooreenveiligthuis.nl

Hoofdstuk 2

Eerste hulp verlenen, benaderen van een slachtoffer

De eerste vijf acties op een rij:

  1. Houd afstand als er gevaar is voor jezelf;
  2. Als er geen gevaar is voor jezelf beoordeel je of er gevaar is voor het kind;
  3. Controleer het bewustzijn van het kind;
  4. Controleer de ademhaling van het kind;
  5. Ga na of er sprake is van levensbedreigende stoornissen.

Draai het kind op zijn rug als hij daar niet op ligt

Het kijken, luisteren en voelen mag niet meer dan 10 seconden duren. In die tijd moet je ademhalingen zien, horen of voelen:

  1. Als er sprake van geen of abnormale ademhaling: begin met reanimeren.
  2. Is de ademhaling normaal: leg voor het vrijhouden van de luchtweg het kind in de stabiele zijligging.
  3. Is het kind bij bewustzijn en is er sprake van hevige benauwdheid, bel 112. Richt je op het vrijmaken en vrijhouden van de luchtweg.

2.2 Inroepen van professionele hulp

Bel 112 bijvoorbeeld in geval van:

  • bewusteloosheid;
  • hevige benauwdheid;
  • inhalatietrauma;
  • anafylaxie (ernstige allergische reactie);
  • hevige hoofdpijn na een ongeval;
  • bloedhoesten en/of braken met veel bloedverlies;
  • ernstige verwondingen;
  • pijn op de borst, hartklachten;
  • hevig bloedverlies;
  • shock;
  • suf worden bij onderkoeling of oververhitting;
  • een beroerte;
  • een epileptische aanval;
  • ernstige tweede- en derdegraads brandwonden;
  • (been)breuken, open breuken, ontwrichtingen;
  • (mogelijk) wervelletsel als gevolg van een ongeval;
  • een vermoeden van letsel veroorzaakt door agressie of mishandeling.

In andere gevallen kan zo nodig de huisarts of huisartsenpost gebeld worden. Probeer, als dat mogelijk is, de ouders van het kind te (laten) informeren over de toestand van het kind en over wat er is gebeurd.

Geef in ieder geval het volgende aan de centralist door:

  • WIE - de naam van de melder;
  • WAAR - het adres
  • WAT - wat is er gebeurd, de aard van het ongeval, wat er is gebeurd, het aantal slachtoffers, de toestand van de slachtoffers, op welk nummer er teruggebeld kan worden.

De weg naar de plaats van het ongeval moet vrij toegankelijk voor de hulpdiensten zijn. Knipper met autolichten of sein met een zaklamp zodat de professionele hulpverleners de plaats van het ongeval in het donker snel kunnen vinden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, licht je ze in over wat er gebeurd is, wat je gedaan heb. Blijf bij het kind nadat de professionele hulpverlening is gearriveerd. Je hebt inmiddels het vertrouwen van het kind gewonnen. Het kind kan (opnieuw) in paniek raken als je weg zou gaan.

2.3 Emotionele reacties van jezelf, het kind en/of omstanders

Een ongeval kan psychische en/of lichamelijke reacties oproepen. Hij zal niet alleen rekening moeten houden met zijn eigen emoties maar ook met de reacties van het kind en de omstanders (zij kunnen de hulpverlening verstoren).

Het kind is vaak geschrokken, voelt zich angstig en is soms in paniek. Ga niet gebogen over het kind staan maar ga op je knieën of op de grond voor het kind zitten. Stel jezelf voor, blijf in de directe nabijheid en treed vriendelijk en kalm op. Stel het kind gerust en vertel wat je gaat doen. Gebruik hierbij een eventueel aanwezige pop of knuffel

Dek wonden snel af. Je verkleint hiermee het infectiegevaar en het kind kan niet schrikken bij het zien van de wond.

Doe geen uitspraken die je niet waar kunt maken en vertel niets over het letsel van andere slachtoffers.

2.4 Regels met betrekking tot de houding van het kind

Het verplaatsen van het kind kan zijn situatie verslechteren en mag alleen uitgevoerd worden als er sprake is van een onveilige situatie voor de eerstehulpverlener en/of het kind.

Laat het kind zelf bepalen welke houding voor hem het prettigst is en ondersteun hem in deze houding. Laat een kind met ernstig bloedverlies gaan liggen, zonder dat hij zich daarbij moet inspannen.

Ligt het kind op zijn rug en moet hij braken of heeft hij veel bloed in de mond, draai hem snel op zijn zij.

Is een kind bewusteloos maar heeft hij wel een normale ademhaling, leg hem in de stabiele zijligging. Een bewusteloos ongevalsslachtoffer mag je alleen in de stabiele zijligging leggen als je hem moet verlaten om 112 te bellen.

Stabiele zijligging bij een kind

Pas bij een volwassene dezelfde techniek toe.

Houd een zuigeling tegen je aan met de benen gevorkt om je bovenarm en het hoofd licht naar beneden gericht. Ondersteun hierbij het hoofd met je hand (veiligheidshouding zuigeling). Verslechtert de ademhaling, draai hem op de rug om de luchtweg vrij te maken (kinlift) en de ademhaling te controleren.

Een ongevalsslachtoffer met mogelijk wervelletsel moet (je) in principe niet bewegen.

2.5 Het verplaatsen van een kind uit een gevaarlijke situatie

Een kind moet in principe worden geholpen op de plaats van het ongeval. Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij je het kind moet verplaatsen. Het verplaatsen van een kind moet altijd voorzichtig gebeuren om te voorkomen dat het letsel verergert.

Het verplaatsen met behulp van de Rautekgreep wordt gedaan als het kind te groot of te zwaar is om te tillen en het zelf niet kan lopen of hinkelen.

 

Verslepen van een kind

Als het niet anders kan, versleep het kind op wat voor manier dan ook bijvoorbeeld aan de enkels. Is er een omstander, vraag die om het hoofd iets op te tillen, zodat het hoofd niet over de grond sleept.

Hoofdstuk 3

Reanimatie van volwassenen

Elk jaar krijgen in Nederland 15.000 mensen een circulatiestilstand buiten het ziekenhuis. Het uitvoeren van reanimatie vóór de aankomst van professionele hulpverleners is voor de slachtoffers van levensbelang. Meer dan de helft van de slachtoffers heeft een niet schokbaar hartritme. In het geval van een schokbaar ritme kunnen de overlevingskansen meer dan 60% bedragen, indien defibrillatie binnen enkele minuten plaatsvindt. Overleving bij ontslag uit het ziekenhuis neemt de laatste jaren toe en bedraagt iets meer dan 30%.

Volgorde van handelen bij de reanimatie van volwassenen

1. Zorg ervoor dat uzelf, omstanders en het slachtoffer veilig zijn.

2. Kijk of het slachtoffer reageert door voorzichtig aan zijn schouders te vragen (luid): “Gaat het?”

3a. Als het slachtoffer WEL reageert:

  • Laat het slachtoffer in de houding waarin u hem aantreft, mits er verder geen gevaar dreigt;
  • Probeer te achterhalen wat er aan de hand is en zorg zo nodig voor hulp;
  • Controleer het slachtoffer regelmatig.

3b. Als het slachtoffer NIET reageert:

  • Vraag een omstander een ambulance te bellen via 112 en vraag om een AED te brengen, als die beschikbaar is. Als u alleen bent, belt u zelf 112. Zet de telefoon bij voorkeur op de luidspreker, zodat u de aanwijzingen van de centralist kunt horen, terwijl u uw handen vrij heeft;
  • Draai het slachtoffer op zijn rug en maak de luchtweg open met de hoofdkantel- kinliftmethode: plaats 1 hand op zijn voorhoofd en duw voorzichtig het hoofd achterover;
  • Maak vervolgens de ademweg open door 2 vingertoppen onder de punt van de kin te plaatsen en deze omhoog te tillen.

4.  Houd de luchtweg open en kijk, luister en voel maximaal 10 seconden naar normale ademhaling:

  • Kijk of de borstkas omhoog komt;
  • Luister ter hoogte van mond en neus of u ademhaling hoort;
  • Voel met uw wang of er luchtstroom is;
  • Stel vast of de ademhaling normaal, niet normaal of afwezig is.

NB. In de eerste paar minuten na het ontstaan van de circulatiestilstand kan het zijn dat het slachtoffer amper ademhaalt, maar alleen af en toe een trage, happende adembeweging maakt, of onregelmatig en/of luidruchtig naar lucht hapt: dit is de "agonale ademhaling" of "gasping". Dit is geen normale ademhaling. Bij twijfel handelt u zoals bij niet-normale ademhaling: u start dan de reanimatie op.

5a. Als het slachtoffer WEL normaal ademt:

  • Leg hem in de stabiele zijligging;
  • Controleer elke minuut of de ademhaling normaal blijft.

5b. Als het slachtoffer NIET ademt of niet normaal ademt, of als u twijfelt:

  • Start de reanimatie (borstcompressies en beademingen);
  • Alleen als een AED binnen uw bereik is, pakt u de AED, zie punt 7. Laat het slachtoffer zo nodig even alleen.
Borstcompressies

Voer borstcompressies als volgt uit:

  • kniel naast het slachtoffer ter hoogte van de bovenarm;
  • plaats de hiel van uw ene hand op het midden van de borstkas;
  • plaats de hiel van uw andere hand boven op de eerste;
  • raak de vingers van beide handen in elkaar. Zorg ervoor dat u geen directe druk uitoefent op de ribben, de onderste punt van het borstbeen of de bovenbuik;
  • positioneer uzelf loodrecht op de borstkas, en duw deze met gestrekte armen tenminste 5 centimeter in, maar niet meer dan 6 centimeter;
  • laat na elke borstcompressie de borstkas geheel omhoogkomen zonder het contact te verliezen. Herhaal de handeling met een frequentie van 100 tot 120 keer per minuut;
  • het indrukken en omhoog laten komen van de borstkas moet even lang duren.
Beademen

6. Combineer borstcompressies met mond-op-mondbeademingen:

  • Maak na 30 borstcompressies de luchtweg open met de hoofdkantel-kinliftmethode;
  • Knijp de neus van het slachtoffer dicht met 2 vingers van de hand die op zijn voorhoofd rust;
  • Houd de kin omhoog en zorg dat de mond iets open blijft;
  • Neem zelf een normale ademteug, plaats uw lippen om de mond van het slachtoffer en zorg voor een luchtdichte afsluiting;
  • Blaas rustig in gedurende 1 seconde als bij een normale ademhaling. Als u ziet dat de borstkas omhoog komt, dan heeft u een effectieve beademing gegeven;
  • Haal uw mond van die van het slachtoffer en kijk of de borstkas weer naar beneden gaat;
  • Geef op dezelfde wijze de tweede beademing;
  • Onderbreek het geven van compressies maximaal 10 seconden om 2 beademingen te geven;
  • Plaats direct uw handen weer in het midden van de borstkas en geef 30 borstcompressies;
  • Ga door met borstcompressies en beademingen in de verhouding 30:2;
  • Onderbreek de reanimatie niet, behalve als het slachtoffer (goed) bij bewustzijn komt. Dit uit zich meestal doordat het slachtoffer zich beweegt, zijn ogen opent en normaal begint te ademen.

Als de borstkas niet omhoog komt bij een beademing:

  • Inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare luchtwegbelemmering.
  • Controleer of u de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert.
  • Geef niet meer dan 2 beademingen per keer en ga onmiddellijk door met 30 borstcompressies.
  • Als een tweede hulpverlener aanwezig is, los elkaar dan elke 2 minuten af, om vermoeidheid te voorkomen. Onderbreek bij het aflossen de borstcompressies zo kort mogelijk.

Als het slachtoffer gaat braken tijdens de reanimatie dient u het slachtoffer snel (naar u toe) opzij te draaien en de mondholte globaal vrij van braaksel te maken. Dit heet de snelle kantelmethode. Dit dient uiteraard vlot plaats te vinden.

Stop niet met de reanimatie totdat:

  • professionele zorgverleners zeggen dat u mag stoppen; of
  • het slachtoffer bij bewustzijn komt: zich beweegt, zijn ogen opent en normaal begint te ademen; of
  • u uitgeput bent; of
  • u een niet-reanimerenverklaring vindt, die bij het slachtoffer hoort.

Het terugkeren van de circulatie door alléén borstcompressies en beademen is zeer zeldzaam. U kunt er pas van uitgaan dat de circulatie weer hersteld is, als het slachtoffer:

  • bij bewustzijn komt, en
  • beweegt, en
  • zijn ogen opent, en
  • normaal ademt.

Alleen dan legt u het slachtoffer in de stabiele zijligging. Maar blijf steeds de ademhaling controleren. Blijf paraat om direct de reanimatie weer te starten.

3.3 Volgorde van handelen bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit)

Reanimatie van kinderen

Wanneer hulpverleners geen speciale training in de basale reanimatie van kinderen hebben gevolgd, durven zij kinderen vaak niet te reanimeren uit angst schade aan te richten. Deze angst is ongegrond. Het is beter de basale reanimatie van volwassenen op een kind toe te passen dan het kind aan zijn lot over te laten. Niets doen is dus schadelijker!

Oorzaak
Bij baby’s en kinderen is een ademhalingsprobleem de meest voorkomende oorzaak van een circulatiestilstand. Denk hierbij aan verdrinking en verstikking.

Volgorde van handelen bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit)

1. Zorg ervoor dat uzelf, omstanders en het slachtoffer veilig zijn;

2. Kijk of het slachtoffer reageert: Schud voorzichtig aan de schouders;

3a. Als het slachtoffer WEL reageert:

  • Laat het slachtoffer in de houding waarin u hem aantreft, mits er verder geen gevaar dreigt;
  • Probeer te achterhalen wat er aan de hand is en zorg zo nodig voor hulp;
  • Controleer het slachtoffer regelmatig.

3b. Als het slachtoffer NIET reageert:

  • Vraag een omstander een ambulance te bellen via 112 en vraag om een AED te brengen, als die beschikbaar is. Als u alleen bent, belt u zelf 112. Zet de telefoon bij voorkeur op de luidspreker, zodat u de aanwijzingen van de centralist kunt horen, terwijl u uw handen vrij heeft;
  • Draai het slachtoffer op zijn rug en maak de luchtweg open met de hoofdkantel- kinliftmethode: plaats 1 hand op zijn voorhoofd en duw voorzichtig het hoofd achterover;
  • Maak vervolgens de ademweg open door 1 of 2 vingertoppen onder de punt van de kin te plaatsen en deze omhoog te tillen.

4.  Houd de luchtweg open en kijk, luister en voel maximaal 10 seconden naar normale ademhaling:

  • Kijk of de borstkas omhoog komt;
  • Luister ter hoogte van mond en neus of u ademhaling hoort;
  • Voel met uw wang of er luchtstroom is. Stel vast of de ademhaling normaal, niet normaal of afwezig is.

NB. In de eerste paar minuten na het ontstaan van de circulatiestilstand kan het zijn dat het slachtoffer gaspt (agonale ademhaling). Dit is echter zeldzaam bij kinderen.

5a. Als het slachtoffer WEL normaal ademt: Leg hem in de stabiele zijligging. Controleer elke minuut of de ademhaling normaal blijft.

5b. Als het slachtoffer NIET ademt of niet normaal ademt, of als u twijfelt: START DE REANIMATIE

AIs er geen omstander is om 112 te bellen, dan eerst 1 minuut lang reanimeren. Vervolgens bel je zelf 112. Zet de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie.

In eerste aanleg kan je bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit) dus uitgaan van dezelfde handelingen als bij volwassenen.

Kinderreanimatie

Reanimatie van kinderen (tot de puberteit) begint eerst met 5 beademingen, daarna opnieuw een check van de ademhaling. Als het slachtoffertje dan nog niet ademt dan reanimeren in de verhouding 15:2 (15 borstcompressies en 2 beademingen).

De reanimatie wordt gestart met beademingen omdat zuurstoftekort bij kinderen meestal de oorzaak is van een circulatiestilstand. Een primair hartprobleem is zeldzaam bij een kind.

Beademen zuigeling (0-1 jaar): Mond-op-mond-en-neusbeademing

  1. Leg het hoofd van de zuigeling met het gezicht recht naar boven. Leg een hand op het voorhoofd van de zuigeling en til tegelijkertijd met een of een a twee vingertoppen van je andere hand zijn kin omhoog. Let daarbij op dat je het hoofd niet kantelt. Een pasgeboren baby heeft een relatief groot achterhoofd waardoor zijn nek buigt als hij plat op zijn rug ligt. Leg een opgevouwen handdoek onder zijn schouders en nek ter ondersteuning.
  2. Adem normaal in en bedek mond en neus van de zuigeling met je mond zodat er geen lucht kan ontsnappen.
  3. Blaas rustig in mond en neus van de zuigeling gedurende één seconde. Als de borstkas iets omhoog komt, heb je voldoende lucht ingeblazen.
  4. Haal je mond van het gezicht van de zuigeling en kijk of de borstkas weer omlaag zakt. Het hoofd van de zuigeling blijft recht naar boven gericht. Pas op dat je de uitademingslucht van de zuigeling zelf niet inademt.
  5. Komt de borstkas na de eerste beademing niet omhoog dan is de beademing niet effectief. Kijk of er een zichtbaar obstakel in het mond van de zuigeling zit. Als je een voorwerp aantreft in de mond van de zuigeling mag je één poging doen om het voorwerp er met een lepelende beweging uit te krijgen. Vaker proberen levert te veel tijdsverlies op en het risico op extra verwondingen is te groot. Controleer of het gezicht van de zuigeling recht naar boven gericht is en kijk of de hoofdkantel-kinliftmethode juist is uitgevoerd. Maak eventueel knellende kleding los.
  6. Beadem maximaal 5 keer, ook al is de beademing niet effectief.
  7. Vervolg de reanimatie in de frequentie 15 borstcompressies afgewisseld met 2 beademingen.

Beademen kind vanaf één jaar tot de puberteit : Mond-op-mond-beademing

  1. Duw het hoofd van het kind voorzichtig achterover. Leg een hand op het voorhoofd van het kind en til tegelijkertijd met twee vingers van je andere hand zijn kin omhoog.
  2. Knijp het zachte gedeelte van de neus dicht met de wijsvinger en de duim van de hand die op het voorhoofd van het kind ligt en open de mond een beetje
  3. Adem normaal in en bedek de mond van het kind met je mond zodat er geen lucht kan ontsnappen.
  4. Blaas nu rustig in de mond van het kind gedurende één seconde. Als de borstkas iets omhoog komt, heb je voldoende lucht ingeblazen.
  5. Haal je mond van het gezicht van het kind en kijk of de borstkas weer omlaag zakt. Houd zijn hoofd gekanteld met zijn kin omhoog. Pas op dat je de uitademingslucht van het kind zelf niet inademt.
  6. Komt de borstkas na de eerste beademing niet omhoog dan is de beademing niet effectief. Kijk of er een zichtbaar obstakel in de mond van het kind zit. Als je een voorwerp aantreft in de mond van het kind mag je één poging doen om het voorwerp er met een lepelende beweging uit te krijgen. Vaker proberen levert te veel tijdsverlies op en het risico op extra verwondingen is te groot. Controleer of het gezicht van het kind voldoende naar achteren gekanteld is en kijk of de hoofdkantel-kinliftmethode juist is uitgevoerd. Maak eventueel knellende kleding los.
  7. Beadem maximaal 5 keer, ook al is de beademing niet effectief.
  8. Vervolg de reanimatie in de verhouding 15:2 1(5 borstcompressies afgewisseld met 2 beademingen).

Borstcompressies baby (0-1 jaar)

Een baby kunnen we het best op een harde ondergrond neerleggen, bijvoorbeeld een commode. Het hoofd is relatief groter als bij een volwassene. Daarom leggen we een handdoek of boek onder de schouderbladen. Zo ligt het hoofd beter gepositioneerd.

Borstcompressies vinden plaats door met de toppen van wijs- en middelvinger in het midden van de borstkas te drukken. De diepte is 1/3 van de borstkas hoogte (plm. 4 cm). Zorg ervoor dat je recht naar beneden drukt. Geef borst compressies in een tempo van 100-120 per minuut. Het indrukken van de borstkas moet ongeveer net zolang duren als het loslaten, zodat er een gelijkmatig tempo ontstaat.

Geef 15 borstcompressies met daarna 2 beademingen (15-2) en continueer dit.

Plaats de hiel van de masserende hand op het midden van de borstkas; bij grotere kinderen mag je twee handen gebruiken. Wees niet bang om druk uit te oefenen. Zorg ervoor dat je geen druk uitoefent op de ribben, de onderste punt van het borstbeen of de bovenbuik!

Druk het borstbeen minstens 1/3 van de diepte van borstkas in (ongeveer 5cm). Laat de borstkas steeds helemaal terugkomen, zonder de borstkas los te laten. Geef borstcompressies in een tempo van 100- 120 per minuut. Het indrukken van de borstkas moet ongeveer net zolang duren als het loslaten, zodat er een gelijkmatig tempo ontstaat.

Geef 15 borstcompressies met daarna 2 beademingen. 30:2 toepassen wanneer de AED dit aangeeft of het snel wisselen tussen de handelingen niet lukt. Zijn er 2 Eerste Hulp verleners, los elkaar dan om de 2 minuten af, maar onderbreek de compressies zo kort mogelijk.

Ga door met reanimeren, totdat:

  • professionele hulpverleners de reanimatie overnemen, of
  • het kind bij bewustzijn komt, beweegt, de ogen opent en normaal begint te ademen, of
  • je door uitputting niet meer verder kunt reanimeren.

Wanneer het bewusteloze kind een normale ademhaling krijgt:

  • leg je hem in de stabiele zijligging en
  • controleer je iedere minuut of de ademhaling normaal blijft.

Bij een kind in de stabiele zijligging wordt de ademhaling gecontroleerd door één hand op de borst te leggen bij de overgang van borst naar buik en de andere hand op de rug.

P.S. de richtlijnen zijn niet bedoeld voor de ”natte” pasgeborenen (eerste 24 uur).

Reanimatie baby mét de AED

Reanimatie kind (0-puberteit) met de AED

 

3.8 Niet-reanimerenverklaring

Mensen kunnen ervoor kiezen een niet-reanimeren verklaring op te stellen. Dit kan een verklaring kan op papier zijn maar  kan ook een penning zijn van de NVVE. Een niet-reanimeren verklaring moet gerespecteerd worden als dit voor het begin van de reanimatie duidelijk is.  Ook een niet-reanimeren tatoeage op de borstkast is rechtsgeldig.

Ga niet actief op zoek naar de niet-reanimatiepenning of verklaring. Zo wordt voorkomen dat de reanimatiepoging wordt uitgesteld en de uitkomst van de reanimatie nadelig wordt beïnvloed.

Bij de vondst van de penning, verklaring of tatoeage mag de BHV'er zijn reanimatiepoging staken. Maar kan het besluit om te staken ook overlaten aan de professionele hulpverlener.

3.13 Verdrinking

Een paar centimeter water in bijvoorbeeld een badje thuis kan bij kleine kinderen tot verdrinking leiden. Kleine kinderen hebben nog niet de reflex om het hoofd op te tillen als ze onder water komen. Ze geven zich ‘als het ware over’.

De meeste verdrinkingsongevallen spelen zich af dicht bij huis. Een kind kan te water raken in een sloot, vijver of privé́zwembad.

Denk eerst aan je eigen veiligheid als je een drenkeling uit het water moet halen. Drenkelingen kunnen in hun angst enorm sterk zijn. Wees er op beducht dat ze je niet onder water trekken.

Bel 112 als de drenkeling hevig benauwd is. Een drenkeling met mogelijk water in de longen, die levend uit het water wordt gehaald. Houd de drenkeling zoveel mogelijk in een horizontale houding. Voorkom verdere afkoeling. Het hart van een onderkoelde drenkeling is extra gevoelig voor dodelijke ritmestoornissen, zeker als je de onderkoelde drenkeling laat staan of zitten.

Hoofdstuk 4

4.1 Levensbedreigende stoornissen in de ademhaling

In de drang om te onderzoeken steken kinderen van alles in hun mond. Hierdoor kan een verslikking of een verstikking worden veroorzaakt.

Hulpverlening bij verslikking van een baby

  • geef met de hiel van je vrije hand maximaal vijf voorzichtige tikken tussen de schouderbladen van de baby;
  • draai de baby voorzichtig op de rug, laat het hoofd iets naar beneden wijzen;
  • geef in 5 seconden met twee vingertoppen 5 borstcompressies;
  • wissel de slagen op de rug af met de borstcompressies tot het probleem is opgelost;
  • een zuigeling die borstcompressies heeft gehad moet daarna altijd door een arts onderzocht worden;
  • geef een zuigeling NOOIT buikstoten!

Hulpverlening bij verstikking van een kind vanaf één jaar tot de puberteit

Handel als bij een volwassene:

  • als een kind ademt, moedig hem aan te hoesten.
  • als een kind niet meer kan praten ademen, bel (over liever laat bellen) naar 112;
  • geef 5 slagen tussen de schouderbladen;
  • als slaan op de rug niet effectief is, geef dan maximaal 5 buikstoten;
  • herhaal deze handelingen tot het slachtoffer weer kan ademen;
  • als het slachtoffer bewusteloos op de grond valt, start dan de reanimatie op.

Kinderen moeten door een arts onderzocht worden op inwendig letsel, als er buikstoten zijn gegeven.

Koolmonoxidevergiftiging
Een koolmonoxidevergiftiging kan ontstaan door een onvolledige verbranding bij bv. een CV installatie. De vergiftigingsverschijnselen variëren van hoofdpijn tot bewusteloosheid en uiteindelijk de dood.

Concentratie Verschijnselen
<10% Weinig verschijnselen
10-20% Hoofdpijn en een strak gevoel om het voorhoofd
20-30% Kloppende hoofdpijn
30-40% Hoofdpijn met een algemeen gevoel van slapte, duizeligheid, gestoord zicht, misselijkheid, braken en flauwvallen
40-50% Snelle hartslag en ademhaling
>50% Bewusteloosheid en epileptische aanvallen
>60% Door stoornissen in het hart en van de ademhaling is een fataal verloop te verwachten

Als men een koolmonoxide  vergiftiging vermoed gaat de eigen veiligheid voorop. Bel naar 112 en probeer zo mogelijk te ventileren.

Letsels die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Shock

De bloedsomloop functioneert niet goed als er onvoldoende bloed door het vaatstelsel wordt gepompt. Er zal geleidelijk aan een zuurstoftekort optreden in de lichaamscellen. Deze toestand wordt shock genoemd.

De belangrijkste oorzaak van shock is ernstig bloedverlies (uitwendig dan wel inwendig).

Shock kan ook veroorzaakt worden door:

  • hartproblemen;
  • extreem vochtverlies (brandwonden, uitdroging en diarree);
  • allergische reacties;
  • ernstige infecties.

De verschijnselen van een shocktoestand zijn:

  • het kind is bleek en grauw van kleur;
  • hij voelt koud en klam aan;
  • hij is dorstig;
  • hij voelt zich heel naar;
  • hij maakt (door gebrekkig zuurstoftransport) een onrustige en/of angstige indruk.

Shock is een levensbedreigende situatie die direct deskundige hulp vereist.

Als eenmaal een shocktoestand is ontstaan, kan de eerstehulpverlener deze toestand niet opheffen. Bel dan 112.

  • laat het kind (gaan) liggen;
  • stel het kind gerust en vertel dat je niet weggaat;
  • is het kind nog bij bewustzijn, dan mag hij zelf een prettige houding kiezen.
  • stelp uitwendig bloedverlies;
  • bescherm het kind tegen verdere afkoeling, maar warm het slachtoffer niet actief op;
  • laat het kind niets drinken of eten.

Hevig, actief bloedverlies

Hevige, actieve bloedingen zijn levensbedreigend. Er zijn bloedvaten getroffen in het hoofd, de hals, armen of benen. Het bloed komt -gelijkmatig of in stoten- uit de wond. Er moet onmiddellijk gehandeld worden. Bel 112 of laat 112 bellen. Vraag het slachtoffer of een omstander druk op de wond te geven, zodat je zelf verder kunt met hulpverlenen. Doe dit anders zelf. Laat het slachtoffer op de rug liggen, zonder dat hij zich hierbij inspant.

Het is wenselijk beschermende handschoenen te dragen bij het behandelen van slachtoffers met een bloeding, om eventuele besmetting te voorkomen.

Er moet op de volgende wijze gehandeld worden:

  1. Maak, als dit mogelijk is, de wond vrij van kleding.
  2. Leg een steriel kompres/verband op de wond. Als je geen verband hebt, kun je van een schone doek of een schone, opengevouwen zakdoek een prop maken en deze prop op de wond drukken. Druk desnoods met de blote hand op de wond.
  3. Druk op de wond. Blijf op de wond drukken, tot het bloeden stopt, je een wonddrukverband zo strak mogelijk kunt aanleggen of de professionele hulp het van je overneemt.

Een geamputeerd lichaamsdeel verpak je in een droge plastic zak. Doe de zak in een andere zak, gevuld met smeltend ijs of ijs waaraan water is toegevoegd.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Ziekten die levensbedreigend kunnen zijn:

  • stoornissen in de ademhaling;
  • bepaalde vergiftigingen;
  • elektriciteit;
  • te hoge temperatuur (oververhitting) of te lage temperatuur (onderkoeling) van het lichaam;
  • een groot bloedverlies;
  • een allergische reactie;
  • een groot vochtverlies (brandwonden);
  • uitdroging (door overgeven of diarree).

4.3 Letsels die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende letsels voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • schedel- of hersenletsel;
  • elektriciteitsletsel;
  • ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling;
  • vergiftiging bij inname van een giftige stof.

Schedel- of hersenletsel

Na een ongeval kan het kind hevige hoofdpijn hebben of de hoofdpijn wordt steeds erger. Dit kan duiden op schedel- of hersenletsel. Bel 112 of laat 112 bellen. Zorg dat het kind zich niet beweegt in verband met mogelijk wervelletsel.

Lichttraumatisch hersenletsel werd voorheen hersenschudding genoemd. De hersenen worden voor korte tijd door elkaar geschud. De oorzaak kan een val zijn of een stoot tegen het hoofd.

Neem contact op met de huisarts of de huisartsenpost als enige tijd na het ongeval het kind:

  • in de war is of zich vreemd gedraagt;
  • niet goed wakker wordt of reageert;
  • toenemende hoofdpijn krijgt;
  • moeite heeft met het bewegen van een arm of been of met praten;
  • zijn geheugen 4 uur na het ongeval nog niet goed is;
  • bloed of vocht uit het oor verliest;
  • misselijk is en braakt;
  • je het gevoel geeft dat het niet goed met hem gaat.

De huisarts kan adviseren het kind in de eerste 24 uur na het ongeval regelmatig wakker te maken (wekadvies).

Het kan zijn dat het kind na een ongeval door een arts is onderzocht. Mochten eerdergenoemde klachten zich pas in de eerste dagen of weken na het ongeval voordoen, bel dan toch direct de huisarts of de huisartsenpost.

Een bult op het hoofd kan zo nodig gekoeld worden met een coldpack, natte doek of ijs.

Elektriciteitsletsel

Elektriciteitsletsel kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer een kind met een metalen voorwerp in een stopcontact prikt of onder spanning staande snoeren doorknipt. Zorg eerst voor je eigen veiligheid! Schakel de stroombron uit door bijvoorbeeld de stekker uit het stopcontact te trekken of door de hoofdschakelaar in de meterkast uit te zetten. Kijk goed of er geen brandwonden zijn ontstaan. Bel bij twijfel met 112.

Ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling

Bel 112 als het kind verschijnselen vertoont van ernstige oververhitting (oververhit, maar met een droge, warme huid zonder transpiratie en toenemende sufheid) of ernstige onderkoeling (onderkoeld, maar gestopt met rillen of klappertanden en toenemende sufheid).

Koel een suf, oververhit kind actief, bijvoorbeeld door een koele douche, door coldpacks in de nek, liezen of oksels te leggen, hem met een natte huid bij een ventilator te zetten of hem naar een koele omgeving te brengen.

Ernstige onderkoeling

Een ernstig onderkoeld kind vertoont verschijnselen van onderkoeling maar rilt of klappertandt niet meer en vertoont afwijkend gedrag. Hij gaat steeds moeilijker bewegen en ademhalen, wordt suffer en verliest uiteindelijk het bewustzijn.

Breng het kind naar een warme omgeving en probeer natte kleding uit te trekken. Het kind moet zich zo min mogelijk bewegen. Dek een ernstig onderkoeld kind af met isolatiedekens. Pak de romp, het hoofd, armen en benen, als het kan apart van elkaar in. Warm het kind niet actief op.

Vergiftiging bij inname van een giftige stof

Bewusteloosheid kan worden veroorzaakt worden door de inname van een giftige stof. Een kind kan giftige stoffen binnenkrijgen door het eten van bijvoorbeeld een plant, batterij, tabak of medicatie. Bel 112 (of laat een ander dat doen) wanneer het kind erg benauwd is, suf is, het bewustzijn heeft verloren of de giftige stof bewust heeft ingenomen. Neem de verpakking van de ingeslikte stof mee naar het ziekenhuis, de huisarts of de huisartsenpost.

Heeft hij een goede ademhaling, leg het kind in de stabiele zijligging. Bel de huisarts of de huisartsenpost. Laat het kind geen water drinken of iets vets eten voordat hierover overleg is geweest met de huisarts of de huisartsenpost. Bij inname van etsende of irriterende stoffen laat je het kind de mond spoelen met water en dit vervolgens uitspugen.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende ziekten voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • epilepsie;
  • breath-holding spell;
  • koortsstuipen;
  • hersenvliesontsteking;
  • diabetes (suikerziekte);

Epilepsie

Epilepsie is een stoornis (een tijdelijke ‘kortsluiting’) in de hersenen die soms toevallen veroorzaakt. In het geval van een kleine aanval verliest het kind het contact met zijn omgeving. Bij een grote (tonisch clonische) aanval raakt het kind plotseling bewusteloos, maakt schokkende bewegingen met armen en/of benen en kan soms (bloederig) schuim op de mond krijgen. Ook is de patiënt vaak incontinent van urine. Het bewustzijn keert na enige tijd terug. Meestal is de patiënt suf en vermoeid. Bel altijd 112 bij een grote aanval.

Breath-holding spell

Breath-holding spell is een kort moment, waarin de ademhaling van een kind plots stopt. Dit kan een reactie op een onplezierige ervaring zijn. Bel 112 als het kind het bewustzijn verliest en slap of stijf wordt. Er kunnen andere afspraken gelden in overleg met de huisarts of specialist in het geval het kind bekend is met breath-holding spell. Meestal komt het kind snel weer bij kennis en gedraagt het kind zich weer als vanouds.

Koortsstuipen

Een koortsstuip lijkt op een epileptische aanval. Het kan optreden bij kinderen met snel opkomende koorts. Een kind maakt schokkende bewegingen, is niet aanspreekbaar en heeft weg draaiende ogen. Bel 112. Probeer te voorkomen dat het kind letsel oploopt. Meet de temperatuur. Koel hem af door bijvoorbeeld kleding uit te trekken of dekens weg te halen. Leg het kind na de koortsstuip in de stabiele zijligging.

Hersenvliesontsteking

Hersenvliesontsteking is een bacteriële of virale infectie van vliezen die de hersenen en het ruggenmerg omhullen. Het zieke kind kan hoge koorts hebben, een opgezwollen fontanel hebben en het verwisselen van een luier is pijnlijk. Het hoofd kan niet op de borst gebracht worden. Oudere kinderen klagen in eerste instantie met name over hoofdpijn en zijn lichtschuw. Bel de huisarts of de huisartsenpost als je een hersenvliesontsteking vermoedt. Bel 112 als het kind niet alert is en niet vlekjes (petechiën) op de huid heeft. Deze vlekjes zijn niet wegdrukbaar met een doorzichtig glas.

Diabetes (suikerziekte)

Ieder mens heeft suiker (glucose) in het bloed. Suiker is de energiebron voor de lichaamscellen. Insuline zorgt ervoor dat de hoeveelheid suiker in het bloed binnen bepaalde grenzen blijft. Mensen met diabetes produceren zelf geen of onvoldoende insuline.De glucose kan dan niet goed worden opgenomen worden in de cellen. Hierdoor ontstaat een tekort aan energie.

We onderscheiden een hyperglycaemie en een hypoglycaemie.

Een te hoog bloedsuikergehalte (hyperglykemie)wordt veroorzaakt door veel vochtverlies of te weinig insuline. Wanneer het suikergehalte in het bloed te veel stijgt, wordt het kind zwakker, slaperig en ademt hij moeilijker. Mogelijk kan het kind braken. Bel de huisarts of 112. Vaak zijn deze patienten al bekend met diabetes.

Een te laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie) wordt veroorzaakt door te weinig te eten. Het kind kan erg verward zijn. Hij kan geeuwen, transpireren en soms agressief zijn. Geef hem eerst snelwerkende koolhydraten (bijvoorbeeld druivensuiker, of suikerhoudende frisdrank) en daarna langwerkende koolhydraten (zoals brood, koek of vla). Bel 112 als het kind het bewustzijn verliest en leg hem in de stabiele zijligging. Ben je er zeker van dat het om een hypo gaat kan je honing of stroop aan de binnenkant van zijn wang smeren.

Flauwte

Een flauwte is een tijdelijk tekort aan bloeddruk en dus zuurstofrijk bloed in de hersenen. De oorzaken kunnen zijn: pijn, uitputting, plotselinge schrik, lage bloedsuiker, een benauwde omgeving of bloedarmoede. Een flauwte komt meestal pas voor bij kinderen vanaf 6 jaar. Bel 112 bij flauwte van een kind jonger dan 6 jaar. Leg het slachtoffer plat op de rug op de grond. Hef de benen voor extra effect. Knapt hij niet binnen 2 minuten op of verliest hij het bewustzijn, bel alsnog 112 en controleer de ademhaling. Laat het kind, als hij weer bij bewustzijn is, in ieder geval 10 minuten plat op de grond liggen voordat je hem voorzichtig laat zitten.

5.1 Verwondingen

Een lichte verwonding mag je uitspoelen onder de kraan. Daarna kan je een desinfectans uit de verbanddoos gebruiken.

Bloedneus

Een bloedneus ontstaat spontaan, door hard snuiten of door een klap of stoot tegen het hoofd.

Als de bloedneus spontaan is ontstaan, snuit het kind de neus een keer goed. Knijp de neus stevig dicht door beide neusvleugels (het zachte deel van de neus) tegen het tussenschot te drukken of laat het kind dit zelf doen. Houd dit gedurende 5 minuten vol. Is de bloeding niet gestopt, houd de neus dichtgeknepen en neem contact op met de huisarts of de huisartsenpost. Heeft een kind herhaaldelijk spontaan een bloedneus, dan moet contact opgenomen worden met de huisarts of de huisartsenpost.

Laat het kind voorover in de schrijfhouding zitten, zodat het bloed gemakkelijk de neus uitloopt. Als het kind het hoofd achterover houdt kan hij bloed inslikken en wordt hij misselijk.

Snijwond

Snijwonden kunnen veroorzaakt worden door onder andere scharen, messen, spijkers of snijden aan papier of glas. Snijwonden zijn pijnlijke verwondingen.

Spoel de wond schoon. Dek de wond af met een wondpleister, een steriel kompres (vastgezet met kleefpleister), een snelverband of een elastisch of zelfklevend zwachtel. De keuze van het verband is afhankelijk van de plaats en de grootte van de wond.

De wondranden bij een snijwond kunnen uit elkaar staan.

Je kunt de wondranden weer tegen elkaar plaatsen door het plakken van een zwaluwstaartje (geknipt uit kleefpleister) of hechtstrips.Maak rond de wond de huid schoon en dek de wond steriel af. Laat een eventueel voorwerp in de wond zitten.

r niets uit de wond, is de splinter lastig te verwijderen of twijfel je of de hele splinter is verwijderd, bel de huisarts of de huisartsenpost. Doe dit ook als er huid in een rits vastzit.

Schaafwond

Schaafwonden zijn pijnlijke wonden. Het bovenste laagje van de huid is stuk. Je ziet kleine bloedende stipjes: dit zijn beschadigde haarvaten. Bij een schaafwond op onbedekte huid kun je er vanuit gaan dat er (straat)vuil in de wond zit. Spoel de wond schoon met lauw, zacht stromend water. Laat de wond het liefst drogen aan de lucht.

Bijt- of krabwond

Bel de huisarts of de huisartsenpost als een kind is gebeten of gekrabd door een mens of dier (bijvoorbeeld hond, kat, vos of vleermuis). Het kind moet mogelijk tegen tetanus of hondsdolheid gevaccineerd worden.

Brandwonden

De meeste brandwonden bij kinderen worden veroorzaakt door contact met hete voorwerpen, hete vloeistoffen of vuur. Een kind kan ook brandwonden oplopen door het aanraken van bepaalde planten, zoals de berenklauw.

Een brandwond is een beschadiging van de huid als gevolg van warmte-inwerking door de zon, vuur, explosie, hete vloeistoffen of contact met hete oppervlakken. Letsels veroorzaakt door elektriciteit, bliksem of chemische producten worden ook tot de brandwonden gerekend.

De ernst van brandwonden wordt bepaald door de diepte, grootte, plaats en oorzaak.

Diepte van de verbranding

Brandwond Huid symptomen Actie
Eerstegraads ·      rood

·      licht gezwollen

·      pijnlijk

·      koelen met water
Tweedegraads ·      rood

·      licht gezwollen

·      pijnlijk

·      vertoont blaren

·      koelen met water

·      zo mogelijk steriel afdekken (metalline)

Derdegraads ·      grauwwit (gekookt) of zwart (verkoold)

·      soepelheid verloren

·      pijnloos

·      koelen met water

·      zo mogelijk steriel afdekken (metalline)

Grootte van het verbrand lichaamsoppervlak

Er kan een shock ontstaan wanneer het lichaam voor meer dan 10% is verbrand. De grootte van de brandwond kan worden bepaald met het handoppervlak (met gestrekte vingers) van het slachtoffer. Het handoppervlak omvat ruim 1% van zijn lichaamsoppervlak.

Eerste hulp bij brandwonden

Koel de brandwond minimaal 10 minuten met lauw water. Daarna kan je de brandwond steriel afdekken. Bel 112 bij ernstige, uitgebreide verbrandingen of inhalatieletsel. Bij minder ernstige tweede- en derdegraads brandwonden bel je de huisarts of de huisartsenpost.

Wervelletsel, botbreuken, ontwrichtingen, kneuzingen en verstuikingen

Bel 112 bij wervelletsel, open botbreuken en breuken of ontwrichtingen van been, heup en bekken, bij blauwe of zeer bleke ledematen en bij hevige pijn.

Bel de huisarts(enpost) bij breuken of ontwrichtingen van schouder, arm, elleboog, pols, hand, knie, voet of enkel. Zorg in overleg met de arts voor het vervoer van het slachtoffer naar het ziekenhuis.

Vraag het slachtoffer eventuele sieraden van een gewond lichaamsdeel te verwijderen of help hem daarbij. Er bestaat gevaar voor afknelling door zwelling.

Wervelletsel

Je hebt 112 al gebeld. Een slachtoffer met mogelijk wervelletsel moet stil blijven liggen. Probeer zijn hoofd vast te houden in de gevonden positie. Doe dit niet als het slachtoffer onrustig is of als hij dit niet wil.

Botbreuken

We onderscheiden twee soorten botbreuken:

  • open botbreuken: het bot is gebroken en de huid is ter plaatse kapot (huidwond);
  • gesloten botbreuken: het bot is gebroken, maar de huid is onbeschadigd.

Een botbreuk is te herkennen aan:

  • pijn op de plaats van de breuk;
  • een zwelling op de plaats van de breuk door een onderhuidse bloeding of doordat een bot door verplaatsing tegen de huid drukt;
  • het niet kunnen gebruiken van het gebroken lichaamsdeel;
  • moeite met ademhalen als het een ribbreuk betreft;
  • een abnormale stand;
  • een abnormale beweeglijkheid;
  • het zichtbaar zijn van een uitwendige wond;
  • het hoorbaar kraken of voelbaar meegeven van het bot.

De volgende hulpmaatregelen kunnen genomen worden om de pijn van het slachtoffer te verminderen en verdere beschadiging van het getroffen lichaamsdeel te voorkomen:

De volgende hulpmaatregelen kunnen genomen worden om de pijn van het slachtoffer te verminderen en verdere beschadiging van het getroffen lichaamsdeel te voorkomen:

  1. Laat, als het kan, het slachtoffer in de houding blijven waarin je hem hebt aangetroffen. Het verplaatsen van het slachtoffer kan zijn toestand verergeren.
  2. Je mag het gebroken lichaamsdeel niet in de goede positie terugbrengen of recht leggen. Dit geldt ook in het geval het lichaamsdeel bleek of blauw verkleurd is (wat kan duiden op een bedreigde circulatie).
  3. Laat het slachtoffer het gebroken lichaamsdeel zo mogelijk zelf ondersteunen door het voorzichtig vast te houden. Ondersteun een gebroken been in de gevonden positie met handen, tassen, jassen of een dekenrol (voorkom dat de voet omklapt).
  4. Leg een kompres losjes op de wond en plak het vierzijdig af als er een (bloedende) wond op de plaats van de breuk zichtbaar is.
  5. Zorg dat het getroffen lichaamsdeel zo min mogelijk bewogen kan worden.

Ontwrichtingen

Bij een ontwrichting is een gewricht uit de kom. Dit kan door een ruk aan een ledemaat zijn ontstaan. De hulpverlening is gelijk aan die van botbreuken.

Probeer niet zelf het gewricht op zijn plaats te krijgen. De kans is groot dat er extra schade ontstaat.

Kneuzingen en verstuikingen

Een kneuzing is een beschadiging van bindweefsel en spieren tussen de huid en het bot. Het kan veroorzaakt worden door een slag of een stoot. Een soortgelijke beschadiging van een gewricht noemen we een verstuiking of verzwikking.

Kneuzingen kunnen over het hele lichaam voorkomen. Ze zijn (vaak later) herkenbaar aan blauwe plekken of zwellingen en zijn altijd pijnlijk. Een gekneusd lichaamsdeel kan de beweging belemmeren.

De eerstehulpverlening bestaat met name uit het koelen van het gekneusde lichaamsdeel. Koel niet wanneer er sprake is van een overduidelijke breuk.

Koel het gekneusde lichaamsdeel met stromend water, een koude washand, een coldpack of ijsblokjes. Wikkel om koudeletsels te voorkomen bij gebruik van coldpack of ijsblokjes, de bijgeleverde hoes of een theedoek om het koelmiddel. Koel 10 - 20 minuten, afhankelijk van hoe lang het slachtoffer het volhoudt (herhalen mag). Koelen gaat de zwelling tegen en helpt tegen de pijn. Neemt de pijn toe, stop dan met koelen.

Na het koelen kun je het gekneusde lichaamsdeel steun en rust geven. Laat het slachtoffer zelf zijn gekneusde hand, pols of arm ondersteunen.

Leg, als het slachtoffer dat wil, een steunverband aan.

Doe dit op dezelfde wijze als het aanleggen van een wonddrukverband, echter niet zo strak. Laat het snelverband achterwege. Een coldpack mag mee worden ingezwachteld, echter voor maximaal 20 minuten.

Haal het steunverband eraf bij toename van de pijn of als vingers of tenen blauw/bleek verkleuren.

De huisarts(enpost) kan gebeld worden als de pijn aanzienlijk verergert of als het slachtoffer meteen na het verstuiken van zijn enkel zonder hulp niet meer dan 4 stappen kan lopen.

Tandletsel

Neem zo snel mogelijk contact op met de tandheelkundige hulp (eventueel via de huisarts of de huisartsenpost) bij acute pijn in het gebit of als er tanden loszitten, afgebroken of uitgeslagen zijn. Probeer de schone tand zo snel mogelijk terug te plaatsen als je kunt zien hoe de tand heeft gezeten (doe dit niet met melktanden). Als terugplaatsen niet lukt, bewaar de tand bij voorkeur in melk.

Koorts

Een kind heeft koorts als zijn lichaamstemperatuur 38 °C of meer is. Een kind heeft hoge koorts als zijn lichaamstemperatuur 40 °C of meer is. Bel de huisarts of de huisartsenpost als het kind met (hoge) koorts suf of onrustig wordt. Laat het kind voldoende drinken. Koorts is een natuurlijke reactie van het lichaam op een infectie door virussen of bacteriën.

Oorpijn

Een kind met oorpijn heeft vaak een middenoorontsteking. Er kan etterig of bloederig vocht uit een oor komen. Een kind kan koortsig en behoorlijk ziek zijn en daardoor niet goed eten en slapen. Pijn en koorts zijn meestal binnen drie dagen verdwenen. Soms is het gehoor van het kind een paar weken niet optimaal. Het kind moet naar de huisarts of de huisartsenpost als de oorpijn langer aanhoudt dan 3 dagen.

Allergische reactie

Allergie is overgevoeligheid voor bepaalde stoffen, die in de regel niet schadelijk zijn. Bel 112 als het kind hevig benauwd wordt, een zwelling in nek-halsgebied heeft of als hij shockverschijnselen vertoont.

Het toedienen van adrenaline na een ernstige allergische reactie (anafylactische shock) valt niet onder het verlenen van reguliere eerste hulp. Een mantelzorger mag (mits geïnstrueerd door en onder verantwoordelijkheid van een huisarts of specialist) wel adrenaline inspuiten bij een bij hem bekend kind.

 

BHV Algemeen

1.1.  Inleiding

In de Arbowet is opgenomen dat het verplicht is voor werkgevers om minimaal één BHV’er aan te stellen. Het aantal BHV'ers is afhankelijk van onder andere de grootte van het bedrijf of de instelling, de risico's, het aantal aanwezigen inclusief bezoekers en het aantal niet- zelfredzame personen.

De werkgever bepaalt het juiste aantal BHV’ers op basis van de Risico Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E). Met een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) worden de veiligheids- en gezondheidsrisico’s binnen een bedrijf in kaart gebracht. Kijk voor meer informatie op RIE.nl

De werkgever dient eerste hulpmiddelen (zoals een verbanddoos en blusmiddelen) en juiste persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. De BHV’er moet de BHV-taken verrichten naast zijn reguliere werkzaamheden.

Taken van de BHV'er bij een incidentmelding

Na een incidentmelding gaat de BHV'er naar de plaats van het incident. Liefst samen met een tweede BHV'er.  De BHV'er neemt bij mogelijk letsel een EHBO-doos en eventueel een AED mee. Bij een brandmelding wordt een draagbaar blusmiddel meegenomen.

De BHV’er zorgt dat hij zo snel inzicht krijgt in de situatie die hij aantreft. De BHV'er gaat geen risico's aan die de veiligheid in gevaar brengt. Ook het mogelijke gevaar voor het slachtoffer of omstanders. Een BHV’er is geen brandweerman of ambulanceverpleegkundige. Hij heeft daar geen opleiding voor en beschikt ook niet over de persoonlijke beschermings- en hulpmiddelen.

De BHV'er beoordeelt of hij zelf hulp (Eerste hulp, Brandbestrijding, Ontruiming) kan verlenen of dat hij 112 moet (laten) bellen. De centralist stelt vragen om aan de hand van de antwoorden te bepalen welke hulpdienst nodig is. Ook kan hij aanwijzingen geven hoe verder hulp te verlenen. Als de situatie wijzigt, beoordeelt de BHV'er de situatie opnieuw.

De BHV'er vangt hulpdiensten (ambulance, brandweer of politie) op en licht ze in. Hij koppelt de actuele situatie terug ​naar ​het management. Het management kan direct maatregelen nemen zoals het alvast regelen van slachtofferhulp. Samen met het management evalueert hij het functioneren van de BHV-organisatie na afloop .

1.2  Incident of calamiteit

In het bedrijf waarin de BHV’er werkzaam is kunnen zich verschillende situaties voordoen, waarbij de BHV’er moet optreden om een slachtoffer te helpen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een incident en een calamiteit:
• een incident is een voorval of gebeurtenis die ingrijpen noodzakelijk maakt, maar de dagelijkse gang van zaken niet verstoort;
• een calamiteit is een gebeurtenis die de dagelijkse gang van zaken ernstig verstoort en het bedrijfsproces geheel of gedeeltelijk stillegt.

Het voorkomen van calamiteiten is belangrijk. Van een BHV’er mag worden verwacht dat hij bijvoorbeeld regelmatig de aanwezige vluchtwegen controleert.

1.3  De BHV-organisatie

Bij een groot bedrijf kan een BHV-organisatie worden opgezet met ploegleiders en eventueel een Hoofd BHV.

Het is altijd beter om hulp te verlenen samen met een andere BHV'er bij (een melding van) letsel, brand of andere calamiteit.

Herkenbaarheid van de BHV'er
Het is, vooral bij ontruiming, wenselijk dat de BHV’er als zodanig herkenbaar is. Hij trekt hiervoor een (oranje of geel) hesje aan of een armband met daarop de aanduiding BHV.

De meldorganisatie
De BHV’er moet weten hoe de meldorganisatie in elkaar zit om goed te kunnen functioneren. Ieder bedrijf heeft een specifieke meldorganisatie.
De ontdekker van een incident meldt dit zoals in het bedrijf is afgesproken.

Een melding van een brand, ongeval of een verzoek om hulpverlening kan op meerdere manieren:
• telefonisch, via portofoon en/of mondeling;
• met automatische brandmelders of een brandmeldinstallatie (BMI);
• vanuit andere hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld ambulancedienst en politie.

De BHV'er wordt gewaarschuwd en onderneemt hierop actie. Hij zorgt dat hij binnen enkele minuten op de plaats van het incident is. Liefst samen met een andere BHV'er. De bedrijfshulpverlener maakt altijd melding van een incident waarbij hij een taak heeft verricht of gaat verrichten. Als de melding niet volgens de in het bedrijf vastgelegde procedure gedaan kan worden, moet het alarmnummer 112 (spoedeisend) of 0900-8844 gebeld worden.

Inroepen van professionele hulp
Laat, als de situatie dat vereist, de tweede hulpverlener of een omstander om hulp vragen (via het interne meldsysteem of rechtstreeks) zodat je zelf bij een slachtoffer kunt blijven. Vraag hem om daarna meteen terug te komen.

Als er geen tweede hulpverlener of omstander is, gebruik je jouw mobiele telefoon om te bellen. Zorg dat de belangrijkste telefoonnummers in je contacten staan zodat je snel kunt bellen.

112 is de centrale meldkamer voor het aanvragen van een ambulance, politie of brandweer bij direct levensbedreigende situaties, ernstige ongevallen of ziekten in bedrijven of in de openbare ruimte.

De centralist kan je onder andere om de volgende informatie vragen:
• het adres, om alvast de hulpdienst op weg te sturen;
• je naam;
• de aard van het ongeval;
• wat er is gebeurd;
• het aantal slachtoffers;
• de toestand van de slachtoffers;
• op welk nummer er teruggebeld kan worden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, ga je door met het verlenen van hulp. Zij bepalen wanneer je kunt stoppen en de hulpverlening van je overgenomen wordt.

Voorpostfunctie
De BHV’er heeft een voorpostfunctie. Hij overbrugt de tijd tot externe hulpverleners ter plaatse zijn en probeert de gevolgen van een incident te beperken.

Gidsfunctie
De externe hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en getraind voor hun taken. Zij hebben geen specifieke kennis van elk bedrijf binnen hun verzorgingsgebied.

De BHV’er is, gezien zijn opleiding en training, redelijk bekend met de werkwijze, taken, procedures en bevoegdheden van de externe diensten.

De externe hulpverleners zullen, vooral in complexe gebouwen en op omvangrijke terreinen, onvoldoende bekend zijn met de onheilslocatie. Ze doen, om snel ter plaatse te kunnen zijn, een beroep op de gidsfunctie van de bedrijfshulpverleners.

De BHV'er vangt de externe hulpverleningsdiensten op bij de toegang van het terrein waarop het bedrijf zich bevindt. Hij begeleidt ze naar de plek des onheils en staat ze bij.

De bedrijfshulpverleningsorganisatie zorgt ervoor dat bij de receptie/portiersloge een informant is, die antwoord kan geven op de volgende vragen:
• Wat is er aan de hand?
• Zijn er (nog) mensen in gevaar en zo ja, hoeveel?
• Zijn er slachtoffers en zo ja, hoeveel en waar bevinden zij zich?
• Wordt er al actie ondernomen? Zo ja: door wie en wat doen die personen?
• Zijn er gevaren die de hulpverlening kunnen bemoeilijken of juist vergemakkelijken?
• Hoe is de exacte locatie waar de professionele hulp nodig is te bereiken?

De informant kan zijn: de receptionist(e), de portier of de bedrijfshulpverlener die naar de receptie/portiersloge wordt gestuurd.

De hulpverleningsdiensten hebben behoefte aan plattegronden of informatiekaarten. De volgende informatie kan daarop worden gevonden:
• gebouw(en)- en terreinindeling;
• bestemming van de ruimten en/of terreinen;
• plaatsen waar eventueel gevaren kunnen ontstaan;
• plaatsen waar zich Eerste Hulp middelen, AED's, brandbestrijdings- en overige hulpverleningsmiddelen bevinden.

De meest geschikte plaats voor de plattegronden en informatiekaarten is de receptie of portiersloge. De externe hulpverleningsdiensten melden zich daar het eerst. Meldpanelen van de beveiligingssystemen voor brand, inbraak, wateroverlast, storingen en dergelijke bevinden zich daar meestal ook.

In sommige bedrijven is buiten de normale werktijden niemand aanwezig. De deuren kunnen op slot zijn, al dan niet met automatische beveiliging. Er kan een bewakingsfunctionaris of bewakingsdienst aanwezig zijn. Er zijn bedrijven waar in ploegendienst gewerkt wordt buiten de normale werktijden. Met de externe hulpverleningsdiensten moet afgesproken worden hoe de gebouwen en ruimten dag en nacht toegankelijk zijn. Dit is met name van belang voor bedrijven waar beveiligingsinstallaties met automatische doormelding aanwezig zijn.

Registratie

De BHV'er moet beschikken over de volgende checklists:

  • een lijst met de acties die hij moet ondernemen en de instanties en personen die hij moet waarschuwen;
  • een lijst waarop hij het afmelden en het tijdstip van afmelden van assistenten bij de ontruiming kan bijhouden;
  • een lijst van medewerkers en bezoekers.

De BHV'er kan, aan de hand van deze lijsten, de situatie snel overzien. Hij weet waar iedereen zich bevindt. Deze gegevens kan hij doorgeven aan de hulpdiensten. De BHV'er houdt, zo mogelijk, een logboek bij. In het logboek kunnen na de ontruiming aantekeningen worden gemaakt over het verloop ervan. De aantekeningen kunnen een weergave zijn van de acties of berichten en het tijdstip waarop deze zijn ondernomen, binnengekomen of verzonden. Een korte omschrijving van de actie of het bericht kan hier aan worden toegevoegd.

Rond eerst de toets af om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk

 

 

Ontruiming

4.1. Inleiding

Het ontruimingsplan is een onderdeel van het BHV- of bedrijfsnoodplan. De gebruiksvergunning of bouwverordening kan een ontruimingsplan eisen, afhankelijk van de grootte en het gebruik van het gebouw. Een ontruimingsplan is verplicht bij aanwezigheid van een verplichte brandmeldinstallatie (BMI). De aanwezigheid van een ontruimingsplan draagt bij aan de veiligheid van de werknemers en aanwezigen. Er wordt tegemoet gekomen aan de eisen die in het Arbobesluit zijn vastgesteld.

De veiligheid van personen in een bedrijf wordt niet alleen bedreigd door de calamiteit zelf. De erop volgende paniekreacties kunnen ook leiden tot gevaarlijke situaties. De Arbo-wet verplicht in veel gevallen vooraf een duidelijk plan te maken.

In een ontruimingsplan staat beschreven wat er moet gebeuren om een bedrijf snel en ordelijk te ontruimen in geval van een calamiteit. In een ontruimingsplan zijn plattegronden opgenomen. Op de ontruimingsplattegrond staan aanduidingen (zoals vluchtwegen), die een rol kunnen spelen bij een ontruiming en er staat aangegeven waar brandblusapparatuur zich bevindt. De uitgewerkte plattegronden moeten in het bedrijf aan de wand bevestigd worden.

Een ontruimingsplan wordt inhoudelijk bepaald door:

  • de aard van het bedrijf;
  • de indeling en omvang van het bedrijf;
  • het aantal aanwezige personen;
  • opslagruimten;
  • technische voorzieningen;
  • brandmeldsystemen;
  • vluchtwegen;
  • veiligheidsinstallaties.
4.2  Gedrag van werknemers en overige aanwezigen bij een ontruiming

De BHV'er moet bekend zijn met de inhoud van het ontruimingsplan.

Schematische weergave analysemodel vluchtveiligheid (bron: 'Basis voor brandveiligheid', Instituut Fysieke Veiligheid)

Je mag er niet vanuit gaan dat werknemers en overige aanwezigen op eenzelfde manier reageren op een calamiteit als een BHV'er. Ofwel, de mate van zelfredzaamheid is niet hetzelfde!

Een gevaar wordt niet of te laat als zodanig herkend. Werknemers hebben de neiging om door te willen werken. In eerste instantie wordt ontkend wat er daadwerkelijk aan de hand is.

Op het moment dat men zich wel bewust wordt van het gevaar, is de beoordeling er van afhankelijk van diverse factoren, zoals:

  • groepsgedrag;
  • eerdere ervaring met een calamiteit;
  • beoordeling van signalen;
  • de manier waarop instructies over de ontruiming gegeven worden.

Na de bewustwording van het gevaar kan het gedrag bij de ontruiming ook beïnvloed worden door:

  • de neiging dezelfde route te nemen als wanneer er geen gevaar is;
  • de mobiliteit van mensen (handicap, conditie);
  • noodvoorzieningen die bij geen gevaar niet gebruikt mogen worden en bij gevaar als drempel worden ervaren.

Als BHV'er kun je het gedrag van de medewerkers beïnvloeden door:

  • instructie en voorlichting;
  • het regelmatig controleren van vluchtroutes en uitgangen;
  • gebruik te maken van een alarminstallatie met de mogelijkheid om gesproken aanwijzingen te geven.

Het gedrag van een kind tijdens de ontruiming

Een kind kan zich, omdat hij bang is voor vuur, gaan verstoppen bij een brand. Hierdoor kan de ontruiming langer gaan duren met alle consequenties van dien.

Het is van belang dat een kind actief betrokken wordt bij de ontruimingsoefening. Een kind moet weten wat hij moet doen bij een calamiteit. De brandweer zou kunnen helpen bij een oefening zodat de (kleine) kinderen kunnen wennen aan hoe een brandweerman er uit ziet. Het kind moet gaan beseffen dat hij niet bang hoeft te zijn voor brandweermannen (die mogelijk maskers op hebben en zuurstofflessen op de rug dragen).

Je kunt een kind laten wennen aan een ontruimingsoefening door er een spel of activiteit van te maken. Oefen het ontruimen bijvoorbeeld door met poppetjes een situatie na te bootsen. Het lopen aan het ontruimingskoord kan geoefend worden als de kinderen naar buiten gaan. Mochten kinderen angstig zijn en niet mee naar buiten willen, stel ze iets lekkers in het vooruitzicht. Er is bij een echte ontruiming geen tijd om de noodzaak van het naar buiten gaan uit te leggen.

Ontruimingskoord

Tijdelijke krachten (bijvoorbeeld stagiaires) moeten ook bij de ontruimingsoefening betrokken worden. Leg uit wat er van ze verwacht wordt.

De taken van de begeleider(s) van kinderen tijdens een ontruiming zijn:

  • Stel de kinderen gerust en blijf zelf ook rustig;
  • Sluit alle tussendeuren en/of ramen;
  • Kijk onder tafels en in kasten of kinderen -die zich daar mogelijk verstopt hebben- achtergebleven zijn;
  • Zet de kinderen twee aan twee in een rij;
  • Laat persoonlijke spullen achter, je mag geen tijd verliezen;
  • Neem de presentie-/absentielijst van de kinderen mee;
  • Gebruik de aangegeven vluchtroute en verlaat het gebouw zo snel mogelijk;
  • Neem ook ‘verdwaalde’ kinderen mee;
  • Ga naar de afgesproken verzamelplaats;
  • Controleer of alle kinderen (en ondersteunende aanwezigen) er zijn;
  • Meld eventuele bevindingen bij de BHV'er;
  • Volg zijn aanwijzingen en eventueel die van de externe hulpverleners op;
  • Laat de kinderen niet alleen naar huis gaan;
  • Laat de kinderen, pas na toestemming van de BHV'er, meegaan met de ouders.

Aanwezigen die meehelpen vallen onder de verantwoordelijkheid van de begeleider(s).

Houd rekening met de leeftijd van de kinderen (boven of onder de 2 jaar), voor wat betreft de locatie van groepen in het gebouw. Een kinderdagverblijf kan op een 1e verdieping gesitueerd zijn of meerdere bouwlagen hebben. Het evacueren via trappen levert altijd vertraging op.

Wanneer moet tot ontruiming worden overgegaan?

Het kan mensenlevens kosten als er te laat besloten wordt te ontruimen. Er moet echter niet te snel worden overgegaan tot ontruiming. De ontruiming op zich houdt immers ook bepaalde risico’s in. Het is mogelijk dat personen, bij onvoldoende begeleiding, in de gevarenzone komen en er kunnen letsels ontstaan.

De BHV’er stelt, zo mogelijk, voordat het sein tot ontruiming wordt gegeven, een onderzoek in. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek kan besloten worden tot een gedeeltelijke of algehele ontruiming.

Iedereen moet het pand zo snel mogelijk verlaten bij een ontruiming, onder achterlating van persoonlijke spullen. De BHV’er ziet er op toe dat er over deze spullen gewaakt wordt. Bij een ontruiming wegens een bommelding moet men zo veel als mogelijk de persoonlijke zaken meenemen (om te voorkomen dat deze als verdacht pakket worden aangezien).

4.3 De vluchtroutes

Het is aan te bevelen om in een gebouw, nabij de trappenhuizen, plattegronden op te hangen met de vluchtroutes. Op de plattegronden kan ook worden aangegeven waar de aanwezige blusmiddelen staan en wat de eventuele opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen zijn. De plattegronden moeten ook bij het ontruimingsplan gevoegd worden.

4.4 Ontruimingssignaal

Het ten behoeve van alarmering gegeven ontruimingssignaal moet door het gehele gebouw te horen zijn. Denk hierbij ook aan zolders, kelders, toiletten en dergelijke. Wanneer het ontruimingssignaal gegeven wordt door een elektrische installatie, dan moet deze installatie een noodstroomvoorziening hebben. Het is belangrijk dat de ontruimingssignalering regelmatig wordt getest.

Het ontruimingssignaal kan een bericht of een toonsignaal zijn:

  • Een gesproken ontruimingssignaal via de omroepinstallatie heeft als voordeel, dat hiermee ook gerichte mededelingen gegeven kunnen worden. De omroeper moet duidelijk en rustig overkomen, omdat er gemakkelijk paniek kan ontstaan bij een ontruiming. Er kan gebruik worden gemaakt van vooraf ingesproken tekst.
  • Er zijn ook mobiele app's om alarmeringsberichten door te geven.
  • Een toonsignaal moet duidelijk anders klinken dan andere gebruikte signalen (slow- whoop).

Het verdient de aanbeveling om in gebouwen met een telefooncentrale één nummer als alarmnummer te gebruiken.

4.5 Procedure na het ontruimingssignaal

De procedure, nadat het ontruimingssignaal is afgegeven, is als volgt:

  1. De BHV'ers begeven zich naar een vooraf afgesproken plaats. In de meeste gevallen is dit de receptie bij de hoofdingang.
  2. Er kan geheel of gedeeltelijk worden ontruimd. Dit is afhankelijk van de omvang van het incident en de mobiliteit van de aanwezige personen om zelfstandig naar buiten te gaan.

Bij een volledige ontruiming wordt vaak als volgt gehandeld:

  1. Fase 1: een klein deel van de etage wordt ontruimd en personen worden achter de eerste brandwerende scheiding gebracht.
  2. Fase 2: de hele verdieping wordt ontruimd: iedereen wordt naar buiten, dan wel naar de ondergelegen etage gebracht. Ook de etage boven de brand wordt ontruimd.
  3. Fase 3: het gehele gebouw/complex wordt ontruimd: eerst de etage waar de brand is ontstaan, dan de erboven gelegen etage, dan de daarboven gelegen etage en dan de etage onder de brand, een en ander afhankelijk van de mogelijkheden.
  4. Iedere medewerker en bezoeker meldt zich af op de verzamelplaats.

Ontruim door gebruik te maken van alle (veilige) vluchtwegen. Er kan vooraf bepaald worden hoeveel personen er via een vluchtroute kunnen ontkomen, zodat er geen overbelasting ontstaat.

De bedrijfshulpverleners coördineren de ontruiming, begeleiden de aanwezigen en/of houden zich bezig met de calamiteit. Ze fungeren als gids voor de externe hulpverlenende diensten.

Uit- en nooduitgangen moeten bewaakt worden om te voorkomen dat personen terug het gebouw in gaan of dat onbevoegden het gebouw betreden.

Het ontruimen van kinderen onder de 2 jaar

Bepaal vooraf wat de beste manier is om kinderen van deze leeftijd te verplaatsen. Er kunnen karretjes, evacuatie bedjes (zie foto) of evacuatieschorten gebruikt worden. Zorg voor extra dekentjes om de kinderen warm te houden. Oefen de ontruiming eventueel met poppen en let daarbij op obstakels zoals drempels.

Het ontruimen van kinderen boven de 2 jaar

  • Maak van de ontruiming of ontruimingsoefening een spel;
  • Loop met de kinderen naar buiten als in een polonaise of gebruik een ontruimingskoord;
  • Aan het ontruimingskoord kan (voor iedere groep in een andere kleur) een aantal ringen of lussen zitten gelijk aan het aantal kinderen in de groep.
  • Elk kind kan zijn eigen ring vastpakken. Er is meteen duidelijk of alle kinderen uit een groep aanwezig zijn;
  • Denk aan het warm houden van de kinderen bij slecht weer;
  • Vertel aan de kinderen dat ze niet mogen rennen en dat ze niets mogen meenemen;
  • Houd ook rekening met een eventuele evacuatie tijdens het slaapuurtje van de kinderen. Wellicht moeten de kinderen op een andere manier geëvacueerd worden.
4.6 Instructies

Instructies, die gegeven worden tijdens het ontruimen, moeten kort en eenvoudig zijn. De instructies moeten vooraf besproken worden met degenen, waarvoor ze bestemd zijn. Het is wenselijk om deze besprekingen jaarlijks te herhalen.

De overige personen, die een actieve taak hebben tijdens de ontruiming, krijgen alleen die instructies, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de eigen taak.

Personen die geen taak hebben tijdens een ontruiming, hoeven de ontruimingsprocedures alleen in eenvoudige vorm te kennen. Zij moeten in ieder geval weten:

  • hoe het ontruimingssignaal klinkt;
  • hoe een brand gemeld moet worden;
  • wat de vluchtroutes per afdeling zijn;
  • hoe er gehandeld moet worden in geval van brand;
  • dat alleen persoonlijke bezittingen (zo mogelijk) mogen worden meegenomen, die een snelle ontvluchting niet belemmeren;
  • dat ramen en deuren gesloten moeten worden;
  • dat ramen en deuren geopend moeten worden bij een bommelding of andere explosiedreiging;
  • dat machines moeten worden afgezet;
  • dat bij brand de liften niet gebruikt mogen worden;
  • waar de verzamelplaats is.
4.7 De verzamelplaats

De personen, die in het gebouw aanwezig waren, gaan na een ontruiming naar de verzamelplaats. Op de verzamelplaats kan appèl worden gehouden en kunnen mededelingen worden gedaan.

Er moeten van tevoren afspraken gemaakt worden over het gebruik van de verzamelplaats. Het kan noodzakelijk zijn om verkeersregelaars in te schakelen, als de verzamelplaats alleen te bereiken is via een drukke verkeersweg.

De verzamelplaats mag alleen verlaten worden als de BHV'er hiervoor toestemming heeft gegeven.

De verzamelplaats moet:

  • gunstig gelegen zijn in de directe omgeving van het gebouw;
  • beschikken over voldoende accommodatie;
  • beschikken over telefoon en een lijst met belangrijke telefoonnummers.
4.8 Ontruimingsoefeningen

Ontruimingsoefeningen worden gehouden om de volgende redenen:

  • de gevolgde procedures kunnen aan de hand van de opgedane ervaringen bekeken worden. De procedures kunnen waar nodig worden aangepast;
  • iedereen kan vertrouwd raken met de procedures die bij een ontruiming gevolgd moeten worden.

Het is noodzakelijk om een totale ontruimingsoefening te houden vanwege eerstgenoemde reden. Bij voorkeur eenmaal per jaar. Het is zinvol de ontruimingsoefening één à twee keer per jaar te herhalen. Dit kan alleen als de aard van het bedrijf het toelaat.

Aandachtspunten bij een ontruimingsoefening zijn:

  • de brandweer moet direct gewaarschuwd worden. Ga niet eerst op onderzoek uit;
  • ramen en deuren moeten gesloten worden. Dit moet niet gebeuren bij een bommelding;
  • liften mogen niet gebruikt worden;
  • er moet op de juiste wijze gecontroleerd worden of er geen personen achterblijven;
  • iedereen moet op de hoogte zijn van de plaats en werking van de voorzieningen die zijn aangebracht voor de ontvluchting (zoals speciale trappen en sluitingen van nooduitgangen);
  • de aanrijdplaats voor de brandweer moet vrij zijn en de brandweer moet op de juiste wijze worden ingelicht.
4.9 Na de ontruiming

Wanneer het weer veilig is het gebouw te betreden, begeleidt de BHV'er de personen terug naar binnen.

Het management kan op basis van informatie van de BHV'er extra maatregelen nemen voor slachtoffers (bijvoorbeeld slachtofferhulp).

Na een ontruiming koppelt de BHV'er de belangrijkste informatie terug aan de het management. Samen met het management wordt daarna bezien of er bijstelling nodig is van de procedures.

4.10  Voorzieningen

We kennen de volgende voorzieningen:

Alarmkaarten

Er moeten op strategische punten in het gebouw duidelijke aanwijzingen hangen wat te doen in geval van nood.

De te ondernemen acties en belangrijke telefoonnummers staan meestal op alarmkaarten. Op de alarmkaarten staan vaak pictogrammen.

Transparantverlichting

De vluchtroutes, de uitgangen en nooduitgangen worden met transparantverlichting gemarkeerd. De transparantverlichting moet altijd branden als er mensen in het gebouw zijn.

Noodverlichting

In gebouwen is noodverlichting geïnstalleerd om, in geval van stroomuitval, een redelijke oriëntatie te behouden. De noodverlichting gaat automatisch aan bij stroomuitval.

Vluchtdeuren

De deuren in een vluchtroute

worden vluchtdeuren genoemd. De vluchtdeur naar buiten is een nooduitgang.

Vluchtdeuren draaien altijd met de vluchtroute mee en zijn zelfsluitend. De nooduitgang is voorzien van een panieksluiting.

Brandweeringang en sleutelkluis

De brandweer moet, na een automatische brandmelding, zelf binnen kunnen komen als een gebouw leegstaat of niet in gebruik is. Ook ‘s nachts of in het weekeinde. De brandmeldinstallatie zal de sleutelkluis ontgrendelen, zodat de brandweer toegang heeft tot de sleutels van het gebouw.

Brandweerlift 

De liften mogen bij brand niet gebruikt worden. In sommige gebouwen zijn brandweerliften aangebracht, die in geval van brand ter beschikking staan van de brandweer. Ze hebben een aparte stroomtoevoer, zodat ze altijd gebruikt kunnen worden.

Evacuatiestoel

Er mag bij een ontruiming geen lift worden gebruikt, ook niet voor niet zelfredzame personen. Met een evacuatiestoel is het mogelijk van een trap af te dalen, zonder veel krachtsinspanning van de begeleider.

Evacuatiematras

Er kan gebruik gemaakt worden van een evacuatiematras om mindervalide personen snel via de trap te evacueren.

Voor baby’s en peuters is er een speciale uitvoering.

Evacuatieschort

Een evacuatieschort is bedoeld om, in geval van brand of een andere calamiteit, snel baby’s te kunnen evacueren. Het schort is gemaakt van brandwerend materiaal.

Er zitten 3 draagzakken met openingen voor de beentjes in het evacuatieschort. In geval van nood kunnen er dus 3 baby’s tegelijkertijd verplaatst worden.

Ontruimingskoord/-touw

Een ontruimingskoord wordt gebruikt bij een ontruiming of ontruimingsoefening. Kinderen kunnen, als ze het koord vasthouden, op een speelse manier naar een veilige plaats (buiten) begeleid worden. Het koord is tevens uitermate geschikt om te gebruiken tijdens wandelingen en/of excursies.

Rond uw e-learning nu af door de Toets Ontruiming af te ronden.

Brandbestrijding

3.1 Inleiding

De bedrijfshulpverlener levert ook een bijdrage aan de brandbestrijding.

Hij moet bekend zijn met de principes van de verbranding en van het blussen. De BHV’er moet de verschillende soorten branden kunnen onderscheiden, zodat hij goed en veilig ingezet kan worden bij brandbestrijding.

Er zijn diverse soorten blusstoffen die bij brandbestrijding gebruikt kunnen worden. De BHV’er kan gebruik maken van kleine blusmiddelen. Voorbeelden van kleine blusmiddelen zijn blusdekens, brandslanghaspels, sprayblussers, poederblussers, koolzuursneeuwblussers en schuimblussers.

De bedrijfshulpverlener:

  • kan een kleine brand beperken en bestrijden;
  • kan veiligheidsvoorzieningen gebruiken;
  • (her)kent de belangrijkste functies van de brandpreventieve maatregelen en voorzieningen;
  • kan de branddriehoek toepassen;
  • kent de ontwikkeling van een brand.

Een kleine brand beperkt zich tot het voorwerp of de plaats waar de brand is ontstaan. Het vuur is nog niet overgeslagen naar de omgeving. We spreken van een kleine brand als de vlammen kleiner zijn dan de eigen arm (ca. 70 cm).

Naast vlammen kan er ook rook te zien zijn. Rook is nog gevaarlijker dan vuur. Wanneer de rook een dunne laag vormt, ruim boven het hoofd van een volwassen persoon, dan is de brand in de meeste gevallen zonder veel risico door de BHV'er te blussen.

Blus niet zelf, sluit de deur van de ruimte waarin de brand woedt, bel of laat 112 bellen en begin met de ontruiming als:

  • de vlammen groter zijn dan de eigen arm (circa 70 cm);
  • de rook in een dikke laag vlak boven het hoofd van een volwassen persoon hangt.

3.2 Taken van de bedrijfshulpverlener bij brand

De BHV’er moet in actie komen, zodra in een bedrijf brand wordt ontdekt. Alle activiteiten met betrekking tot de brandbestrijding vallen onder zijn verantwoordelijkheid. De activiteiten zijn gericht op het voorkomen en beperken van ongevallen en schade en op het onderdrukken van brand.

De BHV’er zal, na het ontdekken van een brand, snel moeten reageren. De juiste maatregelen zullen in de juiste volgorde moeten worden uitgevoerd.

De belangrijkste taken voor de BHV’er bij brand zijn:

Alarmeren

Een brand moet altijd gemeld worden volgens de brandinstructies. De melding wordt over het algemeen gedaan conform de in het bedrijf geldende procedures of via het landelijke alarmnummer 112. De centralist zal onder andere vragen waar de brand is, wat er brandt en hoeveel personen er aanwezig zijn.

Het blussen van een kleine brand

Denk, bij het blussen van een kleine brand, steeds aan je eigen veiligheid en die van anderen. Er vallen over het algemeen meer slachtoffers door de gassen en dampen die bij een brand vrijkomen (de rook), dan door het vuur zelf.

Kun je de kleine brand niet blussen:

    • sluit dan ramen en deuren;
    • bel 112 of laat 112 bellen;
    • begin met de ontruiming.

Het verlenen van hulp aan collega’s en/of bezoekers

Wijs collega’s en/of bezoekers de veilige vluchtweg en de verzamelplaats. Zij moeten tot nader order op de verzamelplaats blijven, zodat kan worden nagegaan of er nog mensen worden vermist. Sta niet toe dat het gebouw weer betreden wordt.

Het opvangen van de brandweer

Zorg voor de opvang van de brandweer en wijs hen de weg op de terreinen en in de gebouwen. Duid de mogelijke risico's voor de hulpverleners, bijvoorbeeld de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Houd aan- en afvoerwegen vrij voor de externe hulpdiensten.

Ontruimingsmaatregelen nemen

Is er voor het bedrijf een ontruimingsplan opgesteld, dan moet bij een ontruiming gehandeld worden zoals aangegeven in dit plan.

3.3  Het verbrandingsproces

Een brand is mogelijk als de volgende drie elementen aanwezig zijn:

  • brandbare stof
  • zuurstof
  • ontbrandingstemperatuur

De drie elementen moeten aanwezig zijn bij een verbranding met vuurverschijnselen.

Een verbranding is een scheikundige reactie van een brandbare stof met zuurstof, die gepaard gaat met warmte en vlamverschijnselen.

Om de verbranding van een brandbare stof te onderhouden, moet:

  • de stof tot boven de ontbrandingstemperatuur worden verhit én
  • voldoende verbrandingslucht worden toegevoegd én
  • de stof voldoende brandbaar zijn (kunnen vergassen).

Een brand kan worden voorgesteld als een driehoek. Wordt uit de branddriehoek één van de zijden weggenomen, dan is de driehoek niet langer gesloten. De brand dooft uit.

Een brand wordt geblust door het wegnemen van één of meer van de drie factoren:

  • brandbare stof (bijvoorbeeld het dichtdraaien van de gaskraan);
  • zuurstof (de zuurstoftoevoer verhinderen: verstikken);
  • ontbrandingstemperatuur (door afkoeling: het wegnemen van warmte of verlagen van de temperatuur).

De werking van de verschillende blusstoffen is hierop gebaseerd. Afhankelijk van de situatie wordt voor een bepaalde blusmethode en een bepaalde blusstof gekozen.

De diverse stadia van brand

Zuurstof, een voldoende hoge temperatuur én een brandbare stof zijn nodig voor het ontstaan en het instandhouden van een brand. Brandbare stoffen zijn bijvoorbeeld:

  • hout, papier, textiel en kolen (vaste vorm);
  • benzine en olie (vloeibare vorm);
  • aardgas, acetyleen, butaan, propaan en LPG (gasvorm).

Er zijn ook brandbare stoffen die tijdens de brand overgaan van een vaste vorm in een vloeibare vorm. Voorbeelden zijn kaarsvet en wasproducten.

Er zijn verschillende verschijnselen zichtbaar bij verbranding: vlammen, gloedverschijnselen, smeulverschijnselen of een combinatie hiervan. De verschijnselen zijn afhankelijk van de samenstelling van de brandbare stof. Met behulp van deze verschijnselen en het moment waarop deze zich voordoen, kun je bepalen in welk stadium de brand zich bevindt:

  • Smeulstadium
    De brand komt niet tot ontwikkeling door gebrek aan zuurstof. Er komen veel brandbare gassen vrij, maar weinig warmte.
  • Vlammenstadium
    Er is voldoende zuurstof aanwezig. De brand komt snel tot ontwikkeling. Er vindt een grote warmteafgifte plaats.
  • Gloeistadium
    Er zijn geen brandbare gassen (meer) aanwezig.

Enkele begrippen met betrekking tot brand en verbranding

Hieronder tref je een aantal van de belangrijkste begrippen aan met betrekking tot brand en verbranding.

Brand is een ongewenste, zich ongehinderd uitbreidende en schade of gevaar veroorzakende verbranding.

Ontbrandingstemperatuur is de temperatuur waarbij een stof tot ontbranding overgaat.

Vlampunt is de temperatuur waarbij een vloeistof nog net voldoende damp afgeeft om vlam te kunnen vatten.

Voortgang verbrandingsproces is de wijze, waarop een brand zich ontwikkelt.

De voortgang van het verbrandingsproces is afhankelijk van de aanwezigheid van zuurstof. De brand wakkert aan door aanvoer van normale omgevingslucht. In de omgevingslucht zit 21% zuurstof. Toevoer van zuivere zuurstof (100% zuurstof) geeft een fellere en snellere verbranding. De brand gaat uit bij een zuurstofgehalte dat onder de 14% ligt. Als niet alle brandbare stof direct in contact staat met de lucht, zal het verbrandingsproces langer duren.

Explosieve verbranding is een zeer snelle verbranding met een vermenging van lucht met een gas, damp of vaste, zeer fijne stofdeeltjes. De verbranding vindt in alle richtingen plaats.

Steekvlam is een, in één richting optredende, snelle verbranding van een mengsel van lucht met een gas, damp of zeer fijne stofdeeltjes.

3.4 Brandklassen

Branden worden ingedeeld in brandklassen van A tot en met F. De brandklassen zijn:

Klasse A Vastestofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vaste vorm heeft.

Klasse B Vloeistofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vloeibare vorm heeft of deze vorm tijdens de brand aanneemt.

Klasse C Gasbranden

Branden waarbij de brandbare stof een gasvormige toestand heeft.

Klasse D Metaalbranden

Klasse F Branden met brandbare vetten, olie of bitumen

In veel gevallen is sprake van een combinatie van deze klassen. De volgende situatie is daar een voorbeeld van:

Een elektriciteitsbrand is een bijzonder soort brand.

Een elektriciteitsbrand is een brand die gevoed wordt door elektriciteit. De spanning van de spanningvoerende delen kan niet worden uitgeschakeld. Elektriciteit kan een vaste stof brand, vloeistofbrand of gasbrand veroorzaken, door kortsluiting, vonkvorming en oververhitting. In deze gevallen spreek je niet van een elektriciteitsbrand.

Er wordt gesproken van een vaste stof-, vloeistof- en/of gasbrand, in het geval elektriciteit alleen de ‘aansteker’ van de brand is.

Er is sprake van een elektriciteitsbrand als de elektriciteit niet uitgeschakeld kan worden en de brand in standhoudt.

3.5 Blusstoffen, blusmiddelen en blusregels

De blusstoffen zijn in drie groepen te verdelen:

Natte blusstoffen

  • water;
  • sproeischuim.

Droge blusstoffen:

  • droog zand;
  • blusdeken;
  • blusdeken.

Gasvormige blusstoffen:

  • De door de BHV'er te gebruiken gasvormige blusstof heet kooldioxide (CO2 , koolzuurgas of koolzuursneeuw).

Kleine blusmiddelen

Onder kleine blusmiddelen vallen draagbare blustoestellen, blusdekens en vaste slanghaspels. Deze blusmiddelen worden onderverdeeld in die met een onbeperkte en een beperkte werkingsduur. Brandslanghaspels zijn net als blusdekens kleine blusmiddelen met een onbeperkte werkingsduur. Draagbare blustoestellen daarentegen hebben, afhankelijk van de inhoud, een korte werkingsduur, vaak niet meer dan 30 seconden.

Een BHV’er kan snel met kleine blusmiddelen ingrijpen bij een kleine brand. Uitbreiding van de brand wordt voorkomen, ook als de brand niet direct kan worden geblust.

De bedieningsvoorschriften moeten in begrijpelijke taal op de kleine blusmiddelen vermeld staan. Niet-geïnstrueerde personen moeten een klein blusmiddel ook kunnen bedienen.

Draagbare blustoestellen

Een draagbaar blustoestel is bestemd voor het bestrijden van brand. Het weegt in gevulde staat ten hoogste 25 kg. Één persoon kan, op eenvoudige wijze, zonder mechanische kracht, het blustoestel in werking stellen en houden.

De vulling bestaat uit een blusstof en een middel, dat zorgt voor het uitdrijven van de blusstof uit het blustoestel.

De voordelen van een draagbaar blustoestel zijn:

  • het is door één persoon te bedienen;
  • het is gemakkelijk te bedienen;
  • het is snel in te zetten;
  • het is gemakkelijk te verplaatsen;
  • de blusstof is gemakkelijk te verspreiden.

Het nadeel van een draagbaar blustoestel is de korte werkingsduur.

Op ieder blustoestel moet het volgende vermeld staan:

  • het soort/type blustoestel, de vulling en het blusvermogen;
  • de gebruiksaanwijzing en aanduidingen (pictogrammen) van de brandklassen waarvoor het toestel geschikt is;
  • naam en adres van de leverancier of producent;
  • het Rijkskeurmerk en het productiejaar.

Algemene regels bij het blussen met een klein blusmiddel

Ga als volgt te werk:

  1. Benader de brand met een tweede persoon, bij voorkeur ook een BHV'er;
  2. Let allereerst op de eigen veiligheid;
  3. Beoordeel de situatie;
  4. Beoordeel of er sprake is van een kleine brand en of je deze zelf kunt blussen;
  5. Beoordeel of het aanwezige blusmiddel kan worden gebruikt. Is dat niet het geval, sluit de deur;
  6. Test het blusmiddel (met bijvoorbeeld een proefstoot). Bepaal je veilige afstand tot de brand, aan de hand van de worplengte (het maximumbereik) van de blusstof;
  7. Blijf laag, op een veilige afstand, waar geen rook of hitte is, maar wel goed zicht op de brand;
  8. Blus buiten altijd met de wind mee;
  9. Ga de brandhaard nooit voorbij;
  10. Blus tot de brand uit is;
  11. Doe een nacontrole.

Gasbranden alleen blussen als de gastoevoer eerst kan worden afgesloten; let op explosiegevaar!

Blus buiten met de wind mee.

Natte blusstoffen

Natte blusstoffen bestaan geheel of gedeeltelijk uit water en zijn hierdoor elektrisch geleidend. Zij zijn in principe niet geschikt voor het blussen van branden bij onder elektrische spanning staande delen. Sproeischuim kan veilig gebruikt worden tot 1000 V (door de verneveling is er een onderbroken straal).

Water

De natuurlijke tegenhanger van vuur is water. Deze vloeistof is zeer effectief voor het blussen van brand. Het is nog altijd de belangrijkste blusstof. Er zijn middelen om de blussende werking van water te vergroten.

Water heeft een groot bluseffect. Het kan veel warmte opnemen.

Er wordt geprobeerd zo min mogelijk waterschade te veroorzaken bij de brandbestrijding. De waterschade wordt beperkt door, met zo min mogelijk water, zoveel mogelijk warmte aan de brand te onttrekken. Het gebruik van een sproeistraal, in plaats van een dikke volle waterstraal, maakt dat het water makkelijker verdampt. De stoom die hierbij ontstaat kan brandwonden veroorzaken.

De voordelen van water als blusmiddel zijn:

  • water heeft een groot koelend vermogen;
  • water is meestal in voldoende mate aanwezig of op eenvoudige wijze te verkrijgen;
  • water is gemakkelijk te transporteren;
  • water is in verschillende gebruiksvormen toepasbaar;
  • water is geschikt voor vele soorten branden;
  • water is niet giftig voor degene die blust (pas wel op voor legionellabesmetting);
  • water is goedkoop.

De nadelen van water als blusmiddel zijn:

  • water is elektrisch geleidend;
  • water is minder geschikt voor het bestrijden van vloeistofbranden;
  • water is vorstgevoelig;
  • water is gevaarlijk bij het blussen van metaalbranden;
  • water kan veel nevenschade veroorzaken.

Brandslanghaspel

Een brandslanghaspel is een ‘uit te lopen’ slang, die op een haspel gerold is. Het water stroomt onder druk uit de slangleiding. Er kan richting en vorm worden gegeven aan het water met behulp van de afsluitbare straalpijp. De slanglengte (meestal 20 à 30 meter) wordt bepaald door de indeling van het gebouw. De worplengte (het maximumbereik) bedraagt 5 meter.

Blussen met de brandslanghaspel

Ga als volgt te werk:

  1. Rol de slang circa 2 meter af en draai de hoofdafsluiter geheel open;
  2. Open de straalpijp en controleer een paar seconden of er druk op de slang staat en er water uitkomt;
  3. Leg de straalpijp op de grond in de richting van de brand;
  4. Rol de slang af in lussen;
  5. Leg deze plat op de grond en zorg dat de slang plat blijft liggen;
  6. Houd de slang met de ene hand en de straalpijp met de andere hand vast;
  7. Benader de brand met een gebonden sproeistraal (begin vanaf circa 10 meter);
  8. Blijf laag, op gepaste afstand en richt de sproeistraal op de onderkant van de vlammen;
  9. Als de vlammen gedoofd zijn, blus na met een bredere sproeistraal;
  10. Kijk links en rechts in de brandhaard om te zien of de brand uit is;
  11. Voer een nacontrole uit (let op knetteren, vlammen en rook);
  12. Draai de straalpijp dicht;
  13. Leg de straalpijp onder de haspel en de slang in lussen richting de haspel;
  14. Wind de slang netjes op, waarbij de windingen naast elkaar liggen. De slanghaspel is nu klaar voor een volgend gebruik;
  15. Draai de hoofdafsluiter dicht;
  16. Open de straalpijp voor je de laatste 2 meter slang oprolt en laat de druk eraf gaan;
  17. Sluit de straalpijp en hang deze op zijn plaats.

Sproeischuim

De meeste brandbare vloeistoffen kunnen niet, of slechts zeer moeilijk met water worden geblust. Het bluswater is zwaarder dan de brandbare vloeistof. De brandbare vloeistof zal blijven drijven en het water zinkt weg. De meeste brandbare vloeistoffen mengen niet met water. Je moet een blusstof gebruiken die lichter is dan de brandbare vloeistof.

De bluswerking van schuim berust op afdekking. De zuurstof uit de omgevingslucht kan niet bij de brand komen, omdat een laag schuim op de brandende stof is aangebracht. Brandbare gassen of dampen die vrijkomen, zullen niet door de aangebrachte schuimlaag kunnen ontsnappen. De brand moet met een deken van schuim worden afgedekt om een goede bluswerking te verkrijgen.

Sproeischuimblusser

De inhoud van de sproeischuimblusser bestaat grotendeels uit water met een paar procent schuimvormende vloeistof. De schuimvormende vloeistof is in veel gevallen biologisch afbreekbaar; sommige bevatten echter ook fluorverbindingen (PFAS), die milieugevaarlijk en giftig zijn.

De sproeischuimblusser is voorzien van een sproeischuimstraalpijp. De straalpijp produceert een schuimnevel van zeer fijne druppeltjes. Een voordeel van deze nevel is, dat er zonder gevaar branden kunnen worden geblust van onder spanning staande apparatuur.

De blussende werking op vaste stoffen berust op een groot afkoelend vermogen.

Bij een vloeistofbrand wordt door filmvorming het oppervlak afgedekt. De toevoer van zuurstof naar de brandhaard wordt verhinderd en het verdampen van de brandbare vloeistof wordt beperkt.

Blussen met een sproeischuimblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer. Verwijder daarna de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het straalpijpje in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 5 meter;
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Verdeel bij een vastestoffenbrand het sproeischuim over het object en blus vanaf diverse zijden maar loop er nooit voorbij;
  7. Bij een vloeistoffenbrand laat je het sproeischuim rustig over het object verspreiden totdat er een schuimlaag ontstaat;
  8. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  9. Bekijk van alle kanten of de brand geblust is maar loop er nooit voorbij;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.

Vetbrandblusser

De vetbrandblusser is goedgekeurd voor brandklasse A, B en F. De vetbrandblusser bevat een speciale blusstof (‘wet chemical’ of ‘chemisch blusschuim’ genaamd), die is bedoeld om een brandende frituurbak af te dekken en adequaat te blussen.

Het chemisch blusschuim heeft een emulgerende eigenschap. Er wordt een afsluitende laag gevormd op de brandende vloeistof. Het blusschuim heeft een sterk koelende werking. De temperatuur van de vloeistof daalt snel en komt onder de zelfontbrandingstemperatuur.

Droge blusstoffen

Droge blusstoffen bevatten geen water. Ze zijn niet elektrisch geleidend. Blijf bij een hoge elektrische spanning, toch altijd voorzichtig.

Blusdeken

Blusdekens worden gemaakt van een niet, of zeer slecht brandbaar materiaal. Het materiaal kan glaswol zijn, maar ook

linnen met een brandwerende coating. Blusdekens kunnen verschillen van formaat en qua uitvoering.

De blussende werking van een blusdeken berust op afdekking (het afdichten van de brand voor zuurstof).

Kleine branden kunnen geblust worden door er snel een blusdeken overheen te leggen.

Een blusdeken kan ook gebruikt worden om een slachtoffer te bedekken.

Bluspoeders

Bluspoeders bestaan voornamelijk uit zouten. Het is zeer effectief als het door middel van drijfgas verstoven wordt.

Er ontstaat een poederwolk door het verstuiven, die als het ware gedragen wordt door het drijfgas.

Bluspoeders werken als een negatieve katalysator en hebben een vlam afbrekende werking. Dit betekent dat bluspoeders de verbrandingsreactie vertragen. In de brand gespoten bluspoeder vertraagt de verbrandingsreactie zodanig snel, dat de brand vaak snel beëindigd wordt.

Het klonteren van het bluspoeder in de blusser moet worden voorkomen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen ABC- en BC-poeder. ABC-poeder (‘gloedpoeder’) wordt het meest gebruikt en is geschikt voor het blussen van branden van zowel klasse A, B als C. BC-poeder is alleen geschikt voor het blussen van klasse B- en C-branden.

D-poeder is geschikt voor metaalbranden. Zuurstoftoetreding wordt voorkomen, doordat het poeder een korst over het metaal vormt.

Gebruik van bluspoeder in een afgesloten ruimte kan veel nevenschade veroorzaken (zout is corrosief) en bluspoeder kan overal indringen. Elektronische apparatuur wordt onbruikbaar en mechanische delen (zoals lagers) kunnen vastlopen. Bovendien ontneemt bluspoeder het zicht. Er kan daardoor bij andere aanwezigen in de afgesloten ruimte paniek ontstaan.

De koelende werking van bluspoeder is verwaarloosbaar. Bij vloeistofbranden met een langere brandduur kan herontsteking ontstaan.

De voordelen van bluspoeder zijn:

  • het is zeer geschikt voor het blussen van vloeistof- en vloeistofcombinatiebranden;
  • het is niet elektrisch geleidend;
  • het is niet vorstgevoelig;
  • het kan zowel in de openlucht, als in een besloten ruimte waar personen aanwezig zijn, worden gebruikt.

De nadelen van bluspoeder zijn:

  • het is minder geschikt voor ruimtes waarin zich gevoelige apparaten bevinden;
  • het heeft geen koelend vermogen (herontsteking!);
  • het is minder geschikt voor brandende metalen;
  • het veroorzaakt in besloten ruimten veel nevenschade.

Poederblusser

De poederblusser is een (hand)brandblustoestel met groot blusvermogen, waarin droogpoeder als blusstof wordt gebruikt. Het uitdrijvende gas in kleinere toestellen is kooldioxide, in grotere blustoestellen of blusinstallaties stikstof. Stikstof bevriest bij een extreem lagere temperatuur dan kooldioxide.

Gebruik de juiste poedersoort (ABC-, BC- of D-poeder), afhankelijk van de te beveiligen ruimte en/of materialen.

Grotere poederblussers kunnen zijn voorzien van een hogedrukpatroon. Hierin is het (uit)drijfgas samengeperst. Het bluspoeder staat niet permanent onder druk. Het afsluitplaatje wordt geperforeerd bij het indrukken van de knijpkraan. Het bluspoeder stroomt met kracht naar buiten.

In kleine poederblussers (zoals autoblussers) zit het (uit)drijfgas niet in een aparte hogedrukpatroon. Het bluspoeder in het toestel staat onder een permanente druk. De maximale spuitduur van kleine poederblussers is 6 tot 8 seconden. Deze toestellen zijn voorzien van een drukmeter.

Blussen met een poederblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen.
  2. Neem de handgreep of draagbeugel in de ene hand en het straalpijpje of slang in de andere hand en geef een proefstoot.
  3. Benader de brand laat tot op ongeveer 5 tot 7 meter.
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in.
  5. De brand wordt geblust door de wolk van blusstof. Hoe groter de wolk, hoe groter het effect.
  6. Blus van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen.
  7. Bij een vaste stoffenbrand geef je een stoot poeder, wacht tot de wolk weg is en geef net zolang een stoot totdat je geen vlammen en gloed meer ziet. Houd er rekening mee dat je door de wolk geen vlammen of gloed kunt zien.
  8. Bij een vloeistoffenbrand blijf je ononderbroken blussen tot je geen vlammen meer ziet.
  9. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter.
  10. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij.
  11. Het grootste gevaar bij blussen met poeder is de kans op herontsteking.
  12. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat.
  13. Voer een nacontrole uit.
  14. Loop achteruit weg van het object.

Gasvormige blusstoffen

Gasvormige blusstoffen bevatten net als droge blusstoffen geen water. Gasvormige blusstoffen zijn ook niet elektrisch geleidend.

Koolzuursneeuw

De bluswerking van koolzuursneeuw berust op de verdringing van zuurstof. De sneeuw ontstaat door koolzuurgas (kooldioxide, CO2) uit een drukfles snel te laten uitzetten. Aan de uitstroomopening van de drukfles is een zogeheten ‘expansiekoker’ (een taps toelopende koker van isolerend materiaal) bevestigd.

Een klein deel van het uitstromend koolzuurgas gaat bij het uitstromen in sneeuw over. Het overige deel van het koolzuurgas stroomt in gasvormige toestand uit. Het uitstromende gas neemt de sneeuw mee. Er ontstaat een gas/sneeuwwolk die de brandende stof omhult. Hierdoor is er gevaar voor zuurstoftekort wanneer koolzuursneeuw gebruikt wordt in kleine, besloten ruimtes.

Koolzuursneeuwblusser

De koolzuursneeuwblusser wordt ook wel koolzuur(gas)blusser of CO2-blusser genoemd. Het is een alternatief voor een poederblusser of water, als die veel schade zouden opleveren of een gevaar voor de gebruiker. De werkingsduur is kort, de worplengte minder dan 2 meter.

De fles is gevuld met kooldioxide die zó sterk is samengeperst, dat het een vloeistof is geworden.

Er is geen uitdrijfgas nodig om de kooldioxide uit de fles te laten stromen. De ‘eigen’ druk (60 bar) is zo hoog dat het uitstromen spontaan plaatsvindt wanneer men de handgreep inknijpt.

Let er op dat de expansiekoker koud wordt tijdens het blussen. De koker kan tot -80 °C afkoelen.

Blussen met de koolzuursneeuwblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het handvat van de koker (niet de koker zelf i.v.m. bevriezingsgevaar!) in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 1 meter;
  4. Richt de bluskoker op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Zorg ervoor dat de CO2 de gehele brandhaard bedekt;
  7. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  8. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij;
  9. Let op herontbranding;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.
Toepassing van de verschillende blusstoffen

*Klasse C: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer.

**Klasse F: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer en uitzetten van de ventilatie. Daarna kun je de deksel op de pan schuiven, zodat de zuurstof opraakt.

***Elektriciteitsbrand: Voor het blussen van een brand van een batterij in mobiele telefoons, tablets, laptops, elektrische fietsen, scootmobiels of elektrische auto's werken deze blusstoffen niet goed.

Voor de brandweer: droge blusleiding

Een droge blusleiding is een pijpleiding in of aan een gebouw, die door de brandweer wordt gebruikt om bluswater naar de verdiepingen te leiden.

Het gebruik van een droge blusleiding bij brandbestrijding heeft de volgende voordelen:

  • er kan sneller worden opgetreden;
  • het brandweerpersoneel raakt minder snel vermoeid;
  • het trappenhuis wordt niet belemmerd door brandslangen.
3.7  Gevaren bij brandbestrijding en hulpverlening

De hulp van een BHV’er kan worden ingeroepen bij calamiteiten zoals brand, dreigende explosies en instortingen of wanneer een persoon bekneld of ingesloten zit.

Om de hulp op een veilige manier te kunnen verlenen, moet je als BHV'er weten met welke gevarenkenmerken je te maken hebt:

  • Menskenmerken (hoe kunnen aanwezigen veilig het gebouw verlaten);
  • Gebouwkenmerken (op welke manier zijn onderdelen van het gebouw bestand tegen brand);
  • Brandkenmerken (hoe verloopt een brand);
  • Interventiekenmerken (hoe snel moet je ter plaatse zijn, wat kun je doen als hulpverlener);
  • Omgevingskenmerken (welke invloed heeft de omgeving op de brandveiligheid).

Denk altijd eerst aan je eigen veiligheid! Er zijn veel gevaren waaraan je kunt worden blootgesteld. Deze gevaren mogen je er echter niet van weerhouden om je taak uit te voeren. Het is van groot belang dat je op de hoogte van de gevaren bent, zodat je de juiste maatregelen kunt nemen.

In deze paragraaf worden gevaren behandeld waarmee je bij de brandbestrijding en hulpverlening geconfronteerd kunt worden. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de deurprocedure, rook en koolmonoxide, explosiegevaar, gevaren door elektriciteit en gevaarlijke stoffen.

Deurprocedure

Een BHV'er neemt altijd een draagbaar blustoestel mee als hij naar de plaats van het incident gaat. Wanneer de vermoedelijke brand zich achter een deur bevindt, plaatst de BHV'er dit blusmiddel binnen handbereik.

Bij het vermoeden van een brand in een ruimte achter een gesloten deur mag de deur niet zomaar geopend worden. Probeer eerst te weten te komen welke situatie je zou kunnen aantreffen. Ga na of er zich nog personen achter de gesloten deur bevinden.

Een warm deuroppervlak geeft aan dat de temperatuur aan de andere kant hoog is. Controleer met de rug van je handen langs de randen van de deur en voel of het warm aanvoelt. Bewaar enige afstand tot de deur in verband met de eventuele warmte. Wanneer je warmte voelt, ga er dan van uit dat er brand woedt achter de gesloten deur.

De deur kan voorzichtig (er kan een steekvlam ontstaan) iets geopend worden als je bij de controle geen warmte aan de deur hebt gevoeld.

Open de deur als volgt verder:

Afdraaiende deur (de deur draait van je af als de scharnieren niet zichtbaar zijn):

  • kniel voor muur, op arm-afstand van de klink;
  • wend je gezicht af van de deuropening;
  • open de deur een klein stukje maar houd de klink vast. Wacht enige seconden.

Toedraaiende deur (de deur draait naar je toe als de scharnieren zichtbaar zijn):

Wanneer er vlammen of rook boven de deur uitkomen sluit je de deur en sla je alarm. Ga na of er iemand in de ruimte aanwezig is door te roepen. Is er een reactie, vraag dan of de persoon naar je toe kan komen en evacueer hem als dat veilig kan. Ga niet zelf naar binnen en denk voortdurend aan je eigen veiligheid. Kan er geen evacuatie plaatsvinden, meld dan aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn. Geef ook door in welke ruimte ze zich bevinden. Blijf zo lang als dat veilig is communiceren met het slachtoffer. Laat ondertussen de andere BHV’ers verder gaan met de ontruimingsprocedure.

De BHV’er moet daarna als volgt handelen om uitbreiding van de brand te voorkomen:

  • laat de deur gesloten;
  • waarschuw de omgeving;
  • alarmeer;
  • ga verder met ontruimen.

Is er geen sprake van rook, hitte of vlammen boven de deur, open de deur voorzichtig iets verder om in de ruimte te kunnen kijken. Is er alsnog sprake van veel rook, hitte of vlammen: sluit de deur. Ook nu ga je na of er zich iemand in de ruimte bevindt en of hij geëvacueerd kan worden. Kan er geen evacuatie plaats vinden, meld aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn en in welke ruimte ze zich bevinden.

Is er in de ruimte geen sprake van veel rook, hitte of vlammen, dan kun je naar binnen gaan.

Zorg voor een veilige terugtocht. Controleer vóór het naar binnen gaan altijd of er een binnenklink aan de deur zit! Je kunt een bluspoging doen, als er sprake is van een kleine brand. Rookverspreiding moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Wanneer er te veel hitte, te veel rook of te weinig zicht is of ontstaat: ga uit de ruimte en sluit de deur!

Rook en koolmonoxide

Rook ontstaat bij brand door een onvolledige verbranding. Rook kan het zicht ontnemen en kan een aantal stoffen bevatten die zeer gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Één van de meest gevaarlijke stoffen is koolmonoxide (CO), dat kleurloos, reukloos en smaakloos is.

Koolmonoxide kan al bij zeer kleine hoeveelheden leiden tot bewusteloosheid of erger.

De meeste letsels bij brand worden veroorzaakt door de rook. Hoe donkerder de rook, hoe giftiger.

Explosiegevaar

Een explosie kan veroorzaakt worden door gassen, dampen, brandgevaarlijke vloeistoffen, gasflessen, drukvaten, flessen met koolzuurhoudende dranken, acetyleenflessen, spuitbussen en gaspatronen.

Vermijd elk gebruik van open vuur en vonk veroorzakende voorwerpen bij een vermoeden van een explosief gas-/luchtmengsel in de omgeving. Lichtschakelaars kunnen vonken veroorzaken, ook al zie je de vonken door de afscherming niet.

Waarschuw altijd de brandweer bij een vermoeden van een lekkage van gassen of dampen.

Gevaren door elektriciteit

Elektriciteit laat zich makkelijk verplaatsen. Elektriciteit kan op bijna elke gewenste plaats beschikbaar zijn met behulp van een verlengsnoer en verdeelstekkers. Houd rekening met de volgende gevaren:

  • snoeren en kabels kunnen overal liggen;
  • de isolatiemantel van snoeren en kabels kan beschadigd zijn door brand, explosie of instorting;
  • het beschermende huis van elektrische apparatuur kan defect raken, waardoor spanningvoerende delen bloot komen te liggen. Aanraking ervan betekent direct levensgevaar!

Spanning (zowel laag- als hoogspanning) is levensgevaarlijk.

Let op bij het blussen met water. Water geleidt elektriciteit. Blus je met een gebonden straal, dan kan deze straal dienen als geleider. Haal altijd de elektrische spanning weg voordat je gaat blussen.

Ruimten waarin zich hoogspanning bevindt zijn in de regel voorzien van een hoogspanningsbord. Een voorbeeld van het bord:

Een zwart/geel gestreept bord geeft aan dat er in de betreffende ruimte niet met water mag worden geblust. Hiervoor kunnen twee redenen zijn:

  • er bevindt zich hoogspanning in de ruimte;
  • de aanwezige apparatuur is niet tegen water bestand.

Het advies luidt: ‘Handen af van onder spanning staande apparatuur of geleiders!’

Gevaarlijke stoffen

De BHV’er kan te maken krijgen met gevaarlijke stoffen tijdens de bestrijding van een calamiteit. Na ongevallen of onregelmatigheden bij het transport of de opslag moeten snel doeltreffende maatregelen genomen worden.

Er gelden voorschriften voor het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het is van belang dat de aard van de gevaarlijke stof direct kan worden vastgesteld. Het is verplicht dat bepaalde etiketten en borden altijd zichtbaar zijn. De BHV’er kan een betere inschatting van de gevaren maken en adequaat handelen.

Verpakking

De GHS-richtlijn schrijft voor dat op het etiket van een gevaarlijke stof de volgende informatie moet staan:

  • de naam van het product;
  • de gevarenpictogrammen;
  • de gegevens van de leverancier of importeur;
  • de H(azard)-en P(revention)-zinnen.

De H- of gevarenzinnen geven aan welke gevaren of risico’s een stof/product met zich mee brengt.

De P-zinnen of veiligheidsaanbevelingen geven aan welke preventie- en veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen om risico’s bij het werken met het product te voorkomen.

3.7      Brandpreventie bij een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang (BSO)

In het pand moeten (middels een Plan van Aanpak als onderdeel van de Risico- Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E)) preventieve maatregelen genomen worden om brand te voorkomen. Enkele voorbeelden:

  • Prullen- of vergaarbakken moeten bij voorkeur van metaal zijn en voorzien van een zelfdovend deksel;
  • Elektrische apparatuur moet periodiek onderhouden worden;
  • Materialen die niet behoren tot de centrale verwarmingsinstallatie mogen niet opgeslagen worden in en om de ruimte waar de installatie staat;
  • Er mogen geen goederen opgeslagen worden onder trappen, in gangen en in het trappenhuis;
  • Brandgevaarlijke stoffen moeten volgens de daarvoor geldende regels worden opgeslagen;
  • Gebruik alleen goedgekeurde stekkers of stopcontacten voor elektrische aansluitingen;
  • Er moeten bliksemafleiders geplaatst worden op hoge gebouwen;
  • Er moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden bij het verrichten van brandgevaarlijke reparaties en handelingen;
  • De compartimentering van het gebouw moet intact gehouden worden. Houd daarom de branddeuren gesloten;

  • Er moet een brandmeldinstallatie (BMI) aanwezig zijn. Een automatische brandmelder kan de melding automatisch doorsturen aan de alarmcentrale. Als er voldoende personen aanwezig zijn om zelf voor de ontruiming te zorgen, kan de melding vertraagd worden. Meldingen van handbrandmelders mogen nooit worden vertraagd;
  • Het magazijn moet altijd vrij toegankelijk of te verlaten zijn en er mag in deze ruimte niet gerookt worden;
  • Nooduitgangen moeten vrijgehouden worden. Ze mogen niet geblokkeerd worden door speelgoed, wandelwagens e.d.

Een kind is van nature nieuwsgierig en wil de wereld om zich heen ontdekken. Probeer te voorkomen dat een kind hierbij letsel oploopt. Scherm gevaarlijke voorwerpen af of vervang ze. Vervang bijvoorbeeld CO2 - of poederblussers door schuimblussers, omdat deze minder gevaar opleveren voor een kind.

Maatregelen om de kans op brand en daarbij behorend letsel zoveel mogelijk te beperken zijn:

  • Leer de kinderen wat ze moeten doen als de rook of vuur zien of als de brandmelder afgaat;
  • Zie toe op brandveilig gedrag en spreek kinderen aan op onveilig gedrag;
  • Organiseer een ‘brandveiligheidsbijeenkomst’ voor de kinderen en de ouders;
  • Vraag ouders onveilige situaties te melden.

3.8 Preventieve maatregelen om brand te voorkomen tijdens festiviteiten op het kinderdagverblijf of de buitenschoolse opvang (BSO)

De dagelijkse gang van zaken op het kinderdagverblijf of de BSO kan afwijken van de normale. Denk hierbij aan het vieren van feest(dagen), het geven van een voorstelling, het houden van een sportdag of projectweek. Daarbij kunnen zich onverwachte situaties voordoen die brandgevaar opleveren.

De volgende materialen of situaties kunnen brandgevaar met zich meebrengen:

  • Er wordt vuurwerk (zoals sterretjes) afgestoken waarvan gedacht wordt dat het ongevaarlijk is;
  • Er worden bij wijze van grap rollen toiletpapier uitgerold;
  • Er wordt brandgevaarlijke versiering aangebracht op wand en plafond zoals tekeningen, slingers en werkjes;
  • Er worden kaarsen en waxinelichtjes aangestoken;
  • Er worden grote lappen papier, plastic en/of doeken opgehangen als decor;
  • De vluchtdeuren worden afgesloten om te voorkomen dat ongenode gasten het gebouw binnenkomen anders dan door de voordeur.

 

Het is aan te bevelen om bij de aanschaf van (feest)verlichting te kijken of deze voorzien is van een KEMA-keurmerk of CE-markering.

In de dagen rond de jaarwisseling moet er extra gesurveilleerd worden, omdat jongeren in deze tijd bezig zijn met (het afsteken van) vuurwerk.

Er is een handige online tool beschikbaar op www.risico-monitor.nl om de risico’s op een kinderdagverblijf of BSO in kaart te brengen. Op deze website zijn tevens regels en aanbevelingen terug te vinden met betrekking tot feestvieren en brandveiligheid.

Enkele aanbevelingen zijn:

  • Houd kleine kinderen uit de buurt van kaarsen en waxinelichtjes;
  • Gebruik een aansteker met kinderbeveiliging;
  • Houd lucifers en aanstekers buiten het bereik van kinderen. Ze vinden het leuk om hiermee ‘te spelen’.

Om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk dient u eerst de TOETS Brandbestrijding af te ronden

Eerste Hulp

COVID-19 richtlijn

Versie 9 oktober 2020. Het is op dit moment voor de meldkamer ambulancezorg niet meer mogelijk om door middel van uitvragen een goede afweging te kunnen maken of het slachtoffer besmettelijk is door het coronavirus. Daarom is ter bescherming van BHV'ers, burgerhulpverleners en ambulancezorgverleners besloten alle slachtoffers te reanimeren volgens de COVID-19 richtlijn.

Voor de reanimatie  van volwassenen betekent dit onder andere:

  • beoordeel de ademhaling door alleen naar de borstkas te kijken, open de luchtweg niet;
  • bedek losjes de mond en neus met een doek of shawl en geef GEEN beademingen, WEL borstcompressies;
  • sluit de AED aan zo gauw deze beschikbaar is.

Beperk in alle gevallen het aantal hulpverleners dat zich met de daadwerkelijke reanimatie bezighoudt tot maximaal twee

Reanimatie bij een slachtoffer met bewezen of veronderstelde COVID-19 besmetting: gebruik de AED, maar geef geen borstcompressies noch beademing.

Na de reanimatie: alle hulpverleners (die direct bij de reanimatie betrokken waren) moeten de handen en polsen desinfecteren.

Reanimatie bij kinderen tot de puberteit: de reanimatie bij kinderen is onveranderd.

2.1 Eerste Hulp

Eerste Hulp beschrijft de basisvaardigheden waarover een bedrijfshulpverlener (BHV'er) moet beschikken om een persoon te helpen die een (plotselinge) stoornis in zijn gezondheidstoestand heeft. De stoornis kan een gevolg zijn van een ongeval of van een ziekte. De persoon met een stoornis noemen we vanaf nu slachtoffer. We spreken voor het leesgemak over het slachtoffer of de hulpverlener als hij of hem.

De hulpverlener moet zich regelmatig laten bijscholen. Hij verstrekt geen medicijnen, behalve paracetamol.

Het bellen van 112 kun je het beste aan een tweede hulpverlener of een omstander vragen, zodat je zelf verder kunt met de hulpverlening. Bel je zelf, zet dan je telefoon op de luidsprekerfunctie.

Er zijn belangrijke zaken bij letsel of een ongeval die de hulpverlener in acht moet nemen. Het allerbelangrijkste is om geen tijd te verliezen. Het leven van het slachtoffer kan door allerhande oorzaken op het spel staan. Bij deze constatering is het van belang meteen 112 te bellen en te bepalen of je moet reanimeren. Pas daarna kijk je of er andere levensbedreigende letsels of ziekten zijn.

De eerste vijf acties op een rij:

  1. Houd afstand als er gevaar is voor jezelf.
  2. Als er geen gevaar is voor jezelf beoordeel je of er gevaar is voor het slachtoffer.
  3. Controleer het bewustzijn van het slachtoffer.
  4. Controleer de ademhaling van het slachtoffer.
  5. Ga na of er sprake is van levensbedreigende stoornissen.

Houd rekening met de regels met betrekking tot de houding van het slachtoffer. Zorg voor voldoende beschutting tegen de kou, regen, wind en warmte. Gebruik bijvoorbeeld een isolatiedeken of verplaats het slachtoffer, als dat mogelijk is, naar een beschutte plaats.

Omstandigheden kunnen wijzigen: blijf de situatie op gevaar controleren.

Benader een slachtoffer met respect en stel hem gerust.

2.2 Verkrijgen van inzicht voordat je eerste hulp verleent

Het verkrijgen van inzicht in de situatie is belangrijk om Eerste Hulp aan een slachtoffer te kunnen verlenen. De vijf acties:

  1. Houd afstand als er gevaar is voor jezelf

De hulpverlener moet eerst veiligheidsmaatregelen nemen voor zichzelf, daarna voor omstanders en het slachtoffer. Is er gevaar voor jezelf: blijf op afstand en bel 112.

  1. Beoordeel of er gevaar is voor het slachtoffer. Kun je het gevaar niet wegnemen bij het slachtoffer neem dan het slachtoffer weg bij het gevaar (wanneer dat veilig kan).

Als er sprake is van een ernstig ongeval met mogelijk wervelletsel mag het slachtoffer niet bewegen. Bel 112 en pas de regels met betrekking tot wervelletsel toe.

Het kan noodzakelijk zijn dat eerst hevige, actieve bloedingen moeten worden behandeld. Bel in dat geval 112 en stelp de bloeding.

Draai een op zijn rug liggend slachtoffer snel op zijn zij als hij moet braken, of als hij veel bloed in zijn mond heeft. Ga op je knieën tegen het bovenlichaam van het slachtoffer zitten. Pak hem aan de schouder en heup van de andere zijde vast. Trek hem in één keer naar je toe. Het slachtoffer komt op zijn zij tegen je aan te liggen. Breng het hoofd iets achterover en maak de mondholte leeg.

  1. Controleer het bewustzijn van het slachtoffer

Beoordeel het bewustzijn als volgt:

  • Benader het slachtoffer aan de kant van het gezicht en spreek hem luid en duidelijk aan. Zorg ervoor dat je gezicht zich in het blikveld van het slachtoffer bevindt. Dit werkt geruststellend mocht het slachtoffer de ogen openen.
  • Je legt je handen op de schouders van het slachtoffer en drukt er voorzichtig tegenaan. Zorg ervoor dat zijn hoofd niet beweegt en vertel wat je gaat doen. Reageert het slachtoffer helder, dan is hij bij kennis.

Als het slachtoffer niet reageert op aanspreken en schudden laat je een omstander 112 bellen en een AED halen. Ben je alleen, dan bel je 112 zelf. Haal de AED na het beoordelen van de ademhaling. Zet de telefoon op de luidsprekerfunctie.

Draai het slachtoffer op zijn rug als hij daar niet op ligt.

Draaien van buik naar rug

  1. Kniel naast het slachtoffer aan de gezichtszijde;
  2. Leg de benen tegen elkaar aan;
  3. Schuif de arm van het slachtoffer, die zich het dichtst bij je bevindt, over de grond tot de arm langs het lichaam naar beneden ligt;
  4. Breng de arm van het slachtoffer, die het verst van je af ligt, omhoog totdat de onderarm tegen het achterhoofd van het slachtoffer ligt;
  5. Til met beide handen de dichtstbijzijnde schouder van het slachtoffer omhoog;
  6. Duw het slachtoffer op zijn zij;
  7. Leg één van je handen op het achterhoofd van het slachtoffer;
  8. Duw met de andere hand tegen zijn schouder tot hij op zijn rug ligt;
  9. Als het slachtoffer op zijn rug ligt kun je de ademhalingscontrole uitvoeren.

Controleer de ademhaling van het slachtoffer

Is het slachtoffer bewusteloos, dan heb je inmiddels 112 gebeld of laten bellen. Het slachtoffer is op zijn rug gedraaid, behalve als hij moet braken of bij hevig bloedverlies in zijn mond.

Open de luchtweg middels de hoofdkantel-kinliftmethode (kinlift) om daarna de ademhaling te beoordelen. Er kan nu worden vastgesteld of het bewusteloze slachtoffer ademhalingsbewegingen en een vrije luchtstroom uit mond en neus heeft.

De hoofdkantel-kinliftmethode gaat als volgt:

  1. Plaats je hand op het voorhoofd van het slachtoffer;
  2. Duw het hoofd voorzichtig iets achterover;
  3. Plaats wijs- en middelvinger van je andere hand onder de punt van de kin van het slachtoffer;
  4. Til de kin op om de luchtweg vrij te maken.

De ademhaling beoordeel je als volgt:

  1. Kijk in de richting van de borst en de buik en kijk of de borstkas en de buik op en neer gaan (ademhalingsbewegingen);
  2. Luister boven mond en neus (ademhalingsgeluiden). Luister naar rochelende, gierende en/of snurkende geluiden;
  3. Voel met de wang en luister met het oor boven de mond en de neus van het slachtoffer of er een luchtstroom bestaat in overeenstemming met de ademhalingsbewegingen (luchtverplaatsing).

Het kijken, luisteren en voelen mag niet meer dan 10 seconden duren. In die tijd moet je 2 tot 3 ademhalingen zien, horen of voelen.

Is er sprake van geen of abnormale ademhaling: begin met reanimeren.

Is de ademhaling normaal: leg voor het vrijhouden van de luchtweg het slachtoffer in de stabiele zijligging.

Is het slachtoffer bij bewustzijn en is er sprake van hevige benauwdheid, bel 112. Richt je op het vrijmaken en vrijhouden van de luchtweg.

Raakt het slachtoffer alsnog bewusteloos, start met reanimeren.

  1. Ga na of er sprake is van levensbedreigende stoornissen

Richt je nu op mogelijk levensbedreigende letsels of ziekten met gevolgen voor de ademhaling, de circulatie of het bewustzijn.

2.3 Inroepen van professionele hulp

Laat, als de situatie dat vereist, een tweede hulpverlener of een omstander hulp vragen (via het interne meldsysteem of rechtstreeks), zodat je zelf bij het slachtoffer kunt blijven. Vraag hem om daarna meteen terug te komen.

AIs er geen tweede hulpverlener of omstander is gebruik je jouw mobiele telefoon om zelf te bellen. Zorg dat de belangrijkste telefoonnummers in je contacten staan, zodat je snel kunt bellen.

112 is de centrale meldkamer voor het aanvragen van een ambulance, politie of brandweer bij direct levensbedreigende situaties, ernstige ongevallen of ziekten in bedrijven of in de openbare ruimte. Bel 112 bijvoorbeeld in geval van:

  • bewusteloosheid;
  • hevige benauwdheid;
  • hevige hoofdpijn na een ongeval;
  • ernstige verwondingen;
  • pijn op de borst, hartklachten;
  • hevig bloedverlies;
  • shock;
  • een beroerte;
  • een epileptische aanval;
  • ernstige brandwonden;
  • (been)breuken, open breuken, ontwrichtingen;
  • (mogelijk) wervelletsel als gevolg van een ongeval.

In andere gevallen kan zo nodig de huisarts(enpost) gebeld worden.

Laat tijdens het bellen met 112 de lijn openstaan en gebruik de telefoon handsfree. Je bent dan in staat om eerste hulp te verlenen. De centralist kan meeluisteren, instructies geven en verdere acties ondernemen. Hij bepaalt wanneer het contact verbroken kan worden. Neem opnieuw contact op met 112 als de situatie van het slachtoffer verslechtert.

De centralist kan je onder andere om de volgende informatie vragen:

  • het adres, om alvast de hulpdienst op weg te sturen;
  • de naam van de melder;
  • de aard van het ongeval;
  • wat er is gebeurd;
  • het aantal slachtoffers;
  • de toestand van de slachtoffers;
  • op welk nummer er teruggebeld kan worden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, ga je door met het verlenen van eerste hulp. Zij bepalen wanneer je kunt stoppen en de hulpverlening van je overgenomen wordt.

2.4 Emotionele reacties van jezelf, het slachtoffer en/of omstanders

Een ongeval kan psychische en/of lichamelijke reacties oproepen. De reacties lopen uiteen van schrikken, transpireren, gespannen zijn, stilletjes zitten, onrustig rondlopen, hinderlijk in de weg lopen, schelden en tieren tot een volledige paniektoestand.

In deze situatie heeft de hulpverlener een moeilijke taak. Hij zal niet alleen rekening moeten houden met zijn eigen emoties, maar ook met de reacties van het slachtoffer en de omstanders (zij kunnen de hulpverlening verstoren).

Het slachtoffer is vaak geschrokken, voelt zich angstig en is soms prikkelbaar. Stel jezelf voor, blijf in de directe nabijheid en treed vriendelijk en kalm op. Stel het slachtoffer gerust en vertel wat je gaat doen. Luister naar het slachtoffer, praat met hem en houd hem zo nodig vast. Blijf rustig, ook als het slachtoffer geïrriteerd reageert.

Hulpverleners, omstanders en slachtoffers kunnen opgevangen en begeleid worden door een intern bedrijfsopvangteam of slachtofferhulp.

2.5  Regels met betrekking tot de houding van het slachtoffer

Het verplaatsen van het slachtoffer kan zijn situatie verslechteren en mag alleen uitgevoerd worden als er sprake is van een onveilige situatie voor de hulpverlener en/of het slachtoffer.

Laat het slachtoffer zelf bepalen welke houding voor hem het prettigst is en ondersteun hem in deze houding.

Laat een slachtoffer met ernstig bloedverlies gaan liggen, zonder dat hij zich daarbij moet inspannen.

Ligt het slachtoffer op zijn rug en moet hij braken of heeft hij veel bloed in de mond, draai hem snel op zijn zij.

Is een slachtoffer bewusteloos, maar heeft hij wel een normale ademhaling, leg hem in de stabiele zijligging. Een bewusteloos ongevalsslachtoffer mag je alleen in de stabiele zijligging leggen als je hem moet verlaten om 112 te bellen.

Stabiele zijligging

  1. Kniel aan één zijde van het slachtoffer. Verwijder een eventueel aanwezige bril. Zorg ervoor dat er voldoende ruimte rond het slachtoffer aanwezig is om de handelingen te kunnen uitvoeren. Zorg dat de benen gestrekt naast elkaar liggen;
  2. Leg de dichtstbijzijnde arm van het slachtoffer zó, dat deze een rechte hoek vormt met de romp;
  3. Pak de andere arm vast bij de pols en leg die met de handrug naar de wang gedraaid over de schouder van het slachtoffer. Houd vast;
  4. Pak het been van de zijde die het verst verwijderd is en buig hem in de knie. Plaats de voet van dit been naast de knie van het andere been. Laat dit been niet los;
  5. Draai het slachtoffer voorzichtig op zijn zij naar je toe door aan de gebogen knie te trekken. Houd met de andere hand de hand van het slachtoffer tegen zijn hoofd. Zorg dat de elleboog van de bovenliggende arm de grond raakt;
  6. Leg het gebogen been zo, dat zich zowel bij de heup als in de knie een rechte hoek vormt;
  7. Kantel het hoofd licht achterover, zodat de luchtweg vrij blijft. De hand van het slachtoffer onder de wang kan daarbij helpen. De mond moet naar beneden gericht zijn, zodat eventueel braaksel er makkelijk uit kan lopen;
  8. Controleer regelmatig de ademhaling, tenminste elke minuut 10 seconden lang. Doe dit met gespreide vingers richting het hoofd, zonder te drukken, met de ene hand op de rug ter hoogte van de schouderbladen, met de andere hand op de overgang van borst naar buik;
  9. Is 112 nog niet gebeld, doe dit alsnog;
  10. Moet er gereanimeerd worden, dan draai je het slachtoffer weer op de rug.

Verslechtert de ademhaling, draai hem op de rug om de luchtweg vrij te maken (kinlift) en de ademhaling te controleren. Als het slachtoffer weer normaal ademt leg je hem in de stabiele zijligging.

Wanneer het slachtoffer benauwd is door ziekte of inademing van giftige stoffen laat je hem niet plat liggen.

Een ongevalsslachtoffer met mogelijk wervelletsel moet (je) in principe niet bewegen, behalve bij gevaar, braken of veel bloed in de mond.

Ondersteun het slachtoffer bij het veranderen van houding.

2.6 Reanimatie

Reanimatie is een combinatie van borstcompressies en beademing. Met borstcompressies boots je de pompfunctie van het hart na en wordt het lichaam van bloed voorzien (circulatie). Met beademing wordt zuurstof aan het bloed toegevoegd.

Borstcompressies alléén leiden niet tot opname van zuurstof in de longen. Combineer daarom borstcompressies als het kan met beademing. Bij een circulatiestilstand wordt er geen zuurstofrijk bloed meer door de slagaders gestuwd. De cellen van het lichaam krijgen hierdoor een tekort aan zuurstof en lijden schade. De hersenen zijn het meest gevoelig voor zuurstofgebrek en kunnen als gevolg hiervan na zeer korte tijd ernstig beschadigd raken. Dit kan aanvankelijk gepaard gaan met spiertrekkingen.

Bij een stilstand van de bloedsomloop stopt de ademhaling vrijwel direct. Soms kunnen snakkende bewegingen worden waargenomen (gasping), die enkele minuten kunnen duren. Dit is geen ademhaling en er wordt geen zuurstof in de longen opgenomen. Er is geen normale luchtstroom bij de mond en de neus waarneembaar. Gasping ontstaat vaak na een circulatiestilstand. Bel 112 of laat 112 bellen en start met reanimatie.

We spreken van een klinische dood als er sprake is van circulatiestilstand, bewusteloosheid en het ontbreken van ademhaling. Na korte tijd raken de hersencellen onherstelbaar beschadigd. Dit is afhankelijk van de oorzaak van de circulatiestilstand en van de omstandigheden waarin de stilstand optreedt. We spreken van een biologische dood als de hersenen onherstelbaar beschadigd zijn. Bij onderkoeling wordt minder zuurstof verbruikt en kan dit proces langer duren.

In de periode tussen klinisch dood en biologisch dood is nog herstel mogelijk. Het slachtoffer is overleden, als de biologische dood is ingetreden. Reanimatie moet zo snel mogelijk na het optreden van de klinische dood gestart worden en soms geruime tijd worden volgehouden. Anders heeft reanimatie geen of weinig kans van slagen.

Automatische Externe Defibrillator (AED)

De oorzaak van een circulatiestilstand ligt meestal in het ontstaan van kamerfibrilleren (kamerfladderen), een ritmestoornis die tot gevolg heeft dat de pompfunctie van het hart uitvalt. Door middel van het toedienen van een elektrische schok (defibrilleren) kan in veel gevallen de pompfunctie van het hart worden hersteld. Het gebruik van de AED vergroot de overlevingskans aanzienlijk.

De overlevingskans bij kamerfibrilleren neemt -zonder ingrijpen van buitenaf- per minuut met 10% af. De defibrillatieschok moet daarom zo snel mogelijk worden toegediend.

De AED is een handzaam apparaat dat de hartritmestoornis kamerfibrillatie herkent, waarvoor een defibrillatieschok moet worden toegediend. De bediening is zo eenvoudig dat in principe elke hulpverlener hem kan bedienen. Het bedieningsgemak sluit het maken van een fout door de hulpverlener uit.

In de AED-tas zit niet alleen de AED, maar ook een schaar, een handdoek (om transpiratie weg te vegen), een scheermesje (om borsthaar te verwijderen), een set handschoenen en een beademingsmasker.

Plaats de elektroden niet over een tepel, een pacemaker, een ICD of inwendige hartmonitor (bobbel onder de huid) of pleisters.

Gebruik de AED niet in het water.

Houd je op de hoogte waar zich AED’s in de buurt bevinden.

Volgorde van handelen bij reanimatie van volwassenen

Het slachtoffer is bewusteloos, een omstander is gevraagd 112 te bellen en een AED te halen. Je hebt zelf 112 gebeld als je alleen bent met het slachtoffer. Haal in dat geval alleen zelf de AED wanneer deze zich binnen onmiddellijk bereik bevindt. Zet je telefoon op de luidsprekerfunctie. Volg de aanwijzingen van de centralist.

Het bewusteloze slachtoffer heeft geen of geen normale ademhaling of je weet het niet zeker.

Start met 30 borstcompressies. Tel hardop mee, zodat de centralist kan volgen wat je doet:

  • kniel naast het slachtoffer ter hoogte van zijn bovenarm;
  • plaats de hiel van je hand midden op de borstkas;
  • plaats de hiel van je andere hand hier bovenop;
  • haak je vingers in elkaar;
  • oefen geen directe druk uit op de onderste punt van het borstbeen, de bovenbuik of de ribben;
  • hang met gestrekte armen loodrecht op de borstkas;
  • duw het borstbeen minimaal 5, maximaal 6 cm in;
  • laat het borstbeen terugveren, maar zorg ervoor dat je handen er mee in contact blijven;
  • herhaal het induwen met een tempo van minimaal 100 en maximaal 120 per minuut;
  • de tijd van het induwen en terugveren van het borstbeen moet hetzelfde zijn.

Kun of wil je geen beademing geven, blijf doorgaan met de compressies tot de AED er is.

Kun of wil je wel beademen, dan doe je dit na iedere 30 compressies steeds 2 maal achtereen:

  • maak de luchtweg vrij (hoofdkantel-kinliftmethode);
  • knijp met twee vingers van de hand, die op het voorhoofd van het slachtoffer rust, zijn neus goed dicht;
  • houd de kin goed omhoog en zorg dat de mond open blijft;
  • adem normaal in en plaats je mond goed sluitend over de mond van het slachtoffer;
  • blaas gedurende 1 seconde rustig in zijn mond;
  • kijk met een schuin oog of hierdoor zijn borstkas omhoog komt (daaraan is te zien of de beademing effectief is);
  • neem je mond van het slachtoffer en kijk of de borstkas inzakt;
  • neem een verse teug lucht;
  • pas een tweede beademing toe;
  • ga door met 30 borstcompressies, 2 beademingen, enzovoorts.

De tijd tussen 2 cycli van 30 borstcompressies mag niet meer dan 10 seconden bedragen. Hierbinnen moeten de 2 beademingen plaatsvinden.

Komt de borstkas niet omhoog bij inblazen, dan is de beademing niet effectief:

  • controleer of je de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert;
  • inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare obstakels;
  • maak knellende kleding los.

Doe de mondinspectie als volgt:

  1. Omvat de kin van het slachtoffer met de duim en wijsvinger van een hand;
  2. Trek de mond open;
  3. Kijk in de mondholte of er iets in zit;
  4. Weest bedacht op plotselinge bijtkramp van het slachtoffer. Duw daarom, als je iets ziet, met de duim de wang van het slachtoffer tussen zijn kiezen;
  5. Ga met de vingers van je andere hand, eventueel omwikkeld met een zakdoek, langs de binnenzijde van de ene wang en maak de mondholte met een lepelende beweging langs de binnenzijde van de andere wang leeg;
  6. Doe slechts één poging om schade te voorkomen.

Zijn er 2 hulpverleners, los elkaar dan om de 2 minuten af. Onderbreek de compressies zo kort mogelijk.

Ga door met reanimeren, totdat:

  • professionele hulpverleners de reanimatie overnemen, of
  • het slachtoffer bij bewustzijn komt, beweegt, de ogen opent en normaal begint te ademen, of
  • je door uitputting niet meer verder kunt reanimeren.

Is het slachtoffer een drenkeling, start eerst met 5 beademingen. Ademt de drenkeling nog niet (goed), geef dan 30 borstcompressies en wissel de borstcompressies af met 2 beademingen.

Extra maatregelen bij het reanimeren

Een beademingsmasker of een gelaatsdoekje kan gebruikt worden bij een slachtoffer met een beschadigd gezicht en de hulpverlener ten dele beschermen tegen besmetting.

Tijdens het reanimeren kan de maaginhoud van het slachtoffer terug naar de mond stromen. Oorzaken hiervoor kunnen zijn:

  • de hulpverlener drukt bij het geven van compressies met zijn handen op de maag van het slachtoffer;
  • de hulpverlener beademt te krachtig, waardoor er lucht in de maag van het slachtoffer geblazen wordt.

Als de maaginhoud van het slachtoffer tijdens de reanimatie naar de mondholte stroomt, moet je het slachtoffer ogenblikkelijk aan schouder en heup naar je toe op zijn zij draaien. Het slachtoffer komt daardoor tegen je dijen te liggen.

Breng het hoofd iets achterover en maak de mondholte leeg.

Draai het slachtoffer vervolgens terug op de rug door zijn heup van je af te duwen en ondersteun daarbij zijn hoofd.

Ga vervolgens door met reanimeren.

Draai het slachtoffer terug op de rug, ondersteun daarbij zijn hoofd.

Reanimatie met de AED

Vanaf het moment dat de AED beschikbaar is ga je als volgt te werk:

  1. Zet de AED aan.
  2. Volg de instructies van de AED meteen op.
  3. Ontbloot de borstkas door de kleding open te trekken of knippen.
  4. Scheer overmatig borsthaar weg en maak een te vochtige huid droog.
  5. Bevestig de elektroden op de juiste plaats op de ontblote borstkas (kijk goed naar de instructie-afbeeldingen op de elektroden). Druk de elektroden goed aan. Zorg dat ze elkaar niet raken.
  6. Het slachtoffer mag niet worden aangeraakt als de AED een analyse maakt.
  7. Geeft de AED een schokopdracht:
    • zorg dat niemand het slachtoffer aanraakt;
    • druk op de knop, wanneer de AED dit opdraagt;
    • volg de instructies van de AED meteen op;
    • start daarna direct met borstcompressies.
  1. Geeft de AED géén schokopdracht, volg de instructies van de AED meteen op en start direct met borstcompressies.

Zijn er twee eerstehulpverleners aanwezig, dan gaat één eerstehulpverlener door met borstcompressies en beademingen geven, terwijl de tweede eerstehulpverlener de elektroden van de AED opplakt. Wissel elkaar bij de reanimatie elke 2 minuten af, bijvoorbeeld op het moment van analyse door de AED.

Volgorde van handelen bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit)

In eerste aanleg kan je bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit) uitgaan van dezelfde handelingen als bij volwassenen. De reanimatie van kinderen (tot de puberteit) begint eerst met 5 beademingen en niet met borstcompressies zoals bij de reanimatie van volwassenen.

Is er geen omstander om 112 te bellen dan reanimeer je het kind eerst 1 minuut. Vervolgens bel je zelf 112. Zet de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie.

Begin met 5 beademingen. Kijk met een schuin oog of hierdoor de borstkas omhoog komt (daaraan is te zien of je beademing effectief is*). Als het slachtoffer hierna niet zelfstandig ademt, ga door met afwisselend borstcompressies en beademingen: bij kinderen tot de puberteit resp. 15 en 2, in andere gevallen resp. 30 en 2.

*Komt de borstkas niet omhoog bij inblazen, dan is de beademing niet  effectief:

  • inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare obstakels;
  • controleer of je de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert.

De borstcompressie bij reanimatie van baby’s (jonger dan 1 jaar) gaat minimaal tot een derde van de diepte van de borstkas (circa 4 cm). Gebruik hiervoor de toppen van wijs- en middelvinger van één hand. Plaats bij beademing je mond over mond en neus van de zuigeling.

De borstcompressie bij reanimatie van kinderen tot de puberteit gaat minimaal tot een derde van de diepte van de borstkas (circa 5 cm) met de hiel van één hand.

Je kan gebruik maken van speciale kinderelektroden of een AED die voor kinderen geschikt is.

Passen de elektroden van de AED niet beide op de borstkas van het kind, plaats er dan één midden op de borstkas en één midden op de rug tussen de schouderbladen.

Na het reanimeren

Wanneer het bewusteloze slachtoffer normaal ademhaalt:

  • leg je hem in de stabiele zijligging;
  • controleer je iedere minuut of de ademhaling normaal blijft.

Bij een slachtoffer in de stabiele zijligging wordt de ademhaling gecontroleerd door één hand op de borst te leggen bij de overgang van borst naar buik en de andere hand op de rug.

Niet-reanimeren verklaring

De wens niet gereanimeerd te willen worden kan kenbaar gemaakt worden met een niet-reanimeren verklaring. Het opvolgen van deze wens wordt door het zelfbeschikkingsrecht van ieder mens mogelijk gemaakt.

Het zelfbeschikkingsrecht van de mens en de hulpverleningsplicht lijken tegenstrijdig. Bij circulatiestilstand moet onmiddellijk hulp worden verleend. Het zoeken naar de niet-reanimeren verklaring kost tijd. Het is voor hulpverleners belangrijk om zo snel mogelijk te starten met de reanimatie. Als er later een  niet-reanimeren verklaring of NVVE penning wordt gevonden, kan de reanimatie gestaakt worden. Als men dat niet durft kan het ook aan de professionele hulpverleners worden overgedragen.

2.7 Levensbedreigende stoornissen in de ademhaling

Ademhaling omvat:

  • de zuurstofopname uit de buitenlucht in de longen;
  • het transport naar de lichaamscellen;
  • de afgifte van zuurstof aan de lichaamscellen;
  • het transport van koolzuurgas naar de longen;
  • de afgifte van het koolzuurgas aan de buitenlucht.

Een volwassene ademt normaal 12 tot 16 keer per minuut zonder bijgeluiden. Als de ademhaling uitvalt ontstaat een zuurstoftekort in de hersenen met bewusteloosheid of zelfs hersenletsel tot gevolg.

Er is sprake van een normale ademhaling als:

  • er geen rochelend of gierend geluid te horen is;
  • de borstkas regelmatig (meer dan 10 maal per minuut) op en neer gaat;
  • de huidskleur normaal is.

Letsels die levensbedreigend voor de ademhaling zijn

Levensbedreigende letsels voor de ademhaling zijn:

  • uitwendige luchtwegbelemmering;
  • inwendige luchtwegbelemmering;
  • inhalatieletsel.

Luchtwegbelemmering

Er is aanvankelijk weinig aan de hand als er geen zuurstof in het bloed kan worden opgenomen (bijvoorbeeld bij verslikking door een spijsbrok). Iedereen kan zeker één minuut, zonder inademing van zuurstof, normaal functioneren. Er is nog voldoende zuurstof in de longen en de slagaders aanwezig. De hersenen reageren als eerste met een geleidelijke afname van het bewustzijn, zodra de zuurstofvoorraad uitgeput raakt.

Bij uitwendige luchtwegbelemmering, bijvoorbeeld door bedelving, probeer je de oorzaak te verwijderen.

Hulpverlening bij inwendige luchtwegbelemmering

Als een slachtoffer ademt, moedig hem dan om aan te hoesten. Blijf observeren.

Als het slachtoffer tekenen vertoont van verminderde of afwezige ademhaling, stopt met hoesten of knikkend bevestigt dat hij zich verslikt heeft:

  • bel 112 of laat 112 bellen en zet de telefoon op de luidsprekerfunctie;
  • geef 5 rugslagen:
    • ga aan de zijkant iets achter het slachtoffer staan;
    • steun met één hand de borst en buig het slachtoffer naar voren om te zorgen dat het vreemde voorwerp, als het losschiet, naar buiten komt en niet dieper in de luchtweg komt;
    • geef maximaal 5 stevige slagen tussen de schouderbladen met de hiel van je andere hand, zodat het vreemde voorwerp los kan komen.
  • Als slaan op de rug niet effectief is, geef dan maximaal 5 buikstoten;
  • ga achter het slachtoffer staan;
  • ga bij een zittend slachtoffer achter hem staan en zet je linker- of rechterheup of - knie tegen de rugleuning van zijn stoel;
  • sla je armen om het bovenste gedeelte van de buik;
  • zorg dat het slachtoffer iets naar voren buigt, zodat het voorwerp bij het losschieten niet dieper in de luchtweg kan zakken;
  • maak een vuist en plaats die tussen de navel en het onderste punt van het borstbeen in;
  • pak met de andere hand je vuist vast;
  • leg je onderarmen op het heupbeen van het slachtoffer;
  • trek je handen krachtig naar je toe en omhoog zodat het vreemde voorwerp losschiet;
  • Geef maximaal afwisselend 5 rugslagen en 5 buikstoten. Controleer na elke poging of de ademhaling weer normaal is.

Is de luchtwegbelemmering niet opgeheven, dan zal het slachtoffer na enkele minuten bewusteloos raken: help het slachtoffer om op de grond te gaan liggen. Bel 112 of laat 112 bellen als dat nog niet is gebeurd. Kijk of het voorwerp te verwijderen is door middel van de mondinspectie (in één poging!) en start met de reanimatie.

Het hart heeft tijdens de luchtwegbelemmering wel bloed rond gepompt, maar dit bloed bevat minder zuurstof. De hartspier heeft voor zijn functie zuurstof nodig en zal in deze situatie steeds minder krachtig gaan pompen. Enige tijd hierna zal het hart hiermee ophouden (klinisch dood). Er is sprake van een stilstand van de bloedsomloop ten gevolge van een ademhalingsstilstand.

Inhalatietrauma

Een inhalatietrauma kan ontstaan door inademing van hete gassen, lucht, rook of vuur. Inhalatieletsel bij een slachtoffer heeft een ongunstige invloed op herstel. De overlevingskans van slachtoffers met een inhalatietrauma is minder dan 50%.

Kenmerken van een inhalatietrauma zijn:

  • beschadiging van de hoge luchtwegen en met name zwelling van het strottenklepje. De zwelling ontstaat meestal enkele uren na het ongeval. Een symptoom kan heesheid zijn. Er zijn veelal brandwonden aan het gelaat en de neusharen zijn verbrand;
  • acute ontsteking van de grote luchtwegen, meestal als gevolg van inademen van rook. Het slachtoffer hoest slijm op waarin zich roetdeeltjes bevinden;
  • ademhalingsproblemen als gevolg van inademing van giftige producten. De problemen ontstaan binnen 48 uur na het ongeval. De verschijnselen zijn toenemende benauwdheid en een versnelde ademhaling.

Handel als volgt wanneer een slachtoffer hete gassen, lucht, rook of chemische stoffen heeft ingeademd:

  1. Bel altijd 112, ook als het slachtoffer niet benauwd is;
  2. Breng hem zo snel mogelijk in de frisse lucht;
  3. Maak knellende kleding los. Het slachtoffer moet zich van zijn kleding ontdoen bij giftige gassen of dampen;
  4. Laat hem - als hij bij bewustzijn is - een halfzittende houding aannemen (de ademhaling wordt hierbij het minst belemmerd);
  5. Is het slachtoffer buiten bewustzijn, maar ademt hij zelf: leg hem in de stabiele zijligging om de ademweg vrij te houden;
  6. Blijf de ademhaling controleren;
  7. Is er geen of geen normale ademhaling: begin direct met reanimeren.

Koolmonoxidevergiftiging

Een koolmonoxidevergiftiging kan ontstaan door onvolledige verbranding van materialen. De zuurstofvoorziening naar de weefsels (stofwisseling) komt in het gedrang. De vergiftigingsverschijnselen variëren van hoofdpijn tot bewusteloosheid en dood.

Er bestaat meestal een relatie tussen de concentratie van koolmonoxide dat gebonden zit aan de bloedkleurstof (=hemoglobine) en de verschijnselen:

 Concentratie Verschijnselen
<10% Weinig verschijnselen
10-20% Hoofdpijn en een strak gevoel om het voorhoofd
20-30% Kloppende hoofdpijn
30-40% Hoofdpijn met een algemeen gevoel van slapte, duizeligheid, gestoord zicht, misselijkheid, braken en flauwvallen
40-50% Snelle hartslag en ademhaling
>50% Bewusteloosheid en epileptische aanvallen
>60% Door stoornissen in het hart en van de ademhaling is een fataal verloop te verwachten

De deskundige hulpverlening dient 100% zuurstof toe bij een verdenking van koolmonoxidevergiftiging, ook tijdens het vervoer naar het ziekenhuis. De koolmonoxide wordt hierdoor sneller geëlimineerd.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor de ademhaling

Een slachtoffer is bekend met een longziekte zoals bijvoorbeeld astma, COPD, longontsteking of longembolie. De gezondheidssituatie van het slachtoffer kan plots verslechteren. Hij kan bloed ophoesten in combinatie met pijn op de borst en hevig benauwd zijn. Bel 112 of laat iemand 112 bellen.

Zet de telefoon op de luidsprekerfunctie. Start met reanimeren wanneer het slachtoffer zijn bewustzijn verliest. Bel de huisarts(enpost) als het slachtoffer pijn heeft bij het (piepend) sneller ademen.

Bel 112 als het slachtoffer niet alleen sneller ademt, maar ook pijn in de borst en hartkloppingen heeft. Hij is hevig benauwd en/of zijn huid kan blauw-paars verkleuren. Hij wordt steeds suffer.

Bij een paniekaanval gaat een slachtoffer sneller ademen. Er is sprake van een te laag koolzuurgehalte (niet van een zuurstoftekort) in het bloed.

2.8 Levensbedreigende stoornissen in de circulatie

Het hart pompt het bloed continu door het lichaam. Door het bloed worden onder andere zuurstof en voedings- en afvalstoffen getransporteerd. In rust is de hartfrequentie bij gezonde volwassenen 60 tot 80 slagen per minuut.

Een intact vaatstelsel (slagaders en aders), voldoende hoeveelheid bloed (vocht) en de rondpompende werking van het hart zijn noodzakelijk voor een goed functionerende bloedsomloop.

Verschijnselen van circulatiestilstand

Een circulatiestilstand is een plotselinge gebeurtenis, waarbij het hart acuut gestopt is met rondpompen van bloed. Het zuurstoftransport naar de organen stopt eveneens direct. De hersenen reageren als eerste op dit zuurstofgebrek. Vrijwel direct (na 10 à 15 seconden) treedt bewusteloosheid in. Doordat de coördinatie van de ademhaling door de hersenen geregeld wordt, zal ook deze vrijwel direct stoppen (ademhalingsstilstand op basis van circulatiestilstand).

Letsels die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Levensbedreigende letsels voor de circulatie kunnen zijn:

  • shock of
  • hevig, actief bloedverlies.

Shock

De bloedsomloop functioneert niet optimaal als er onvoldoende bloed door het vaatstelsel wordt gepompt. Er zal geleidelijk aan een zuurstoftekort optreden in de lichaamscellen. Deze toestand wordt shock genoemd.

De belangrijkste oorzaak van shock is ernstig bloedverlies (uitwendig dan wel inwendig).

Shock kan ook veroorzaakt worden door:

  • hartproblemen;
  • extreem vochtverlies (brandwonden, uitdroging en diarree);
  • allergische reacties;
  • ernstige infecties.

De verschijnselen van een shocktoestand zijn:

  • het slachtoffer is bleek en grauw van kleur;
  • hij voelt koud en klam aan;
  • hij is dorstig;
  • hij voelt zich heel naar;
  • hij maakt (door gebrekkig zuurstoftransport) een onrustige en/of angstige indruk.

Shock is een levensbedreigende situatie die direct deskundige hulp vereist.

Als eenmaal een shocktoestand is ontstaan, kan de hulpverlener deze toestand niet opheffen. Verleen als volgt hulp, gericht op het niet verergeren van shock:

  • bel 112 of laat 112 bellen en zet de telefoon op luidsprekerfunctie;
  • laat het slachtoffer (gaan) liggen;
  • stel het slachtoffer gerust (dit vermindert het zuurstofverbruik);
  • is het slachtoffer nog bij bewustzijn, dan mag hij zelf een, voor hem prettige (liggende) houding kiezen, pas anders de stabiele zijligging toe;
  • stelp uitwendig bloedverlies;
  • bescherm het slachtoffer tegen verdere afkoeling, maar ga hem niet opwarmen;
  • laat het slachtoffer niets drinken of eten!

Hevig, actief bloedverlies

Hevige, actieve bloedingen zijn levensbedreigend. Er zijn bloedvaten getroffen in het hoofd, de hals, armen of benen. Het bloed komt -gelijkmatig of in stoten- uit de wond. Er moet onmiddellijk gehandeld worden. Bel 112 of laat 112 bellen. Vraag het slachtoffer of een omstander druk op de wond te geven, zodat je zelf verder kunt met hulpverlenen. Doe dit anders zelf. Laat het slachtoffer op de rug liggen, zonder dat hij zich hierbij inspant.

Het is wenselijk beschermende handschoenen te dragen bij het behandelen van slachtoffers met een bloeding, om eventuele besmetting te voorkomen.

Er moet op de volgende wijze gehandeld worden:

  1. Maak, als dit mogelijk is, de wond vrij van kleding.
  2. Leg een steriel kompres/verband op de wond. Als je geen verband hebt, kun je van een schone doek of een schone, opengevouwen zakdoek een prop maken en deze prop op de wond drukken. Druk desnoods met de blote hand op de wond.
  3. Druk op de wond. Blijf op de wond drukken, tot het bloeden stopt, je een wonddrukverband zo strak mogelijk kunt aanleggen of de professionele hulp het van je overneemt.

Een geamputeerd lichaamsdeel verpak je in een droge plastic zak. Doe de zak in een andere zak, gevuld met smeltend ijs of ijs waaraan water is toegevoegd.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Een hartprobleem kan levensbedreigend voor de circulatie zijn.

De toestand, waarbij de doorbloeding in de aders zo ernstig is verstoord dat hartspiercellen niet meer voorzien worden van zuurstofrijk bloed, wordt hartinfarct genoemd.

Het slachtoffer ervaart beklemmende pijn op de borst die onder meer naar de bovenarmen, hals, kaak, rug en maagstreek kan uitstralen. Hij voelt zich ellendig en is dikwijls letterlijk doodsbang. Ook kan het slachtoffer hevig transpireren. Als deze verschijnselen optreden moet ogenblikkelijk 112 gebeld worden. Zet de telefoon op luidsprekerfunctie. Laat het slachtoffer niet alleen en laat hem in een voor hem prettige houding zitten of liggen.

Een verminderde doorbloeding komt bij mannen vooral in de kransslagaders voor.

Bij vrouwen komt een verminderde doorbloeding vaker in de kleine hartbloedvaten voor. Hierdoor zijn de daaruit voortvloeiende symptomen bij vrouwen (plotse vermoeidheid, slapeloosheid, maagklachten of hartkloppingen) soms moeilijk herkenbaar als signaal van een hartinfarct.

Ook oorzaken die buiten het hart gelegen zijn, kunnen leiden tot ritmestoornissen, zoals totale uitval van hartactiviteit of kamerfibrilleren.

De buiten het hart gelegen oorzaken kunnen zijn:

  • stoornissen in de ademhaling;
  • bepaalde vergiftigingen;
  • elektriciteit;
  • te hoge temperatuur (oververhitting) of te lage temperatuur (onderkoeling) van het lichaam;
  • een groot bloedverlies;
  • een allergische reactie;
  • een groot vochtverlies (brandwonden);
  • uitdroging (door overgeven of diarree).

Bij een totale uitval van hartactiviteit bereiken de elektrische prikkels de hartspiervezels niet meer. Het hart staat daadwerkelijk stil (hartstilstand). We spreken van kamerfibrilleren wanneer de spiervezels van de kamers zonder onderlinge samenhang samentrekken. Het hart kan het bloed niet meer rondpompen.

Het is voor de hulpverlener niet mogelijk te onderscheiden of het bij een stilstand van de bloedsomloop gaat om een totale uitval van de hartactiviteit of om kamerfibrilleren. De hulpverlener probeert door te reanimeren de pompwerking van het hart over te nemen en daarmee het intreden van de biologische dood te voorkomen. Een goed uitgevoerde reanimatie kan met name succes hebben wanneer de oorzaak in het hart zelf gelegen is. Het uiteindelijke resultaat is afhankelijk van de ernst van de doorbloedingsstoornis in de kransslagaders en de gevolgen daarvan voor het hart.

2.9 Levensbedreigende stoornissen in het bewustzijn

Bij een normaal bewustzijn is er besef voor de omgeving. De hersenen zijn betrokken bij alles wat met bewustzijn te maken heeft.

Letsels die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende letsels voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • schedel- of hersenletsel;
  • elektriciteitsletsel;
  • ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling;
  • vergiftiging bij inname van een giftige stof.

Schedel- of hersenletsel

Na een ongeval kan het slachtoffer hevige of steeds erger wordende hoofdpijn hebben. Dit kan duiden op schedel- of hersenletsel. Bel 112 of laat 112 bellen. Zorg dat het slachtoffer zich niet beweegt in verband met mogelijk wervelletsel.

Lichttraumatisch hersenletsel werd voorheen hersenschudding genoemd. De hersenen worden voor korte tijd door elkaar geschud. De oorzaak kan een val zijn of een stoot tegen het hoofd. Het slachtoffer heeft een tijdelijk verstoord geheugen (weet niet meer wat er is gebeurd), heeft hoofdpijn, is misselijk en moet soms braken. Neem contact op met de huisarts(enpost) en laat het slachtoffer rust houden.

Een schedelbasisbreuk is een breuk van de schedelbasis. Deze bevindt zich tussen de hersenschedel en de aangezichtsschedel. De vrij dunne schedelbasis kan bij een val of een schok makkelijk breken.

De verschijnselen van een schedelbasisbreuk kunnen zijn: vocht (bloedingen) uit de neus of het oor en blauwe plekken rond de ogen of achter de oren (vaak pas na enkele uren zichtbaar). Er kan een aantal hersenzenuwen uitvallen en het slachtoffer kan na het letsel bewusteloos raken. Uitvalsverschijnselen van de hersenzenuwen uiten zich onder andere in het verlies van het reuk- en gezichtsvermogen. Ook kunnen de oogbewegingen en de motoriek worden aangetast. Neem contact op met de huisarts(enpost).

Elektriciteitsletsel

Er zijn uiterlijke kenmerken waaraan je kunt zien dat een slachtoffer in aanraking is of is geweest met stroom:

  • hij kan de stroombron niet loslaten omdat er spierkramp optreedt;
  • hij heeft tweede- en/of derdegraads brandwonden;
  • hij kan moe zijn, wil gaan liggen en raakt versuft;
  • er kan bewusteloosheid, een ademhalingsstoornis of een circulatiestilstand optreden, ook na enige tijd.

Zorg eerst voor je eigen veiligheid! Schakel de stroombron uit door bijvoorbeeld de stekker uit het stopcontact te trekken of door de noodknop van de machine in te drukken. Lukt dit niet, bel 112 of laat 112 bellen.

Heeft het slachtoffer geen contact meer met de stroombron, verleen dan eerste hulp. Is het slachtoffer bewusteloos en heeft hij een goede ademhaling, leg het slachtoffer in de stabiele zijligging. Is het slachtoffer bewusteloos en heeft hij geen (goede) ademhaling, bel 112 of laat 112 bellen en begin met reanimeren.

Een slachtoffer kan getroffen worden door een elektrische schok van een hoogspanningskabel (denk aan de kabels boven het spoor). Bel 112, of laat dit doen. Door de schok kan het slachtoffer weggeslingerd worden. Ga niet naar het slachtoffer toe, tenzij je zeker weet dat de stroom is uitgeschakeld of dat er geen contact meer is met de stroombron. De stroom kan zo sterk zijn, dat hij van het slachtoffer naar jou overspringt.

Bij twijfel of een niet veilige situatie: wacht op de professionele hulpverlening.

Ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling

Bel 112 als het slachtoffer verschijnselen vertoont van ernstige oververhitting (oververhit, maar met een droge, warme huid zonder transpiratie en toenemende sufheid) of ernstige onderkoeling (onderkoeld, maar gestopt met rillen of klappertanden en toenemende sufheid).

Vergiftiging bij inname van een giftige stof

Het verliezen van het bewustzijn kan veroorzaakt worden door de inname van een giftige stof. Bel 112 (of laat een ander dat doen) wanneer het slachtoffer erg benauwd is, suf is of het bewustzijn heeft verloren. Heeft hij een goede ademhaling, leg het slachtoffer in de stabiele zijligging. Volg de bedrijfsprocedures, zoals die voor de giftige stof gelden of bel de huisarts(enpost).

Ziekten die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende ziekten voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • epilepsie;
  • diabetes (suikerziekte);
  • beroerte;
  • flauwte.

Epilepsie

Epilepsie is een stoornis in de hersenen die soms toevallen veroorzaakt. In het geval van een kleine aanval verliest het slachtoffer het contact met zijn omgeving. Bij een grote aanval raakt het slachtoffer plotseling bewusteloos, maakt schokkende bewegingen met armen en/of benen en kan soms (bloederig) schuim op de mond krijgen. Het bewustzijn keert na enige tijd terug. Vaak wordt daarna over vermoeidheid geklaagd.

Bel altijd 112 bij een grote aanval. De eerste hulp is gericht op het bewaken van de luchtweg en de ademhaling. Zorg ervoor dat het slachtoffer zich nergens aan kan bezeren. Probeer de bewegingen die hij maakt niet tegen te houden. Is het slachtoffer na een aanval bewusteloos en is zijn ademhaling normaal, leg hem in de stabiele zijligging.

Diabetes (suikerziekte)

Ieder mens heeft een bepaalde hoeveelheid suiker (glucose) in opgeloste vorm in het bloed. Suiker is de energiebron voor de lichaamscellen. Insuline zorgt ervoor dat de hoeveelheid suiker in het bloed binnen bepaalde grenzen blijft. Mensen met diabetes produceren zelf geen of onvoldoende insuline.

De glucose kan niet goed opgenomen worden in de cellen, waardoor een tekort aan energie ontstaat.

We onderscheiden:

  • een te hoog bloedsuikergehalte (hyperglykemie). Wanneer het suikergehalte in het bloed te veel stijgt, wordt het slachtoffer zwakker, slaperig en ademt hij moeilijker. Mogelijk kan het slachtoffer braken. Bel de huisarts(enpost).
  • een te laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie). Het slachtoffer kan erg verward zijn. Hij kan geeuwen, transpireren en soms agressief zijn. Het slachtoffer kan worden geholpen door hem een suikerklontje of limonade te geven. Hij moet dit zelf kunnen aanpakken. Kan hij dat niet, dan mag hij niets eten of drinken. Bel 112 als het slachtoffer het bewustzijn verliest en leg hem in de stabiele zijligging. Ben je er zeker van dat het om een hypo gaat en het bewusteloze slachtoffer ligt niet op de rug, smeer honing of stroop aan de binnenkant van zijn wang. Masseer de buitenkant van de wang om de opname van koolhydraten te bevorderen.

 Beroerte

Een beroerte is een acute verstoring van de hersencirculatie, die veelal gepaard gaat met uitvalsverschijnselen. Een beroerte is vast te stellen door middel van de mond/spraak/arm-

  • Mond: de mond staat scheef en/of de mondhoek hangt;
  • Spraak: het slachtoffer kan niet uit zijn woorden komen, spreekt wartaal of onduidelijk;
  • Arm: wanneer beide armen gestrekt met de handpalm naar boven worden gehouden zijn er ongecontroleerde bewegingen of zakt een arm weg.

Andere symptomen kunnen zijn: problemen met het evenwicht, dubbel of wazig zien en blindheid aan één van de ogen.

Bij een herseninfarct wordt door een bloedstolsel een bloedvat in de hersenen afgesloten. Het slachtoffer vertoont veelal een plotselinge, meestal halfzijdige verlamming en vaak ook een spraakstoornis. Het slachtoffer blijft in de regel bij bewustzijn en begrijpt niet altijd wat er gebeurt. Goede uitleg aan hem is dus belangrijk.

In geval van een hersenbloeding wordt over hevige hoofdpijn geklaagd (soms wordt het barsten van een hersenslagader gevoeld), waarna vaak bewustzijnsverlies optreedt. Het slachtoffer ademt dan blazend vanuit een scheefstaande mond.

In alle gevallen moet je 112 bellen (ook als er sprake is van zeer plotselinge, hevige hoofdpijn met misselijkheid en braken). Is het slachtoffer bewusteloos: controleer de ademhaling. Is de ademhaling normaal: leg hem in de stabiele zijligging. Is er geen normale ademhaling, start met reanimeren.

Flauwte

Flauwte is een tijdelijk tekort aan zuurstofrijk bloed in de hersenen. Het slachtoffer heeft een bleke gelaatskleur, transpireert en geeuwt. Een flauwte kan na enige tijd overgaan in een wegraking (bewusteloosheid). De oorzaken kunnen zijn: uitputting (door vermoeidheid, honger of zwakte), plotselinge schrik, een benauwde omgeving of te weinig zuurstof in de hersenen door bloedarmoede.

Verleen als volgt eerste hulp:

  • Voorkom dat het bewustzijn wordt verloren door het slachtoffer te voorzien van frisse lucht;
  • Stel het slachtoffer gerust en leg hem plat neer (je kunt daarnaast ook de benen omhoog houden);
  • Knapt hij niet binnen 2 minuten op of verliest hij het bewustzijn, bel 112 en controleer de ademhaling;
  • Als het slachtoffer weer bij bewustzijn is minimaal 10 minuten plat op de grond laten liggen. Daarna voorzichtig laten zitten.

2.10 Verwondingen

Bij ernstige verwondingen, zoals grote tweede- en derdegraads brandwonden, diepe wonden, open botbreuken, been-, of heupbreuken, wervelletsel, blauwe of zeer bleke ledematen: bel 112 of laat dit door een ander doen. De huisarts(enpost) bel je in geval van andere grote wonden en als wonden blijven bloeden of vuil zijn.

Verontreiniging en besmetting

Iedere wond is verontreinigd met ziektekiemen. Een kleine verwonding kun je uitspoelen onder de kraan. Het kraanwater in Nederland is hiervoor probleemloos te gebruiken. Is er geen schoon water in de buurt dan kun je een huidontsmettingsmiddel gebruiken. Bij wonden waarmee je na eerstehulpverlening naar een arts gaat, mag je geen jodium gebruiken. Het gebruik van deze middelen verandert het uiterlijk van de wond. Hierdoor kan de arts de wond minder goed beoordelen en lastiger hechten.

Wanneer een wond geïnfecteerd raakt, reageert het afweersysteem van het lichaam hierop met de volgende symptomen:

  • de wond wordt rood en pijnlijker;
  • er is vaak een zwelling zichtbaar;
  • de huid voelt warm aan;
  • het slachtoffer kan verhoging of koorts krijgen.

Het slachtoffer moet naar de huisarts(enpost) als bij een gesloten wond een rode lijn onder de huid verschijnt.

Kleine bloedingen

Een bloeding is het verlies van bloed uit het bloedvatenstelsel door beschadiging van een bloedvat. Bij een inwendige bloeding stroomt bloed uit een bloedvat, maar blijft in het lichaam. Bij een uitwendige bloeding is het uit het lichaam tredende bloed zichtbaar.

We onderscheiden:

  • slagaderlijke bloedingen: het bloed komt stootsgewijs uit de wond en is helder rood;
  • aderlijke bloedingen: het bloed stroomt gelijkmatig uit de wond en is donkerrood;
  • haarvatenbloedingen: het bloed sijpelt uit de wond.

Veel grote bloedingen zijn een combinatie van deze drie soorten.

Hevig, actief bloedverlies kan de bloedvoorziening van de weefsels verstoren. Dit bloedverlies kan zeer ernstige gevolgen hebben en zelfs levensbedreigend zijn.

Het is wenselijk beschermende handschoenen te dragen bij het behandelen van slachtoffers met een bloeding, om eventuele besmetting te voorkomen.

Het is niet noodzakelijk bij kleine bloedingen de huisarts(enpost) of 112 te bellen. Het bloeden kan uit zichzelf door stolling verminderen of stoppen.

Bloedneus

Een bloedneus ontstaat spontaan, of door een klap of stoot tegen het hoofd. Spontane bloedneuzen kunnen ontstaan door een verkoudheid, te vaak of te hard snuiten of door grote temperatuurwisselingen.

Is een bloedneus het gevolg van hoofdletsel, dan mag de neus niet gesnoten worden en moet je 112 bellen. In andere gevallen kun je zelf de eerste hulp verlenen. Laat het slachtoffer voorover in de schrijfhouding zitten, zodat het bloed gemakkelijk de neus uitloopt. Als het slachtoffer het hoofd achterover houdt, dan kan hij bloed inslikken en wordt hij misselijk.

Als de bloedneus spontaan is ontstaan, snuit je je neus een keer goed. Knijp de neus stevig dicht door beide neusvleugels (het zachte deel van de neus) tegen het tussenschot te drukken of laat het slachtoffer dit zelf doen. Houd dit gedurende 5 minuten vol. Is de bloeding niet gestopt, neem contact op met de huisarts(enpost).

Snijwond

Snijwonden kunnen veroorzaakt worden door onder andere scharen, messen, spijkers of snijden aan papier of glas. Snijwonden zijn pijnlijke verwondingen.

Spoel de wond schoon. Dek de wond af met een wondpleister, een steriel kompres (vastgezet met kleefpleister), een snelverband of een elastisch of zelfklevend zwachtel. De keuze van het verband is afhankelijk van de plaats en de grootte van de wond.

De wondranden bij een snijwond kunnen uit elkaar staan. Je kunt de wondranden weer tegen elkaar plaatsen door het plakken van een zwaluwstaartje (geknipt uit kleefpleister) of hechtstrips. Je plakt één kant van de hechtstrip aan de ene kant van de wond. Houd deze met je duim op zijn plaats en trek er licht aan, zodat de wondranden naar elkaar toe getrokken worden. Plak de andere kant vast.

Plaats meerdere hechtstrips naast elkaar, steeds met een paar millimeter er tussen, afhankelijk van de grootte van de wond. Maak rond de wond de huid schoon en dek de wond steriel af.

Laat een eventueel voorwerp in de wond zitten.

Bel de huisarts(enpost) als:

  • het bloeden niet stopt;
  • de wond erg vuil is;
  • de wondranden erg rafelig zijn;
  • of als er nog iets in de wond steekt.

Splinterverwonding

Je kunt een splinter (bijvoorbeeld van hout of glas) of een steentje alleen met een pincet verwijderen als er een klein stukje uitsteekt:

  • pak de splinter zo dicht mogelijk bij de huid beet en
  • verwijder de splinter in de lengterichting.

Steekt er niets uit, is de splinter lastig te verwijderen of twijfel je of de hele splinter is verwijderd, bel de huisarts(enpost). Doe dit ook als er huid in een rits vastzit.

Schaafwond

Schaafwonden zijn pijnlijke wonden. Het bovenste laagje van de huid is stuk. Je ziet kleine bloedende stipjes: dit zijn beschadigde haarvaten. Bij een schaafwond op onbedekte huid kun je er vanuit gaan dat er (straat)vuil in de wond zit.

Spoel de wond schoon met lauw, zacht stromend water. Laat de wond het liefst drogen aan de lucht. Zit de wond onder kleding dan moet deze steriel afgedekt worden. Zalfgaas houdt de schaafwond soepel, zorgt voor een betere doorbloeding en kan leiden tot minder littekenweefsel.

Ga met grote schaafwonden naar een huisarts(enpost).

Steekwond

Een steekwond is een kleine, vaak diepe wond, ontstaan door het steken met een mes, schaar, priem of iets dergelijks.

Als het voorwerp zich nog in het lichaam bevindt, laat het zitten. Het eruittrekken beschadigt het weefsel of verergert een bloeding. Steekt er niets uit de wond, dan kun je de wond met een passend verband verbinden.

Afhankelijk van de diepte en de plaats waar de steekwond zich bevindt bel je de huisarts(enpost) of 112.

Scheurwond

Scheurwonden kunnen ontstaan door achter een spijker te blijven hangen of bij het openhalen aan prikkeldraad. Scheurwonden kunnen ook ontstaan door een beet.

Scheurwonden zijn altijd lelijke wonden. De wondranden zijn rafelig en soms ontbreekt er een stuk van de huid.

Zijn de verwondingen toegebracht door een (huis)dier, zorg ervoor dat het dier uit de ruimte verwijderd wordt. Spoel de wond schoon. Dit soort wonden moeten altijd door een arts gezien worden in verband met infectiegevaar.

2.11 Verbanden

Verbanden worden aangelegd op een uitwendige wond, met als doel het voorkomen van besmetting en (verder) bloedverlies.

Verband kan ook steun geven bij bijvoorbeeld kneuzingen van de ledematen.

Het te gebruiken verband voor uitwendige wonden moet aan een aantal eisen voldoen:

  • het verband moet steriel zijn;
  • het verband moet direct op de juiste plaats worden aangelegd en mag daarna niet meer worden verschoven;
  • het verband mag niet knellen.

Er zijn verschillende soorten verbandmateriaal. De keuze is afhankelijk van de wond (grootte, ernst) en waar de wond zich bevindt.

Een wond kan afgedekt worden met een wondpleister, een steriel niet-verklevend kompres (vast te zetten met kleefpleister of een zwachtel), snelverband of wondsnelverband.

Snelverband heeft een niet-verklevend wondkussen, een korte en een lange zwachtel. Wondsnelverband zit gevouwen in de verpakking en heeft kleefpleisters aan het uiteinde van de windsels.

Het aanleggen van een wondsnelverband

  1. Maak de verpakking open en haal het verband uit de verpakking, zonder het open te vouwen.
  2. Haal de beschermstrook van de kleefpleister van de korte zwachtel.
  3. Neem een windsel in elke hand en houd het verband met het wondkussen boven de wond.
  4. Zet de kleefpleister van de korte zwachtel vast op de huid.
  5. Zie er op toe dat het wondkussen de gehele wond afdekt.
  6. Wikkel de lange zwachtel geheel af.
  7. Verwijder de beschermstrook van de kleefpleister aan de lange zwachtel en kleef het wondsnelverband vast.

Het aanleggen van een snelverband

Een snelverband moet als volgt worden aangelegd:

  1. Kies een snelverband dat geschikt is voor de wond.
  2. Knip enkele stukjes kleefpleister.
  3. Maak de verpakking open en haal het verband uit de verpakking, zonder het open te rollen.
  4. Neem het uiteinde van de rol in de hand en wikkel een stukje verband af totdat het wondkussen geheel zichtbaar is.
  5. Plaats het wondkussen rechtstreeks op de wond.
  6. Wikkel de rol helemaal af en zorg ervoor dat het wondkussen geheel wordt afgedekt door het windsel.
  7. Zet het uiteinde van het afgerolde snelverband met de stukjes kleefpleister vast.

Het aanleggen van een wonddrukverband

Een wonddrukverband wordt aangelegd wanneer bloed door het (wond)snelverband heen komt.

Je hebt de volgende materialen nodig:

  • een zwachtel waarvan de breedte geschikt is voor het gewonde lichaamsdeel;
  • stukjes kleefpleister.

Een wonddrukverband moet als volgt rond het (wond)snelverband worden aangelegd:

  1. Neem de zwachtel zó in de hand, dat in de rol gekeken kan worden.
  2. Zet aan, ruim onder het (wond)snelverband.
  3. Zwachtel zo strak mogelijk, in de richting van de romp.
  4. Bedek met elke slag twee derde van de vorige slag.
  5. Zorg ervoor dat het (wond)snelverband geheel bedekt is.
  6. Eindig ruim boven het (wond)snelverband.
  7. Fixeer de zwachtel met de stukjes kleefpleister.
2.12 Brandwonden

Een brandwond is een ernstig letsel. Een adequate eerstehulpverlening kan de ernst van de verwonding beperken en schadelijke gevolgen op termijn ver minderen. Een brandwond is een beschadiging van de huid als gevolg van warmte-inwerking door vuur, explosie, hete vloeistoffen of contact met hete oppervlakken. Letsels veroorzaakt door elektriciteit, bliksem of chemische producten worden ook tot de brandwonden gerekend.

De ernst van brandwonden wordt bepaald door:

  • de diepte
  • de grootte
  • de plaats
  • de oorzaak

De kans op herstel is mede afhankelijk van leeftijd, lichamelijke gesteldheid en aanwezigheid van andere letsels.

Diepte van de verbranding

Brandwond      Huid symptomen     Actie
Eerstegraads
  • rood
  • licht gezwollen
  • pijnlijk
  • koelen met water
Tweedegraads
  • rood
  • licht gezwollen
  • pijnlijk
  • vertoont blaren
  • koelen met water
  • zo mogelijk steriel afdekken (metalline)
Derdegraads
  • grauwwit (gekookt) of zwart (verkoold)
  • soepelheid verloren
  • pijnloos
  • koelen met water
  • zo mogelijk steriel afdekken (metalline)

Grootte verbrand lichaamsoppervlak

De grootte van de brandwond is niet alleen van belang voor de lokale behandeling, maar vormt ook een graadmeter voor de ernst van de verbranding.

Er kan een shock ontstaan wanneer het lichaam voor meer dan 10% is verbrand. De grootte van de brandwond kan worden bepaald met het handoppervlak (met gestrekte vingers) van het slachtoffer. Het handoppervlak omvat ruim 1% van zijn lichaamsoppervlak.

De regel van negen is een alternatieve methode voor het vaststellen van de grootte van de brandwond. Het lichaamsoppervlak wordt bij deze methode in vlakken van 9% verdeeld.

Eerste hulp bij brandwonden

De eerste hulp bestaat uit:

  • het opheffen van de oorzaak van de verbranding;
  • het inroepen van deskundige hulp;
  • het koelen van de brandwond;
  • het steriel afdekken van de brandwond.

Het opheffen van de oorzaak van de verbranding

Het vuur moet zo snel mogelijk gedoofd worden als het slachtoffer nog in brand staat. Kleding die door benzine in brand is geraakt, kan met water geblust worden. Brandende vloeistoffen zelf kunnen niet met water geblust worden: gebruik een blusdeken of schuimblusser.

Help het slachtoffer te gaan liggen. Vermijd dat het slachtoffer gaat staan of (weg)loopt. Een liggend slachtoffer kan (je) over de grond rollen om de vlammen te doven. Probeer te voorkomen dat hoofd en hals in contact komen met de vlammen.

Het slachtoffer kan in een blusdeken, jas of kleed worden gewikkeld als er geen bluswater binnen handbereik is. Gebruik nooit een jas, kleed of deken van synthetisch materiaal (zoals een isolatiedeken). Synthetisch materiaal is licht ontvlambaar en heeft de neiging aan de verbrande huid vast te kleven.

Wikkel de deken of jas vanaf de hals richting de voeten. Zorg dat het hoofd van het slachtoffer vrij blijft.

Het inroepen van deskundige hulp

Bij ernstige en/of uitgebreide verbrandingen of inhalatietrauma bel je 112.

Bij minder ernstige tweede- en derdegraadswonden bel je de huisarts(enpost).

Het koelen van een brandwond

De eerste hulp bij brandwonden bestaat onder andere uit het koelen om de warmte zo snel mogelijk af te voeren. Verdere verbranding wordt met koelen tegengegaan en het vermindert de pijn. Lang en intensief koelen kan leiden tot onderkoeling. Controleer iedere minuut of het slachtoffer niet teveel afkoelt.

Probeer voor het koelen kleding, luiers en sieraden te verwijderen. Mocht de kleding echt vast zitten, knip de stof eromheen los.

Koelwater mag niet te koud zijn (bij voorkeur tussen 15 ̊C en 30 ̊C). Een harde straal water direct op de brandwond is pijnlijk en moet worden vermeden. Koel 10 - 20 minuten. Heb je geen kraanwater voorhanden, gebruik desnoods slootwater!

Een slachtoffer met grote verbrandingen kan ook onder een douche geplaatst worden.

Het steriel afdekken van een brandwond

Tweede- en derdegraadsbrandwonden moeten steriel worden afgedekt, met plastic huishoudfolie, niet-verklevend steriel kompres/verband of een schone doek. Een kompres wordt losjes bevestigd met een daaromheen gewikkeld zwachtel.

Bij uitgebreide brandwonden wordt het slachtoffer in een metallinelaken of een schoon laken gewikkeld. Breng het verband over de kleding aan, als de kleding echt aan de verbrande huid vastzit.

Smeer niets op de tweede- of derdegraadsbrandwond. Een arts kan de ernst van de verbranding dan niet goed beoordelen. Raak de brandwond ook niet aan.

Hydrogel

Er zijn speciale producten op de markt voor het koelen van brandwonden. Het basisproduct is een hydrogel.

De gel zorgt voor een langdurige koeling en vermindert de pijn. De gel kan eenvoudig met water worden afgespoeld.

Er bestaan sprays en gaaskompressen met gel.

Gebruik hydrogelproducten alleen dan, wanneer er geen stromend water voorhanden is. Heb je al met water gekoeld, dan mag je geen hydrogelproduct meer aanbrengen.

2.13 Wervelletsel, botbreuken, ontwrichtingen,  kneuzingen en verstuikingen

Bel 112 bij wervelletsel, open botbreuken en breuken of ontwrichtingen van been, heup en bekken, bij blauwe of zeer bleke ledematen en bij hevige pijn.

Bel de huisarts(enpost) bij breuken of ontwrichtingen van schouder, arm, elleboog, pols, hand, knie, voet of enkel. Zorg in overleg met de arts voor het vervoer van het slachtoffer naar het ziekenhuis.

Vraag het slachtoffer eventuele sieraden van een gewond lichaamsdeel te verwijderen of help hem daarbij. Er bestaat gevaar voor afknelling door zwelling.

Wervelletsel

Je hebt 112 al gebeld. Een slachtoffer met mogelijk wervelletsel moet stil blijven liggen. Probeer zijn hoofd vast te houden in de gevonden positie. Doe dit niet als het slachtoffer onrustig is of als hij dit niet wil.

Botbreuken

We onderscheiden twee soorten botbreuken:

  • open botbreuken: het bot is gebroken en de huid is ter plaatse kapot (huidwond);
  • gesloten botbreuken: het bot is gebroken, maar de huid is onbeschadigd.

Een botbreuk is te herkennen aan:

  • pijn op de plaats van de breuk;
  • een zwelling op de plaats van de breuk door een onderhuidse bloeding of doordat een bot door verplaatsing tegen de huid drukt;
  • het niet kunnen gebruiken van het gebroken lichaamsdeel;
  • moeite met ademhalen als het een ribbreuk betreft;
  • een abnormale stand;
  • een abnormale beweeglijkheid;
  • het zichtbaar zijn van een uitwendige wond;
  • het hoorbaar kraken of voelbaar meegeven van het bot.

De volgende hulpmaatregelen kunnen genomen worden om de pijn van het slachtoffer te verminderen en verdere beschadiging van het getroffen lichaamsdeel te voorkomen:

  1. Laat, als het kan, het slachtoffer in de houding blijven waarin je hem hebt aangetroffen. Het verplaatsen van het slachtoffer kan zijn toestand verergeren.
  2. Je mag het gebroken lichaamsdeel niet in de goede positie terugbrengen of recht leggen. Dit geldt ook in het geval het lichaamsdeel bleek of blauw verkleurd is (wat kan duiden op een bedreigde circulatie).
  3. Laat het slachtoffer het gebroken lichaamsdeel zo mogelijk zelf ondersteunen door het voorzichtig vast te houden. Ondersteun een gebroken been in de gevonden positie met handen, tassen, jassen of een dekenrol (voorkom dat de voet omklapt).
  4. Leg een kompres losjes op de wond en plak het vierzijdig af als er een (bloedende) wond op de plaats van de breuk zichtbaar is.
  5. Zorg dat het getroffen lichaamsdeel zo min mogelijk bewogen kan worden.

Ontwrichtingen

Bij een ontwrichting is een gewricht uit de kom. Dit kan door een ruk aan een ledemaat zijn ontstaan. De hulpverlening is gelijk aan die van botbreuken.

Probeer niet zelf het gewricht op zijn plaats te krijgen. De kans is groot dat er extra schade ontstaat.

Kneuzingen en verstuikingen

Een kneuzing is een beschadiging van bindweefsel en spieren tussen de huid en het bot. Het kan veroorzaakt worden door een slag of een stoot. Een soortgelijke beschadiging van een gewricht noemen we een verstuiking of verzwikking.

Kneuzingen kunnen over het hele lichaam voorkomen. Ze zijn (vaak later) herkenbaar aan blauwe plekken of zwellingen en zijn altijd pijnlijk. Een gekneusd lichaamsdeel kan de beweging belemmeren.

De eerstehulpverlening bestaat met name uit het koelen van het gekneusde lichaamsdeel. Koel niet wanneer er sprake is van een overduidelijke breuk.

Koel het gekneusde lichaamsdeel met stromend water, een koude washand, een coldpack of ijsblokjes. Wikkel om koudeletsels te voorkomen bij gebruik van coldpack of ijsblokjes, de bijgeleverde hoes of een theedoek om het koelmiddel. Koel 10 - 20 minuten, afhankelijk van hoe lang het slachtoffer het volhoudt (herhalen mag). Koelen gaat de zwelling tegen en helpt tegen de pijn. Neemt de pijn toe, stop dan met koelen.

Na het koelen kun je het gekneusde lichaamsdeel steun en rust geven. Laat het slachtoffer zelf zijn gekneusde hand, pols of arm ondersteunen.

Leg, als het slachtoffer dat wil, een steunverband aan.

Doe dit op dezelfde wijze als het aanleggen van een wonddrukverband, echter niet zo strak. Laat het snelverband achterwege. Een coldpack mag mee worden ingezwachteld, echter voor maximaal 20 minuten.

Haal het steunverband eraf bij toename van de pijn of als vingers of tenen blauw/bleek verkleuren.

De huisarts(enpost) kan gebeld worden als de pijn aanzienlijk verergert of als het slachtoffer meteen na het verstuiken van zijn enkel zonder hulp niet meer dan 4 stappen kan lopen.

2.14 Letsels aan het oog

Men noemt oogletsel ernstig wanneer dit verder gaat dan een vuiltje in het oog.

Bel bij ernstig oogletsel altijd met de huisarts(enpost): ernstig oogletsel kan leiden tot blindheid.

De taak van de hulpverlener is voornamelijk gericht op het geruststellen van het slachtoffer.

Controleer het slachtoffer op de volgende verschijnselen:

  • pijn in één of beide ogen;
  • een rood oog;
  • tranende ogen;
  • toegeknepen ogen;
  • een vervormde pupil;
  • angst, onrust;
  • verminderd gezichtsvermogen.

Zorg ervoor dat het slachtoffer niet in de ogen wrijft! Verwijder contactlenzen niet! Vervoer het slachtoffer zittend.

Handel als volgt bij een vuiltje in het oog:

  1. Verwijder het vuiltje alleen als het zich op het oogwit bevindt.
  2. Trek met duim en wijsvinger de oogleden voorzichtig van elkaar.
  3. Prik het vuiltje aan met de punt van een gaasje of veeg het vuiltje naar de binnenste ooghoek. Je mag niet over het gekleurde deel van het oog vegen.
  4. Laat het slachtoffer eerst naar boven kijken en trek het onderste ooglid naar beneden en vice versa, wanneer het vuiltje niet zichtbaar is.
  5. Bel een huisarts(enpost) als het je niet lukt het vuiltje te verwijderen of als het zich op het hoornvlies bevindt.

Handel als volgt bij een doordringend voorwerp in het oog:

  1. Bel de huisarts(enpost).
  2. Verwijder het voorwerp niet.
  3. Dek het oog af met een oogkapje, al dan niet zelf vervaardigd.

Handel als volgt bij een chemische stof in het oog of verbranding van het oog:

  1. Bel de huisarts(enpost).
  2. Spoel het geopende oog 15 minuten.

Het spoelen van het oog

  1. Laat het slachtoffer zo mogelijk gaan liggen.
  2. Houd het oog open of laat dit door een ander doen.
  3. Spoel het oog met lauw, zacht stromend water gedurende tenminste 15 minuten.
  4. Je kunt ook een oogspoelfles of oogdouche gebruiken.
  5. Vraag het slachtoffer om, tijdens het spoelen, het oog in alle richtingen te draaien.
  6. Zorg ervoor dat het spoelwater niet in het andere oog komt!

Lasogen

Lasogen kunnen ontstaan door ultraviolette straling van lasapparatuur, zonnebank of felle zon op sneeuw. Ultraviolette straling kan het hoornvlies beschadigen. De verschijnselen zijn tranende ogen, hevige, stekende pijn en/of rode ogen. Lasogen kunnen soms pas na enkele uren optreden. Bel de huisarts(enpost).

Stomp oogletsel

Er kan schade aan of rondom het oog (oogkas) ontstaan, als bijvoorbeeld een harde bal het oog raakt. Dit letsel is niet altijd waarneembaar. Het slachtoffer klaagt over onscherp zien. Bel de huisarts(enpost).

2.15 Vergiftigingen

Er kan sprake zijn van inwendige of uitwendige vergiftiging.

Vergiftigingen zijn onder te verdelen in drie categorieën:

  • ingeademd giftig gas;
  • ingeslikte giftige stof;
  • giftige stof op de huid.

In alle gevallen van vergiftiging geldt: bel 112 als het slachtoffer bewusteloos is, erg benauwd of nauwelijks reageert. De eerstehulpverlening volgt de instructies beschreven in de veiligheids(informatie)bladen van de betreffende gevaarlijke stof.

In bedrijven waar met giftige stoffen wordt gewerkt is vaak een nooddouche voor het direct af kunnen spoelen van een giftige stof op de huid (let op: sommige giftige poeders mogen niet met water in aanraking komen; borstel ze eerst af).

2.16 Ziekteverschijnselen

Bel de huisarts(enpost) bij de volgende ziekteverschijnselen:

  • benauwdheid;
  • piepend ademhalen;
  • even stoppen met ademhalen;
  • sufheid of verwardheid;
  • ophoesten van bloederig slijm;
  • het niet binnen kunnen houden van drinken;
  • koorts die niet is gedaald na tenminste twee dagen gebruik van antibiotica.

Bel 112 bij twijfel in ernstige situaties. Zij zullen bepalen of er een ambulance nodig is of doorverwijzing naar een arts.

2.17 Het verplaatsen van een slachtoffer uit een gevaarlijke situatie

Een slachtoffer moet in principe worden geholpen op de plaats van het ongeval.

Er kunnen zich situaties voordoen, waarin je het slachtoffer moet verplaatsen. Er kan gevaar zijn voor het slachtoffer of hij is moeilijk bereikbaar voor het ambulancepersoneel.

Het verplaatsen van een slachtoffer moet altijd voorzichtig gebeuren om te voorkomen dat het letsel verergert.

De wijze van verplaatsen van het slachtoffer hangt af van:

  • de omstandigheden (bijvoorbeeld duisternis, gevaarlijk terrein);
  • de aard van het letsel;
  • de beschikbare hulpmiddelen;
  • de gevaarssituatie (bijvoorbeeld direct instortings- of ontploffingsgevaar);
  • of het slachtoffer al dan niet bewusteloos is;
  • het gewicht van het slachtoffer;
  • het aantal hulpverleners.

Wanneer het slachtoffer bij bewustzijn is en in staat is om te hinkelen, help je hem als volgt:

  1. Ga aan de gewonde zijde van het slachtoffer staan.
  2. Laat het slachtoffer een hand op je schouder leggen.
  3. Loop met het hinkelende slachtoffer mee.

Het verplaatsen met behulp van de Rautekgreep wordt gedaan als het slachtoffer zelf niet kan lopen of hinkelen.

Verplaatsen van een slachtoffer met behulp van de Rautekgreep door 1 hulpverlener

  1. Kniel achter het slachtoffer.
  2. Breng het slachtoffer in een zittende houding. Voorkom daarbij dat het slachtoffer voorover valt.
  3. Schuif je armen onder zijn oksels door (linkerhand via zijn linkeroksel, rechterhand via zijn rechteroksel).
  4. Pak met je handen de horizontale arm van het slachtoffer.
  5. Pak de gezonde arm als de andere gekwetst is.
  6. Houd je vingers en duimen aaneengesloten.
  7. Ga dicht tegen het slachtoffer zitten, je voeten en knieën aan weerszijden van het lichaam.
  8. Til hem op door je benen te strekken.

Verplaatsen van een slachtoffer met behulp van de Rautekgreep door 2 hulpverleners

De hulpverlener, die het slachtoffer in de Rautekgreep vast heeft, ondersteunt het bovenlichaam van het slachtoffer. De tweede hulpverlener ondersteunt de benen, door één been over het andere te leggen. Leg een gewond been over het gezonde been.

Verslepen van een slachtoffer

Als het niet anders kan, versleep het slachtoffer op wat voor manier dan ook. Bijvoorbeeld door aan de enkels te trekken.

Eerstehulp schema

In het schema hierna worden de handelingen weergegeven in het geval eerste hulp kan worden gegeven. Wanneer er gevaar is voor de hulpverlener is dit niet het geval en moet hij volstaan met het afstand houden en 112 bellen.

 

Rond de toets Eerste Hulp af om verder te gaan

BHV Algemeen

1.1.  Inleiding

In de Arbowet is opgenomen dat het verplicht is voor werkgevers om minimaal één BHV’er aan te stellen. Het aantal BHV'ers is afhankelijk van onder andere de grootte van het bedrijf of de instelling, de risico's, het aantal aanwezigen inclusief bezoekers en het aantal niet- zelfredzame personen.

De werkgever bepaalt het juiste aantal BHV’ers op basis van de Risico Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E). Met een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) worden de veiligheids- en gezondheidsrisico’s binnen een bedrijf in kaart gebracht. Kijk voor meer informatie op RIE.nl

De werkgever dient eerste hulpmiddelen (zoals een verbanddoos en blusmiddelen) en juiste persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. De BHV’er moet de BHV-taken verrichten naast zijn reguliere werkzaamheden.

Taken van de BHV'er bij een incidentmelding

Na een incidentmelding gaat de BHV'er naar de plaats van het incident. Liefst samen met een tweede BHV'er.  De BHV'er neemt bij mogelijk letsel een EHBO-doos en eventueel een AED mee. Bij een brandmelding wordt een draagbaar blusmiddel meegenomen.

De BHV’er zorgt dat hij zo snel inzicht krijgt in de situatie die hij aantreft. De BHV'er gaat geen risico's aan die de veiligheid in gevaar brengt. Ook het mogelijke gevaar voor het slachtoffer of omstanders. Een BHV’er is geen brandweerman of ambulanceverpleegkundige. Hij heeft daar geen opleiding voor en beschikt ook niet over de persoonlijke beschermings- en hulpmiddelen.

De BHV'er beoordeelt of hij zelf hulp (Eerste hulp, Brandbestrijding, Ontruiming) kan verlenen of dat hij 112 moet (laten) bellen. De centralist stelt vragen om aan de hand van de antwoorden te bepalen welke hulpdienst nodig is. Ook kan hij aanwijzingen geven hoe verder hulp te verlenen. Als de situatie wijzigt, beoordeelt de BHV'er de situatie opnieuw.

De BHV'er vangt hulpdiensten (ambulance, brandweer of politie) op en licht ze in. Hij koppelt de actuele situatie terug ​naar ​het management. Het management kan direct maatregelen nemen zoals het alvast regelen van slachtofferhulp. Samen met het management evalueert hij het functioneren van de BHV-organisatie na afloop .

1.2  Incident of calamiteit

In het bedrijf waarin de BHV’er werkzaam is kunnen zich verschillende situaties voordoen, waarbij de BHV’er moet optreden om een slachtoffer te helpen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een incident en een calamiteit:
• een incident is een voorval of gebeurtenis die ingrijpen noodzakelijk maakt, maar de dagelijkse gang van zaken niet verstoort;
• een calamiteit is een gebeurtenis die de dagelijkse gang van zaken ernstig verstoort en het bedrijfsproces geheel of gedeeltelijk stillegt.

Het voorkomen van calamiteiten is belangrijk. Van een BHV’er mag worden verwacht dat hij bijvoorbeeld regelmatig de aanwezige vluchtwegen controleert.

1.3  De BHV-organisatie

Bij een groot bedrijf kan een BHV-organisatie worden opgezet met ploegleiders en eventueel een Hoofd BHV.

Het is altijd beter om hulp te verlenen samen met een andere BHV'er bij (een melding van) letsel, brand of andere calamiteit.

Herkenbaarheid van de BHV'er
Het is, vooral bij ontruiming, wenselijk dat de BHV’er als zodanig herkenbaar is. Hij trekt hiervoor een (oranje of geel) hesje aan of een armband met daarop de aanduiding BHV.

De meldorganisatie
De BHV’er moet weten hoe de meldorganisatie in elkaar zit om goed te kunnen functioneren. Ieder bedrijf heeft een specifieke meldorganisatie.
De ontdekker van een incident meldt dit zoals in het bedrijf is afgesproken.

Een melding van een brand, ongeval of een verzoek om hulpverlening kan op meerdere manieren:
• telefonisch, via portofoon en/of mondeling;
• met automatische brandmelders of een brandmeldinstallatie (BMI);
• vanuit andere hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld ambulancedienst en politie.

De BHV'er wordt gewaarschuwd en onderneemt hierop actie. Hij zorgt dat hij binnen enkele minuten op de plaats van het incident is. Liefst samen met een andere BHV'er. De bedrijfshulpverlener maakt altijd melding van een incident waarbij hij een taak heeft verricht of gaat verrichten. Als de melding niet volgens de in het bedrijf vastgelegde procedure gedaan kan worden, moet het alarmnummer 112 (spoedeisend) of 0900-8844 gebeld worden.

Inroepen van professionele hulp
Laat, als de situatie dat vereist, de tweede hulpverlener of een omstander om hulp vragen (via het interne meldsysteem of rechtstreeks) zodat je zelf bij een slachtoffer kunt blijven. Vraag hem om daarna meteen terug te komen.

Als er geen tweede hulpverlener of omstander is, gebruik je jouw mobiele telefoon om te bellen. Zorg dat de belangrijkste telefoonnummers in je contacten staan zodat je snel kunt bellen.

112 is de centrale meldkamer voor het aanvragen van een ambulance, politie of brandweer bij direct levensbedreigende situaties, ernstige ongevallen of ziekten in bedrijven of in de openbare ruimte.

De centralist kan je onder andere om de volgende informatie vragen:
• het adres, om alvast de hulpdienst op weg te sturen;
• je naam;
• de aard van het ongeval;
• wat er is gebeurd;
• het aantal slachtoffers;
• de toestand van de slachtoffers;
• op welk nummer er teruggebeld kan worden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, ga je door met het verlenen van hulp. Zij bepalen wanneer je kunt stoppen en de hulpverlening van je overgenomen wordt.

Voorpostfunctie
De BHV’er heeft een voorpostfunctie. Hij verleent Eerste Hulp, bestrijdt een beginnende brand en start zo nodig met ontruimen. Hij overbrugt de tijd tot professionele hulpverleners ter plaatse zijn. De ambulance moet binnen 15 minuten ter plaatse zijn. Brandweer en Politie binnen 8 minuten.

Gidsfunctie
De externe hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en getraind voor hun taken. Zij hebben geen specifieke kennis van elk bedrijf binnen hun verzorgingsgebied.

De BHV’er is, gezien zijn opleiding en training, redelijk bekend met de werkwijze, taken, procedures en bevoegdheden van de externe diensten.

De externe hulpverleners zullen, vooral in complexe gebouwen en op omvangrijke terreinen, onvoldoende bekend zijn met de onheilslocatie. Ze doen, om snel ter plaatse te kunnen zijn, een beroep op de gidsfunctie van de bedrijfshulpverleners.

De BHV'er vangt de externe hulpverleningsdiensten op bij de toegang van het terrein waarop het bedrijf zich bevindt. Hij begeleidt ze naar de plek des onheils en staat ze bij.

De bedrijfshulpverleningsorganisatie zorgt ervoor dat bij de receptie/portiersloge een informant is, die antwoord kan geven op de volgende vragen:
• Wat is er aan de hand?
• Zijn er (nog) mensen in gevaar en zo ja, hoeveel?
• Zijn er slachtoffers en zo ja, hoeveel en waar bevinden zij zich?
• Wordt er al actie ondernomen? Zo ja: door wie en wat doen die personen?
• Zijn er gevaren die de hulpverlening kunnen bemoeilijken of juist vergemakkelijken?
• Hoe is de exacte locatie waar de professionele hulp nodig is te bereiken?

De informant kan zijn: de receptionist(e), de portier of de bedrijfshulpverlener die naar de receptie/portiersloge wordt gestuurd.

De hulpverleningsdiensten hebben behoefte aan plattegronden of informatiekaarten. De volgende informatie kan daarop worden gevonden:
• gebouw(en)- en terreinindeling;
• bestemming van de ruimten en/of terreinen;
• plaatsen waar eventueel gevaren kunnen ontstaan;
• plaatsen waar zich Eerste Hulp middelen, AED's, brandbestrijdings- en overige hulpverleningsmiddelen bevinden.

De meest geschikte plaats voor de plattegronden en informatiekaarten is de receptie of portiersloge. De externe hulpverleningsdiensten melden zich daar het eerst. Meldpanelen van de beveiligingssystemen voor brand, inbraak, wateroverlast, storingen en dergelijke bevinden zich daar meestal ook.

In sommige bedrijven is buiten de normale werktijden niemand aanwezig. De deuren kunnen op slot zijn, al dan niet met automatische beveiliging. Er kan een bewakingsfunctionaris of bewakingsdienst aanwezig zijn. Er zijn bedrijven waar in ploegendienst gewerkt wordt buiten de normale werktijden. Met de externe hulpverleningsdiensten moet afgesproken worden hoe de gebouwen en ruimten dag en nacht toegankelijk zijn. Dit is met name van belang voor bedrijven waar beveiligingsinstallaties met automatische doormelding aanwezig zijn.

Registratie

De BHV'er moet beschikken over de volgende checklists:

  • een lijst met de acties die hij moet ondernemen en de instanties en personen die hij moet waarschuwen;
  • een lijst waarop hij het afmelden en het tijdstip van afmelden van assistenten bij de ontruiming kan bijhouden;
  • een lijst van medewerkers en bezoekers.

De BHV'er kan, aan de hand van deze lijsten, de situatie snel overzien. Hij weet waar iedereen zich bevindt. Deze gegevens kan hij doorgeven aan de hulpdiensten. De BHV'er houdt, zo mogelijk, een logboek bij. In het logboek kunnen na de ontruiming aantekeningen worden gemaakt over het verloop ervan. De aantekeningen kunnen een weergave zijn van de acties of berichten en het tijdstip waarop deze zijn ondernomen, binnengekomen of verzonden. Een korte omschrijving van de actie of het bericht kan hier aan worden toegevoegd.

Rond eerst de toets af om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk

 

 

Tijdelijke aanvulling in verband met de COVID-19 pandemie (advies NRR versie 22 juni 2020)

Beperk in alle gevallen het aantal hulpverleners dat zich met de daadwerkelijke reanimatie bezighoudt tot maximaal twee.

Voor de reanimatie bij volwassenen geldt de normale richtlijn inclusief beademen tenzij de centralist van de meldkamer ambulancezorg anders aangeeft.

Reanimatie bij een slachtoffer met bewezen of veronderstelde COVID-19 besmetting: gebruik de AED, maar geef geen borstcompressies noch beademing.

Na de reanimatie: alle hulpverleners (die direct bij de reanimatie betrokken waren) moeten de handen en polsen desinfecteren.

Reanimatie bij kinderen tot de puberteit: de reanimatie bij kinderen is onveranderd.

Inleiding

Elk jaar krijgen in Nederland 15.000 mensen een circulatiestilstand buiten het ziekenhuis. Het uitvoeren van reanimatie vóór de aankomst van professionele hulpverleners is voor de slachtoffers van levensbelang. Meer dan de helft van de slachtoffers heeft een niet schokbaar hartritme. In het geval van een schokbaar ritme kunnen de overlevingskansen meer dan 60% bedragen, indien defibrillatie binnen enkele minuten plaatsvindt. Overleving bij ontslag uit het ziekenhuis neemt de laatste jaren toe en bedraagt iets meer dan 30%.

Volgorde van handelen bij de reanimatie van volwassenen

1. Zorg ervoor dat uzelf, omstanders en het slachtoffer veilig zijn.

2. Kijk of het slachtoffer reageert door voorzichtig aan zijn schouders te vragen (luid): “Gaat het?”

3a. Als het slachtoffer WEL reageert:

  • Laat het slachtoffer in de houding waarin u hem aantreft, mits er verder geen gevaar dreigt;
  • Probeer te achterhalen wat er aan de hand is en zorg zo nodig voor hulp;
  • Controleer het slachtoffer regelmatig.

3b. Als het slachtoffer NIET reageert:

  • Vraag een omstander een ambulance te bellen via 112 en vraag om een AED te brengen, als die beschikbaar is. Als u alleen bent, belt u zelf 112. Zet de telefoon bij voorkeur op de luidspreker, zodat u de aanwijzingen van de centralist kunt horen, terwijl u uw handen vrij heeft;
  • Draai het slachtoffer op zijn rug en maak de luchtweg open met de hoofdkantel- kinliftmethode: plaats 1 hand op zijn voorhoofd en duw voorzichtig het hoofd achterover;
  • Maak vervolgens de ademweg open door 2 vingertoppen onder de punt van de kin te plaatsen en deze omhoog te tillen.

4.  Houd de luchtweg open en kijk, luister en voel maximaal 10 seconden naar normale ademhaling:

  • Kijk of de borstkas omhoog komt;
  • Luister ter hoogte van mond en neus of u ademhaling hoort;
  • Voel met uw wang of er luchtstroom is;
  • Stel vast of de ademhaling normaal, niet normaal of afwezig is.

NB. In de eerste paar minuten na het ontstaan van de circulatiestilstand kan het zijn dat het slachtoffer amper ademhaalt, maar alleen af en toe een trage, happende adembeweging maakt, of onregelmatig en/of luidruchtig naar lucht hapt: dit is de "agonale ademhaling" of "gasping". Dit is geen normale ademhaling. Bij twijfel handelt u zoals bij niet-normale ademhaling: u start dan de reanimatie op.


Video: gasping oftewel agonale ademhaling

5a. Als het slachtoffer WEL normaal ademt:

  • Leg hem in de stabiele zijligging;
  • Controleer elke minuut of de ademhaling normaal blijft.

5b. Als het slachtoffer NIET ademt of niet normaal ademt, of als u twijfelt:

  • Start de reanimatie (borstcompressies en beademingen);
  • Alleen als een AED binnen uw bereik is, pakt u de AED, zie punt 7. Laat het slachtoffer zo nodig even alleen.
Borstcompressies

Voer borstcompressies als volgt uit:

  • kniel naast het slachtoffer ter hoogte van de bovenarm;
  • plaats de hiel van uw ene hand op het midden van de borstkas;
  • plaats de hiel van uw andere hand boven op de eerste;
  • raak de vingers van beide handen in elkaar. Zorg ervoor dat u geen directe druk uitoefent op de ribben, de onderste punt van het borstbeen of de bovenbuik;
  • positioneer uzelf loodrecht op de borstkas, en duw deze met gestrekte armen tenminste 5 centimeter in, maar niet meer dan 6 centimeter;
  • laat na elke borstcompressie de borstkas geheel omhoogkomen zonder het contact te verliezen. Herhaal de handeling met een frequentie van 100 tot 120 keer per minuut;
  • het indrukken en omhoog laten komen van de borstkas moet even lang duren.
Beademen

6. Combineer borstcompressies met mond-op-mondbeademingen:

  • Maak na 30 borstcompressies de luchtweg open met de hoofdkantel-kinliftmethode;
  • Knijp de neus van het slachtoffer dicht met 2 vingers van de hand die op zijn voorhoofd rust;
  • Houd de kin omhoog en zorg dat de mond iets open blijft;
  • Neem zelf een normale ademteug, plaats uw lippen om de mond van het slachtoffer en zorg voor een luchtdichte afsluiting;
  • Blaas rustig in gedurende 1 seconde als bij een normale ademhaling. Als u ziet dat de borstkas omhoog komt, dan heeft u een effectieve beademing gegeven;
  • Haal uw mond van die van het slachtoffer en kijk of de borstkas weer naar beneden gaat;
  • Geef op dezelfde wijze de tweede beademing;
  • Onderbreek het geven van compressies maximaal 10 seconden om 2 beademingen te geven;
  • Plaats direct uw handen weer in het midden van de borstkas en geef 30 borstcompressies;
  • Ga door met borstcompressies en beademingen in de verhouding 30:2;
  • Onderbreek de reanimatie niet, behalve als het slachtoffer (goed) bij bewustzijn komt. Dit uit zich meestal doordat het slachtoffer zich beweegt, zijn ogen opent en normaal begint te ademen.

Als de borstkas niet omhoog komt bij een beademing:

  • Inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare luchtwegbelemmering.
  • Controleer of u de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert.
  • Geef niet meer dan 2 beademingen per keer en ga onmiddellijk door met 30 borstcompressies.
  • Als een tweede hulpverlener aanwezig is, los elkaar dan elke 2 minuten af, om vermoeidheid te voorkomen. Onderbreek bij het aflossen de borstcompressies zo kort mogelijk.

Als het slachtoffer gaat braken tijdens de reanimatie dient u het slachtoffer snel (naar u toe) opzij te draaien en de mondholte globaal vrij van braaksel te maken. Dit heet de snelle kantelmethode. Dit dient uiteraard vlot plaats te vinden.

Stop niet met de reanimatie totdat:

  • professionele zorgverleners zeggen dat u mag stoppen; of
  • het slachtoffer bij bewustzijn komt: zich beweegt, zijn ogen opent en normaal begint te ademen; of
  • u uitgeput bent; of
  • u een niet-reanimerenverklaring vindt, die bij het slachtoffer hoort.

Het terugkeren van de circulatie door alléén borstcompressies en beademen is zeer zeldzaam. U kunt er pas van uitgaan dat de circulatie weer hersteld is, als het slachtoffer:

  • bij bewustzijn komt, en
  • beweegt, en
  • zijn ogen opent, en
  • normaal ademt.

Alleen dan legt u het slachtoffer in de stabiele zijligging. Maar blijf steeds de ademhaling controleren. Blijf paraat om direct de reanimatie weer te starten.

ROND NU DE EERST DE TOETS ' REANIMATIE VAN VOLWASSENEN" AF OM VERDER TE GAAN

 

Brandbestrijding

3.1 Inleiding

De bedrijfshulpverlener levert ook een bijdrage aan de brandbestrijding.

Hij moet bekend zijn met de principes van de verbranding en van het blussen. De BHV’er moet de verschillende soorten branden kunnen onderscheiden, zodat hij goed en veilig ingezet kan worden bij brandbestrijding.

Er zijn diverse soorten blusstoffen die bij brandbestrijding gebruikt kunnen worden. De BHV’er kan gebruik maken van kleine blusmiddelen. Voorbeelden van kleine blusmiddelen zijn blusdekens, brandslanghaspels, sprayblussers, poederblussers, koolzuursneeuwblussers en schuimblussers.

De bedrijfshulpverlener:

  • kan een kleine brand beperken en bestrijden;
  • kan veiligheidsvoorzieningen gebruiken;
  • (her)kent de belangrijkste functies van de brandpreventieve maatregelen en voorzieningen;
  • kan de branddriehoek toepassen;
  • kent de ontwikkeling van een brand.

Een kleine brand beperkt zich tot het voorwerp of de plaats waar de brand is ontstaan. Het vuur is nog niet overgeslagen naar de omgeving. We spreken van een kleine brand als de vlammen kleiner zijn dan de eigen arm (ca. 70 cm).

Naast vlammen kan er ook rook te zien zijn. Rook is nog gevaarlijker dan vuur. Wanneer de rook een dunne laag vormt, ruim boven het hoofd van een volwassen persoon, dan is de brand in de meeste gevallen zonder veel risico door de BHV'er te blussen.

Blus niet zelf, sluit de deur van de ruimte waarin de brand woedt, bel of laat 112 bellen en begin met de ontruiming als:

  • de vlammen groter zijn dan de eigen arm (circa 70 cm);
  • de rook in een dikke laag vlak boven het hoofd van een volwassen persoon hangt.

3.2 Taken van de bedrijfshulpverlener bij brand

De BHV’er moet in actie komen, zodra in een bedrijf brand wordt ontdekt. Alle activiteiten met betrekking tot de brandbestrijding vallen onder zijn verantwoordelijkheid. De activiteiten zijn gericht op het voorkomen en beperken van ongevallen en schade en op het onderdrukken van brand.

De BHV’er zal, na het ontdekken van een brand, snel moeten reageren. De juiste maatregelen zullen in de juiste volgorde moeten worden uitgevoerd.

De belangrijkste taken voor de BHV’er bij brand zijn:

Alarmeren

Een brand moet altijd gemeld worden volgens de brandinstructies. De melding wordt over het algemeen gedaan conform de in het bedrijf geldende procedures of via het landelijke alarmnummer 112. De centralist zal onder andere vragen waar de brand is, wat er brandt en hoeveel personen er aanwezig zijn.

Het blussen van een kleine brand

Denk, bij het blussen van een kleine brand, steeds aan je eigen veiligheid en die van anderen. Er vallen over het algemeen meer slachtoffers door de gassen en dampen die bij een brand vrijkomen (de rook), dan door het vuur zelf.

Kun je de kleine brand niet blussen:

    • sluit dan ramen en deuren;
    • bel 112 of laat 112 bellen;
    • begin met de ontruiming.

Het verlenen van hulp aan collega’s en/of bezoekers

Wijs collega’s en/of bezoekers de veilige vluchtweg en de verzamelplaats. Zij moeten tot nader order op de verzamelplaats blijven, zodat kan worden nagegaan of er nog mensen worden vermist. Sta niet toe dat het gebouw weer betreden wordt.

Het opvangen van de brandweer

Zorg voor de opvang van de brandweer en wijs hen de weg op de terreinen en in de gebouwen. Duid de mogelijke risico's voor de hulpverleners, bijvoorbeeld de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Houd aan- en afvoerwegen vrij voor de externe hulpdiensten.

Ontruimingsmaatregelen nemen

Is er voor het bedrijf een ontruimingsplan opgesteld, dan moet bij een ontruiming gehandeld worden zoals aangegeven in dit plan.

3.3  Het verbrandingsproces

Een brand is mogelijk als de volgende drie elementen aanwezig zijn:

  • brandbare stof
  • zuurstof
  • ontbrandingstemperatuur

De drie elementen moeten aanwezig zijn bij een verbranding met vuurverschijnselen.

Een verbranding is een scheikundige reactie van een brandbare stof met zuurstof, die gepaard gaat met warmte en vlamverschijnselen.

Om de verbranding van een brandbare stof te onderhouden, moet:

  • de stof tot boven de ontbrandingstemperatuur worden verhit én
  • voldoende verbrandingslucht worden toegevoegd én
  • de stof voldoende brandbaar zijn (kunnen vergassen).

Een brand kan worden voorgesteld als een driehoek. Wordt uit de branddriehoek één van de zijden weggenomen, dan is de driehoek niet langer gesloten. De brand dooft uit.

Een brand wordt geblust door het wegnemen van één of meer van de drie factoren:

  • brandbare stof (bijvoorbeeld het dichtdraaien van de gaskraan);
  • zuurstof (de zuurstoftoevoer verhinderen: verstikken);
  • ontbrandingstemperatuur (door afkoeling: het wegnemen van warmte of verlagen van de temperatuur).

De werking van de verschillende blusstoffen is hierop gebaseerd. Afhankelijk van de situatie wordt voor een bepaalde blusmethode en een bepaalde blusstof gekozen.

De diverse stadia van brand

Zuurstof, een voldoende hoge temperatuur én een brandbare stof zijn nodig voor het ontstaan en het instandhouden van een brand. Brandbare stoffen zijn bijvoorbeeld:

  • hout, papier, textiel en kolen (vaste vorm);
  • benzine en olie (vloeibare vorm);
  • aardgas, acetyleen, butaan, propaan en LPG (gasvorm).

Er zijn ook brandbare stoffen die tijdens de brand overgaan van een vaste vorm in een vloeibare vorm. Voorbeelden zijn kaarsvet en wasproducten.

Er zijn verschillende verschijnselen zichtbaar bij verbranding: vlammen, gloedverschijnselen, smeulverschijnselen of een combinatie hiervan. De verschijnselen zijn afhankelijk van de samenstelling van de brandbare stof. Met behulp van deze verschijnselen en het moment waarop deze zich voordoen, kun je bepalen in welk stadium de brand zich bevindt:

  • Smeulstadium
    De brand komt niet tot ontwikkeling door gebrek aan zuurstof. Er komen veel brandbare gassen vrij, maar weinig warmte.
  • Vlammenstadium
    Er is voldoende zuurstof aanwezig. De brand komt snel tot ontwikkeling. Er vindt een grote warmteafgifte plaats.
  • Gloeistadium
    Er zijn geen brandbare gassen (meer) aanwezig.

Enkele begrippen met betrekking tot brand en verbranding

Hieronder tref je een aantal van de belangrijkste begrippen aan met betrekking tot brand en verbranding.

Brand is een ongewenste, zich ongehinderd uitbreidende en schade of gevaar veroorzakende verbranding.

Ontbrandingstemperatuur is de temperatuur waarbij een stof tot ontbranding overgaat.

Vlampunt is de temperatuur waarbij een vloeistof nog net voldoende damp afgeeft om vlam te kunnen vatten.

Voortgang verbrandingsproces is de wijze, waarop een brand zich ontwikkelt.

De voortgang van het verbrandingsproces is afhankelijk van de aanwezigheid van zuurstof. De brand wakkert aan door aanvoer van normale omgevingslucht. In de omgevingslucht zit 21% zuurstof. Toevoer van zuivere zuurstof (100% zuurstof) geeft een fellere en snellere verbranding. De brand gaat uit bij een zuurstofgehalte dat onder de 14% ligt. Als niet alle brandbare stof direct in contact staat met de lucht, zal het verbrandingsproces langer duren.

Explosieve verbranding is een zeer snelle verbranding met een vermenging van lucht met een gas, damp of vaste, zeer fijne stofdeeltjes. De verbranding vindt in alle richtingen plaats.

Steekvlam is een, in één richting optredende, snelle verbranding van een mengsel van lucht met een gas, damp of zeer fijne stofdeeltjes.

3.4 Brandklassen

Branden worden ingedeeld in brandklassen van A tot en met F. De brandklassen zijn:

Klasse A Vastestofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vaste vorm heeft.

Klasse B Vloeistofbranden

Branden waarbij de brandbare stof een vloeibare vorm heeft of deze vorm tijdens de brand aanneemt.

Klasse C Gasbranden

Branden waarbij de brandbare stof een gasvormige toestand heeft.

Klasse D Metaalbranden

Klasse F Branden met brandbare vetten, olie of bitumen

In veel gevallen is sprake van een combinatie van deze klassen. De volgende situatie is daar een voorbeeld van:

Een elektriciteitsbrand is een bijzonder soort brand.

Een elektriciteitsbrand is een brand die gevoed wordt door elektriciteit. De spanning van de spanningvoerende delen kan niet worden uitgeschakeld. Elektriciteit kan een vaste stof brand, vloeistofbrand of gasbrand veroorzaken, door kortsluiting, vonkvorming en oververhitting. In deze gevallen spreek je niet van een elektriciteitsbrand.

Er wordt gesproken van een vaste stof-, vloeistof- en/of gasbrand, in het geval elektriciteit alleen de ‘aansteker’ van de brand is.

Er is sprake van een elektriciteitsbrand als de elektriciteit niet uitgeschakeld kan worden en de brand in standhoudt.

3.5 Blusstoffen, blusmiddelen en blusregels

De blusstoffen zijn in drie groepen te verdelen:

Natte blusstoffen

  • water;
  • sproeischuim.

Droge blusstoffen:

  • droog zand;
  • blusdeken;
  • blusdeken.

Gasvormige blusstoffen:

  • De door de BHV'er te gebruiken gasvormige blusstof heet kooldioxide (CO2 , koolzuurgas of koolzuursneeuw).

Kleine blusmiddelen

Onder kleine blusmiddelen vallen draagbare blustoestellen, blusdekens en vaste slanghaspels. Deze blusmiddelen worden onderverdeeld in die met een onbeperkte en een beperkte werkingsduur. Brandslanghaspels zijn net als blusdekens kleine blusmiddelen met een onbeperkte werkingsduur. Draagbare blustoestellen daarentegen hebben, afhankelijk van de inhoud, een korte werkingsduur, vaak niet meer dan 30 seconden.

Een BHV’er kan snel met kleine blusmiddelen ingrijpen bij een kleine brand. Uitbreiding van de brand wordt voorkomen, ook als de brand niet direct kan worden geblust.

De bedieningsvoorschriften moeten in begrijpelijke taal op de kleine blusmiddelen vermeld staan. Niet-geïnstrueerde personen moeten een klein blusmiddel ook kunnen bedienen.

Draagbare blustoestellen

Een draagbaar blustoestel is bestemd voor het bestrijden van brand. Het weegt in gevulde staat ten hoogste 25 kg. Één persoon kan, op eenvoudige wijze, zonder mechanische kracht, het blustoestel in werking stellen en houden.

De vulling bestaat uit een blusstof en een middel, dat zorgt voor het uitdrijven van de blusstof uit het blustoestel.

De voordelen van een draagbaar blustoestel zijn:

  • het is door één persoon te bedienen;
  • het is gemakkelijk te bedienen;
  • het is snel in te zetten;
  • het is gemakkelijk te verplaatsen;
  • de blusstof is gemakkelijk te verspreiden.

Het nadeel van een draagbaar blustoestel is de korte werkingsduur.

Op ieder blustoestel moet het volgende vermeld staan:

  • het soort/type blustoestel, de vulling en het blusvermogen;
  • de gebruiksaanwijzing en aanduidingen (pictogrammen) van de brandklassen waarvoor het toestel geschikt is;
  • naam en adres van de leverancier of producent;
  • het Rijkskeurmerk en het productiejaar.

Algemene regels bij het blussen met een klein blusmiddel

Ga als volgt te werk:

  1. Benader de brand met een tweede persoon, bij voorkeur ook een BHV'er;
  2. Let allereerst op de eigen veiligheid;
  3. Beoordeel de situatie;
  4. Beoordeel of er sprake is van een kleine brand en of je deze zelf kunt blussen;
  5. Beoordeel of het aanwezige blusmiddel kan worden gebruikt. Is dat niet het geval, sluit de deur;
  6. Test het blusmiddel (met bijvoorbeeld een proefstoot). Bepaal je veilige afstand tot de brand, aan de hand van de worplengte (het maximumbereik) van de blusstof;
  7. Blijf laag, op een veilige afstand, waar geen rook of hitte is, maar wel goed zicht op de brand;
  8. Blus buiten altijd met de wind mee;
  9. Ga de brandhaard nooit voorbij;
  10. Blus tot de brand uit is;
  11. Doe een nacontrole.

Gasbranden alleen blussen als de gastoevoer eerst kan worden afgesloten; let op explosiegevaar!

Blus buiten met de wind mee.

Natte blusstoffen

Natte blusstoffen bestaan geheel of gedeeltelijk uit water en zijn hierdoor elektrisch geleidend. Zij zijn in principe niet geschikt voor het blussen van branden bij onder elektrische spanning staande delen. Sproeischuim kan veilig gebruikt worden tot 1000 V (door de verneveling is er een onderbroken straal).

Water

De natuurlijke tegenhanger van vuur is water. Deze vloeistof is zeer effectief voor het blussen van brand. Het is nog altijd de belangrijkste blusstof. Er zijn middelen om de blussende werking van water te vergroten.

Water heeft een groot bluseffect. Het kan veel warmte opnemen.

Er wordt geprobeerd zo min mogelijk waterschade te veroorzaken bij de brandbestrijding. De waterschade wordt beperkt door, met zo min mogelijk water, zoveel mogelijk warmte aan de brand te onttrekken. Het gebruik van een sproeistraal, in plaats van een dikke volle waterstraal, maakt dat het water makkelijker verdampt. De stoom die hierbij ontstaat kan brandwonden veroorzaken.

De voordelen van water als blusmiddel zijn:

  • water heeft een groot koelend vermogen;
  • water is meestal in voldoende mate aanwezig of op eenvoudige wijze te verkrijgen;
  • water is gemakkelijk te transporteren;
  • water is in verschillende gebruiksvormen toepasbaar;
  • water is geschikt voor vele soorten branden;
  • water is niet giftig voor degene die blust (pas wel op voor legionellabesmetting);
  • water is goedkoop.

De nadelen van water als blusmiddel zijn:

  • water is elektrisch geleidend;
  • water is minder geschikt voor het bestrijden van vloeistofbranden;
  • water is vorstgevoelig;
  • water is gevaarlijk bij het blussen van metaalbranden;
  • water kan veel nevenschade veroorzaken.

Brandslanghaspel

Een brandslanghaspel is een ‘uit te lopen’ slang, die op een haspel gerold is. Het water stroomt onder druk uit de slangleiding. Er kan richting en vorm worden gegeven aan het water met behulp van de afsluitbare straalpijp. De slanglengte (meestal 20 à 30 meter) wordt bepaald door de indeling van het gebouw. De worplengte (het maximumbereik) bedraagt 5 meter.

Blussen met de brandslanghaspel

Ga als volgt te werk:

  1. Rol de slang circa 2 meter af en draai de hoofdafsluiter geheel open;
  2. Open de straalpijp en controleer een paar seconden of er druk op de slang staat en er water uitkomt;
  3. Leg de straalpijp op de grond in de richting van de brand;
  4. Rol de slang af in lussen;
  5. Leg deze plat op de grond en zorg dat de slang plat blijft liggen;
  6. Houd de slang met de ene hand en de straalpijp met de andere hand vast;
  7. Benader de brand met een gebonden sproeistraal (begin vanaf circa 10 meter);
  8. Blijf laag, op gepaste afstand en richt de sproeistraal op de onderkant van de vlammen;
  9. Als de vlammen gedoofd zijn, blus na met een bredere sproeistraal;
  10. Kijk links en rechts in de brandhaard om te zien of de brand uit is;
  11. Voer een nacontrole uit (let op knetteren, vlammen en rook);
  12. Draai de straalpijp dicht;
  13. Leg de straalpijp onder de haspel en de slang in lussen richting de haspel;
  14. Wind de slang netjes op, waarbij de windingen naast elkaar liggen. De slanghaspel is nu klaar voor een volgend gebruik;
  15. Draai de hoofdafsluiter dicht;
  16. Open de straalpijp voor je de laatste 2 meter slang oprolt en laat de druk eraf gaan;
  17. Sluit de straalpijp en hang deze op zijn plaats.

Sproeischuim

De meeste brandbare vloeistoffen kunnen niet, of slechts zeer moeilijk met water worden geblust. Het bluswater is zwaarder dan de brandbare vloeistof. De brandbare vloeistof zal blijven drijven en het water zinkt weg. De meeste brandbare vloeistoffen mengen niet met water. Je moet een blusstof gebruiken die lichter is dan de brandbare vloeistof.

De bluswerking van schuim berust op afdekking. De zuurstof uit de omgevingslucht kan niet bij de brand komen, omdat een laag schuim op de brandende stof is aangebracht. Brandbare gassen of dampen die vrijkomen, zullen niet door de aangebrachte schuimlaag kunnen ontsnappen. De brand moet met een deken van schuim worden afgedekt om een goede bluswerking te verkrijgen.

Sproeischuimblusser

De inhoud van de sproeischuimblusser bestaat grotendeels uit water met een paar procent schuimvormende vloeistof. De schuimvormende vloeistof is in veel gevallen biologisch afbreekbaar; sommige bevatten echter ook fluorverbindingen (PFAS), die milieugevaarlijk en giftig zijn.

De sproeischuimblusser is voorzien van een sproeischuimstraalpijp. De straalpijp produceert een schuimnevel van zeer fijne druppeltjes. Een voordeel van deze nevel is, dat er zonder gevaar branden kunnen worden geblust van onder spanning staande apparatuur.

De blussende werking op vaste stoffen berust op een groot afkoelend vermogen.

Bij een vloeistofbrand wordt door filmvorming het oppervlak afgedekt. De toevoer van zuurstof naar de brandhaard wordt verhinderd en het verdampen van de brandbare vloeistof wordt beperkt.

Blussen met een sproeischuimblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer. Verwijder daarna de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het straalpijpje in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 5 meter;
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Verdeel bij een vastestoffenbrand het sproeischuim over het object en blus vanaf diverse zijden maar loop er nooit voorbij;
  7. Bij een vloeistoffenbrand laat je het sproeischuim rustig over het object verspreiden totdat er een schuimlaag ontstaat;
  8. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  9. Bekijk van alle kanten of de brand geblust is maar loop er nooit voorbij;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.

Vetbrandblusser

De vetbrandblusser is goedgekeurd voor brandklasse A, B en F. De vetbrandblusser bevat een speciale blusstof (‘wet chemical’ of ‘chemisch blusschuim’ genaamd), die is bedoeld om een brandende frituurbak af te dekken en adequaat te blussen.

Het chemisch blusschuim heeft een emulgerende eigenschap. Er wordt een afsluitende laag gevormd op de brandende vloeistof. Het blusschuim heeft een sterk koelende werking. De temperatuur van de vloeistof daalt snel en komt onder de zelfontbrandingstemperatuur.

Droge blusstoffen

Droge blusstoffen bevatten geen water. Ze zijn niet elektrisch geleidend. Blijf bij een hoge elektrische spanning, toch altijd voorzichtig.

Blusdeken

Blusdekens worden gemaakt van een niet, of zeer slecht brandbaar materiaal. Het materiaal kan glaswol zijn, maar ook

linnen met een brandwerende coating. Blusdekens kunnen verschillen van formaat en qua uitvoering.

De blussende werking van een blusdeken berust op afdekking (het afdichten van de brand voor zuurstof).

Kleine branden kunnen geblust worden door er snel een blusdeken overheen te leggen.

Een blusdeken kan ook gebruikt worden om een slachtoffer te bedekken.

Bluspoeders

Bluspoeders bestaan voornamelijk uit zouten. Het is zeer effectief als het door middel van drijfgas verstoven wordt.

Er ontstaat een poederwolk door het verstuiven, die als het ware gedragen wordt door het drijfgas.

Bluspoeders werken als een negatieve katalysator en hebben een vlam afbrekende werking. Dit betekent dat bluspoeders de verbrandingsreactie vertragen. In de brand gespoten bluspoeder vertraagt de verbrandingsreactie zodanig snel, dat de brand vaak snel beëindigd wordt.

Het klonteren van het bluspoeder in de blusser moet worden voorkomen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen ABC- en BC-poeder. ABC-poeder (‘gloedpoeder’) wordt het meest gebruikt en is geschikt voor het blussen van branden van zowel klasse A, B als C. BC-poeder is alleen geschikt voor het blussen van klasse B- en C-branden.

D-poeder is geschikt voor metaalbranden. Zuurstoftoetreding wordt voorkomen, doordat het poeder een korst over het metaal vormt.

Gebruik van bluspoeder in een afgesloten ruimte kan veel nevenschade veroorzaken (zout is corrosief) en bluspoeder kan overal indringen. Elektronische apparatuur wordt onbruikbaar en mechanische delen (zoals lagers) kunnen vastlopen. Bovendien ontneemt bluspoeder het zicht. Er kan daardoor bij andere aanwezigen in de afgesloten ruimte paniek ontstaan.

De koelende werking van bluspoeder is verwaarloosbaar. Bij vloeistofbranden met een langere brandduur kan herontsteking ontstaan.

De voordelen van bluspoeder zijn:

  • het is zeer geschikt voor het blussen van vloeistof- en vloeistofcombinatiebranden;
  • het is niet elektrisch geleidend;
  • het is niet vorstgevoelig;
  • het kan zowel in de openlucht, als in een besloten ruimte waar personen aanwezig zijn, worden gebruikt.

De nadelen van bluspoeder zijn:

  • het is minder geschikt voor ruimtes waarin zich gevoelige apparaten bevinden;
  • het heeft geen koelend vermogen (herontsteking!);
  • het is minder geschikt voor brandende metalen;
  • het veroorzaakt in besloten ruimten veel nevenschade.

Poederblusser

De poederblusser is een (hand)brandblustoestel met groot blusvermogen, waarin droogpoeder als blusstof wordt gebruikt. Het uitdrijvende gas in kleinere toestellen is kooldioxide, in grotere blustoestellen of blusinstallaties stikstof. Stikstof bevriest bij een extreem lagere temperatuur dan kooldioxide.

Gebruik de juiste poedersoort (ABC-, BC- of D-poeder), afhankelijk van de te beveiligen ruimte en/of materialen.

Grotere poederblussers kunnen zijn voorzien van een hogedrukpatroon. Hierin is het (uit)drijfgas samengeperst. Het bluspoeder staat niet permanent onder druk. Het afsluitplaatje wordt geperforeerd bij het indrukken van de knijpkraan. Het bluspoeder stroomt met kracht naar buiten.

In kleine poederblussers (zoals autoblussers) zit het (uit)drijfgas niet in een aparte hogedrukpatroon. Het bluspoeder in het toestel staat onder een permanente druk. De maximale spuitduur van kleine poederblussers is 6 tot 8 seconden. Deze toestellen zijn voorzien van een drukmeter.

Blussen met een poederblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen.
  2. Neem de handgreep of draagbeugel in de ene hand en het straalpijpje of slang in de andere hand en geef een proefstoot.
  3. Benader de brand laat tot op ongeveer 5 tot 7 meter.
  4. Richt het straalpijpje op de brandhaard en knijp de handgreep in.
  5. De brand wordt geblust door de wolk van blusstof. Hoe groter de wolk, hoe groter het effect.
  6. Blus van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen.
  7. Bij een vaste stoffenbrand geef je een stoot poeder, wacht tot de wolk weg is en geef net zolang een stoot totdat je geen vlammen en gloed meer ziet. Houd er rekening mee dat je door de wolk geen vlammen of gloed kunt zien.
  8. Bij een vloeistoffenbrand blijf je ononderbroken blussen tot je geen vlammen meer ziet.
  9. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter.
  10. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij.
  11. Het grootste gevaar bij blussen met poeder is de kans op herontsteking.
  12. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat.
  13. Voer een nacontrole uit.
  14. Loop achteruit weg van het object.

Gasvormige blusstoffen

Gasvormige blusstoffen bevatten net als droge blusstoffen geen water. Gasvormige blusstoffen zijn ook niet elektrisch geleidend.

Koolzuursneeuw

De bluswerking van koolzuursneeuw berust op de verdringing van zuurstof. De sneeuw ontstaat door koolzuurgas (kooldioxide, CO2) uit een drukfles snel te laten uitzetten. Aan de uitstroomopening van de drukfles is een zogeheten ‘expansiekoker’ (een taps toelopende koker van isolerend materiaal) bevestigd.

Een klein deel van het uitstromend koolzuurgas gaat bij het uitstromen in sneeuw over. Het overige deel van het koolzuurgas stroomt in gasvormige toestand uit. Het uitstromende gas neemt de sneeuw mee. Er ontstaat een gas/sneeuwwolk die de brandende stof omhult. Hierdoor is er gevaar voor zuurstoftekort wanneer koolzuursneeuw gebruikt wordt in kleine, besloten ruimtes.

Koolzuursneeuwblusser

De koolzuursneeuwblusser wordt ook wel koolzuur(gas)blusser of CO2-blusser genoemd. Het is een alternatief voor een poederblusser of water, als die veel schade zouden opleveren of een gevaar voor de gebruiker. De werkingsduur is kort, de worplengte minder dan 2 meter.

De fles is gevuld met kooldioxide die zó sterk is samengeperst, dat het een vloeistof is geworden.

Er is geen uitdrijfgas nodig om de kooldioxide uit de fles te laten stromen. De ‘eigen’ druk (60 bar) is zo hoog dat het uitstromen spontaan plaatsvindt wanneer men de handgreep inknijpt.

Let er op dat de expansiekoker koud wordt tijdens het blussen. De koker kan tot -80 °C afkoelen.

Blussen met de koolzuursneeuwblusser

Ga als volgt te werk:

  1. Haal de blusser van de ophangbeugel, zet hem neer en verwijder de borgpen;
  2. Neem de handgreep in de ene hand en het handvat van de koker (niet de koker zelf i.v.m. bevriezingsgevaar!) in de andere hand en geef een proefstoot;
  3. Benader de brand laag tot op ongeveer 1 meter;
  4. Richt de bluskoker op de brandhaard en knijp de handgreep in;
  5. Blus ononderbroken van links naar rechts en vice versa over de onderkant van de vlammen totdat je geen vlammen meer ziet;
  6. Zorg ervoor dat de CO2 de gehele brandhaard bedekt;
  7. Richt bij een vloeistoffenbrand niet in de vloeistof zelf maar net daarboven anders kun je de vloeistof verspreiden en wordt de brand groter;
  8. Blus de brand van verschillende kanten maar loop er nooit voorbij;
  9. Let op herontbranding;
  10. Blijf het object in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat;
  11. Voer een nacontrole uit;
  12. Loop achteruit weg van het object.
Toepassing van de verschillende blusstoffen

*Klasse C: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer.

**Klasse F: Eerste maatregel is het sluiten van de gastoevoer en uitzetten van de ventilatie. Daarna kun je de deksel op de pan schuiven, zodat de zuurstof opraakt.

***Elektriciteitsbrand: Voor het blussen van een brand van een batterij in mobiele telefoons, tablets, laptops, elektrische fietsen, scootmobiels of elektrische auto's werken deze blusstoffen niet goed.

Voor de brandweer: droge blusleiding

Een droge blusleiding is een pijpleiding in of aan een gebouw, die door de brandweer wordt gebruikt om bluswater naar de verdiepingen te leiden.

Het gebruik van een droge blusleiding bij brandbestrijding heeft de volgende voordelen:

  • er kan sneller worden opgetreden;
  • het brandweerpersoneel raakt minder snel vermoeid;
  • het trappenhuis wordt niet belemmerd door brandslangen.
3.7  Gevaren bij brandbestrijding en hulpverlening

De hulp van een BHV’er kan worden ingeroepen bij calamiteiten zoals brand, dreigende explosies en instortingen of wanneer een persoon bekneld of ingesloten zit.

Om de hulp op een veilige manier te kunnen verlenen, moet je als BHV'er weten met welke gevarenkenmerken je te maken hebt:

  • Menskenmerken (hoe kunnen aanwezigen veilig het gebouw verlaten);
  • Gebouwkenmerken (op welke manier zijn onderdelen van het gebouw bestand tegen brand);
  • Brandkenmerken (hoe verloopt een brand);
  • Interventiekenmerken (hoe snel moet je ter plaatse zijn, wat kun je doen als hulpverlener);
  • Omgevingskenmerken (welke invloed heeft de omgeving op de brandveiligheid).

Denk altijd eerst aan je eigen veiligheid! Er zijn veel gevaren waaraan je kunt worden blootgesteld. Deze gevaren mogen je er echter niet van weerhouden om je taak uit te voeren. Het is van groot belang dat je op de hoogte van de gevaren bent, zodat je de juiste maatregelen kunt nemen.

In deze paragraaf worden gevaren behandeld waarmee je bij de brandbestrijding en hulpverlening geconfronteerd kunt worden. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de deurprocedure, rook en koolmonoxide, explosiegevaar, gevaren door elektriciteit en gevaarlijke stoffen.

Deurprocedure

Een BHV'er neemt altijd een draagbaar blustoestel mee als hij naar de plaats van het incident gaat. Wanneer de vermoedelijke brand zich achter een deur bevindt, plaatst de BHV'er dit blusmiddel binnen handbereik.

Bij het vermoeden van een brand in een ruimte achter een gesloten deur mag de deur niet zomaar geopend worden. Probeer eerst te weten te komen welke situatie je zou kunnen aantreffen. Ga na of er zich nog personen achter de gesloten deur bevinden.

Een warm deuroppervlak geeft aan dat de temperatuur aan de andere kant hoog is. Controleer met de rug van je handen langs de randen van de deur en voel of het warm aanvoelt. Bewaar enige afstand tot de deur in verband met de eventuele warmte. Wanneer je warmte voelt, ga er dan van uit dat er brand woedt achter de gesloten deur.

De deur kan voorzichtig (er kan een steekvlam ontstaan) iets geopend worden als je bij de controle geen warmte aan de deur hebt gevoeld.

Open de deur als volgt verder:

Afdraaiende deur (de deur draait van je af als de scharnieren niet zichtbaar zijn):

  • kniel voor muur, op arm-afstand van de klink;
  • wend je gezicht af van de deuropening;
  • open de deur een klein stukje maar houd de klink vast. Wacht enige seconden.

Toedraaiende deur (de deur draait naar je toe als de scharnieren zichtbaar zijn):

Wanneer er vlammen of rook boven de deur uitkomen sluit je de deur en sla je alarm. Ga na of er iemand in de ruimte aanwezig is door te roepen. Is er een reactie, vraag dan of de persoon naar je toe kan komen en evacueer hem als dat veilig kan. Ga niet zelf naar binnen en denk voortdurend aan je eigen veiligheid. Kan er geen evacuatie plaatsvinden, meld dan aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn. Geef ook door in welke ruimte ze zich bevinden. Blijf zo lang als dat veilig is communiceren met het slachtoffer. Laat ondertussen de andere BHV’ers verder gaan met de ontruimingsprocedure.

De BHV’er moet daarna als volgt handelen om uitbreiding van de brand te voorkomen:

  • laat de deur gesloten;
  • waarschuw de omgeving;
  • alarmeer;
  • ga verder met ontruimen.

Is er geen sprake van rook, hitte of vlammen boven de deur, open de deur voorzichtig iets verder om in de ruimte te kunnen kijken. Is er alsnog sprake van veel rook, hitte of vlammen: sluit de deur. Ook nu ga je na of er zich iemand in de ruimte bevindt en of hij geëvacueerd kan worden. Kan er geen evacuatie plaats vinden, meld aan de meldcentrale dat er slachtoffers zijn en in welke ruimte ze zich bevinden.

Is er in de ruimte geen sprake van veel rook, hitte of vlammen, dan kun je naar binnen gaan.

Zorg voor een veilige terugtocht. Controleer vóór het naar binnen gaan altijd of er een binnenklink aan de deur zit! Je kunt een bluspoging doen, als er sprake is van een kleine brand. Rookverspreiding moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Wanneer er te veel hitte, te veel rook of te weinig zicht is of ontstaat: ga uit de ruimte en sluit de deur!

Rook en koolmonoxide

Rook ontstaat bij brand door een onvolledige verbranding. Rook kan het zicht ontnemen en kan een aantal stoffen bevatten die zeer gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Één van de meest gevaarlijke stoffen is koolmonoxide (CO), dat kleurloos, reukloos en smaakloos is.

Koolmonoxide kan al bij zeer kleine hoeveelheden leiden tot bewusteloosheid of erger.

De meeste letsels bij brand worden veroorzaakt door de rook. Hoe donkerder de rook, hoe giftiger.

Explosiegevaar

Een explosie kan veroorzaakt worden door gassen, dampen, brandgevaarlijke vloeistoffen, gasflessen, drukvaten, flessen met koolzuurhoudende dranken, acetyleenflessen, spuitbussen en gaspatronen.

Vermijd elk gebruik van open vuur en vonk veroorzakende voorwerpen bij een vermoeden van een explosief gas-/luchtmengsel in de omgeving. Lichtschakelaars kunnen vonken veroorzaken, ook al zie je de vonken door de afscherming niet.

Waarschuw altijd de brandweer bij een vermoeden van een lekkage van gassen of dampen.

Gevaren door elektriciteit

Elektriciteit laat zich makkelijk verplaatsen. Elektriciteit kan op bijna elke gewenste plaats beschikbaar zijn met behulp van een verlengsnoer en verdeelstekkers. Houd rekening met de volgende gevaren:

  • snoeren en kabels kunnen overal liggen;
  • de isolatiemantel van snoeren en kabels kan beschadigd zijn door brand, explosie of instorting;
  • het beschermende huis van elektrische apparatuur kan defect raken, waardoor spanningvoerende delen bloot komen te liggen. Aanraking ervan betekent direct levensgevaar!

Spanning (zowel laag- als hoogspanning) is levensgevaarlijk.

Let op bij het blussen met water. Water geleidt elektriciteit. Blus je met een gebonden straal, dan kan deze straal dienen als geleider. Haal altijd de elektrische spanning weg voordat je gaat blussen.

Ruimten waarin zich hoogspanning bevindt zijn in de regel voorzien van een hoogspanningsbord. Een voorbeeld van het bord:

Een zwart/geel gestreept bord geeft aan dat er in de betreffende ruimte niet met water mag worden geblust. Hiervoor kunnen twee redenen zijn:

  • er bevindt zich hoogspanning in de ruimte;
  • de aanwezige apparatuur is niet tegen water bestand.

Het advies luidt: ‘Handen af van onder spanning staande apparatuur of geleiders!’

Gevaarlijke stoffen

De BHV’er kan te maken krijgen met gevaarlijke stoffen tijdens de bestrijding van een calamiteit. Na ongevallen of onregelmatigheden bij het transport of de opslag moeten snel doeltreffende maatregelen genomen worden.

Er gelden voorschriften voor het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het is van belang dat de aard van de gevaarlijke stof direct kan worden vastgesteld. Het is verplicht dat bepaalde etiketten en borden altijd zichtbaar zijn. De BHV’er kan een betere inschatting van de gevaren maken en adequaat handelen.

Verpakking

De GHS-richtlijn schrijft voor dat op het etiket van een gevaarlijke stof de volgende informatie moet staan:

  • de naam van het product;
  • de gevarenpictogrammen;
  • de gegevens van de leverancier of importeur;
  • de H(azard)-en P(revention)-zinnen.

De H- of gevarenzinnen geven aan welke gevaren of risico’s een stof/product met zich mee brengt.

De P-zinnen of veiligheidsaanbevelingen geven aan welke preventie- en veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen om risico’s bij het werken met het product te voorkomen.

3.7      Brandpreventie bij een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang (BSO)

In het pand moeten (middels een Plan van Aanpak als onderdeel van de Risico- Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E)) preventieve maatregelen genomen worden om brand te voorkomen. Enkele voorbeelden:

  • Prullen- of vergaarbakken moeten bij voorkeur van metaal zijn en voorzien van een zelfdovend deksel;
  • Elektrische apparatuur moet periodiek onderhouden worden;
  • Materialen die niet behoren tot de centrale verwarmingsinstallatie mogen niet opgeslagen worden in en om de ruimte waar de installatie staat;
  • Er mogen geen goederen opgeslagen worden onder trappen, in gangen en in het trappenhuis;
  • Brandgevaarlijke stoffen moeten volgens de daarvoor geldende regels worden opgeslagen;
  • Gebruik alleen goedgekeurde stekkers of stopcontacten voor elektrische aansluitingen;
  • Er moeten bliksemafleiders geplaatst worden op hoge gebouwen;
  • Er moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden bij het verrichten van brandgevaarlijke reparaties en handelingen;
  • De compartimentering van het gebouw moet intact gehouden worden. Houd daarom de branddeuren gesloten;

  • Er moet een brandmeldinstallatie (BMI) aanwezig zijn. Een automatische brandmelder kan de melding automatisch doorsturen aan de alarmcentrale. Als er voldoende personen aanwezig zijn om zelf voor de ontruiming te zorgen, kan de melding vertraagd worden. Meldingen van handbrandmelders mogen nooit worden vertraagd;
  • Het magazijn moet altijd vrij toegankelijk of te verlaten zijn en er mag in deze ruimte niet gerookt worden;
  • Nooduitgangen moeten vrijgehouden worden. Ze mogen niet geblokkeerd worden door speelgoed, wandelwagens e.d.

Een kind is van nature nieuwsgierig en wil de wereld om zich heen ontdekken. Probeer te voorkomen dat een kind hierbij letsel oploopt. Scherm gevaarlijke voorwerpen af of vervang ze. Vervang bijvoorbeeld CO2 - of poederblussers door schuimblussers, omdat deze minder gevaar opleveren voor een kind.

Maatregelen om de kans op brand en daarbij behorend letsel zoveel mogelijk te beperken zijn:

  • Leer de kinderen wat ze moeten doen als de rook of vuur zien of als de brandmelder afgaat;
  • Zie toe op brandveilig gedrag en spreek kinderen aan op onveilig gedrag;
  • Organiseer een ‘brandveiligheidsbijeenkomst’ voor de kinderen en de ouders;
  • Vraag ouders onveilige situaties te melden.

3.8 Preventieve maatregelen om brand te voorkomen tijdens festiviteiten op het kinderdagverblijf of de buitenschoolse opvang (BSO)

De dagelijkse gang van zaken op het kinderdagverblijf of de BSO kan afwijken van de normale. Denk hierbij aan het vieren van feest(dagen), het geven van een voorstelling, het houden van een sportdag of projectweek. Daarbij kunnen zich onverwachte situaties voordoen die brandgevaar opleveren.

De volgende materialen of situaties kunnen brandgevaar met zich meebrengen:

  • Er wordt vuurwerk (zoals sterretjes) afgestoken waarvan gedacht wordt dat het ongevaarlijk is;
  • Er worden bij wijze van grap rollen toiletpapier uitgerold;
  • Er wordt brandgevaarlijke versiering aangebracht op wand en plafond zoals tekeningen, slingers en werkjes;
  • Er worden kaarsen en waxinelichtjes aangestoken;
  • Er worden grote lappen papier, plastic en/of doeken opgehangen als decor;
  • De vluchtdeuren worden afgesloten om te voorkomen dat ongenode gasten het gebouw binnenkomen anders dan door de voordeur.

 

Het is aan te bevelen om bij de aanschaf van (feest)verlichting te kijken of deze voorzien is van een KEMA-keurmerk of CE-markering.

In de dagen rond de jaarwisseling moet er extra gesurveilleerd worden, omdat jongeren in deze tijd bezig zijn met (het afsteken van) vuurwerk.

Er is een handige online tool beschikbaar op www.risico-monitor.nl om de risico’s op een kinderdagverblijf of BSO in kaart te brengen. Op deze website zijn tevens regels en aanbevelingen terug te vinden met betrekking tot feestvieren en brandveiligheid.

Enkele aanbevelingen zijn:

  • Houd kleine kinderen uit de buurt van kaarsen en waxinelichtjes;
  • Gebruik een aansteker met kinderbeveiliging;
  • Houd lucifers en aanstekers buiten het bereik van kinderen. Ze vinden het leuk om hiermee ‘te spelen’.

Om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk dient u eerst de TOETS Brandbestrijding af te ronden

Ontruiming

4.1. Inleiding

Het ontruimingsplan is een onderdeel van het BHV- of bedrijfsnoodplan. De gebruiksvergunning of bouwverordening kan een ontruimingsplan eisen, afhankelijk van de grootte en het gebruik van het gebouw. Een ontruimingsplan is verplicht bij aanwezigheid van een verplichte brandmeldinstallatie (BMI). De aanwezigheid van een ontruimingsplan draagt bij aan de veiligheid van de werknemers en aanwezigen. Er wordt tegemoet gekomen aan de eisen die in het Arbobesluit zijn vastgesteld.

De veiligheid van personen in een bedrijf wordt niet alleen bedreigd door de calamiteit zelf. De erop volgende paniekreacties kunnen ook leiden tot gevaarlijke situaties. De Arbo-wet verplicht in veel gevallen vooraf een duidelijk plan te maken.

In een ontruimingsplan staat beschreven wat er moet gebeuren om een bedrijf snel en ordelijk te ontruimen in geval van een calamiteit. In een ontruimingsplan zijn plattegronden opgenomen. Op de ontruimingsplattegrond staan aanduidingen (zoals vluchtwegen), die een rol kunnen spelen bij een ontruiming en er staat aangegeven waar brandblusapparatuur zich bevindt. De uitgewerkte plattegronden moeten in het bedrijf aan de wand bevestigd worden.

Een ontruimingsplan wordt inhoudelijk bepaald door:

  • de aard van het bedrijf;
  • de indeling en omvang van het bedrijf;
  • het aantal aanwezige personen;
  • opslagruimten;
  • technische voorzieningen;
  • brandmeldsystemen;
  • vluchtwegen;
  • veiligheidsinstallaties.
4.2  Gedrag van werknemers en overige aanwezigen bij een ontruiming

De BHV'er moet bekend zijn met de inhoud van het ontruimingsplan.

Schematische weergave analysemodel vluchtveiligheid (bron: 'Basis voor brandveiligheid', Instituut Fysieke Veiligheid)

Je mag er niet vanuit gaan dat werknemers en overige aanwezigen op eenzelfde manier reageren op een calamiteit als een BHV'er. Ofwel, de mate van zelfredzaamheid is niet hetzelfde!

Een gevaar wordt niet of te laat als zodanig herkend. Werknemers hebben de neiging om door te willen werken. In eerste instantie wordt ontkend wat er daadwerkelijk aan de hand is.

Op het moment dat men zich wel bewust wordt van het gevaar, is de beoordeling er van afhankelijk van diverse factoren, zoals:

  • groepsgedrag;
  • eerdere ervaring met een calamiteit;
  • beoordeling van signalen;
  • de manier waarop instructies over de ontruiming gegeven worden.

Na de bewustwording van het gevaar kan het gedrag bij de ontruiming ook beïnvloed worden door:

  • de neiging dezelfde route te nemen als wanneer er geen gevaar is;
  • de mobiliteit van mensen (handicap, conditie);
  • noodvoorzieningen die bij geen gevaar niet gebruikt mogen worden en bij gevaar als drempel worden ervaren.

Als BHV'er kun je het gedrag van de medewerkers beïnvloeden door:

  • instructie en voorlichting;
  • het regelmatig controleren van vluchtroutes en uitgangen;
  • gebruik te maken van een alarminstallatie met de mogelijkheid om gesproken aanwijzingen te geven.

Het gedrag van een kind tijdens de ontruiming

Een kind kan zich, omdat hij bang is voor vuur, gaan verstoppen bij een brand. Hierdoor kan de ontruiming langer gaan duren met alle consequenties van dien.

Het is van belang dat een kind actief betrokken wordt bij de ontruimingsoefening. Een kind moet weten wat hij moet doen bij een calamiteit. De brandweer zou kunnen helpen bij een oefening zodat de (kleine) kinderen kunnen wennen aan hoe een brandweerman er uit ziet. Het kind moet gaan beseffen dat hij niet bang hoeft te zijn voor brandweermannen (die mogelijk maskers op hebben en zuurstofflessen op de rug dragen).

Je kunt een kind laten wennen aan een ontruimingsoefening door er een spel of activiteit van te maken. Oefen het ontruimen bijvoorbeeld door met poppetjes een situatie na te bootsen. Het lopen aan het ontruimingskoord kan geoefend worden als de kinderen naar buiten gaan. Mochten kinderen angstig zijn en niet mee naar buiten willen, stel ze iets lekkers in het vooruitzicht. Er is bij een echte ontruiming geen tijd om de noodzaak van het naar buiten gaan uit te leggen.

Ontruimingskoord

Tijdelijke krachten (bijvoorbeeld stagiaires) moeten ook bij de ontruimingsoefening betrokken worden. Leg uit wat er van ze verwacht wordt.

De taken van de begeleider(s) van kinderen tijdens een ontruiming zijn:

  • Stel de kinderen gerust en blijf zelf ook rustig;
  • Sluit alle tussendeuren en/of ramen;
  • Kijk onder tafels en in kasten of kinderen -die zich daar mogelijk verstopt hebben- achtergebleven zijn;
  • Zet de kinderen twee aan twee in een rij;
  • Laat persoonlijke spullen achter, je mag geen tijd verliezen;
  • Neem de presentie-/absentielijst van de kinderen mee;
  • Gebruik de aangegeven vluchtroute en verlaat het gebouw zo snel mogelijk;
  • Neem ook ‘verdwaalde’ kinderen mee;
  • Ga naar de afgesproken verzamelplaats;
  • Controleer of alle kinderen (en ondersteunende aanwezigen) er zijn;
  • Meld eventuele bevindingen bij de BHV'er;
  • Volg zijn aanwijzingen en eventueel die van de externe hulpverleners op;
  • Laat de kinderen niet alleen naar huis gaan;
  • Laat de kinderen, pas na toestemming van de BHV'er, meegaan met de ouders.

Aanwezigen die meehelpen vallen onder de verantwoordelijkheid van de begeleider(s).

Houd rekening met de leeftijd van de kinderen (boven of onder de 2 jaar), voor wat betreft de locatie van groepen in het gebouw. Een kinderdagverblijf kan op een 1e verdieping gesitueerd zijn of meerdere bouwlagen hebben. Het evacueren via trappen levert altijd vertraging op.

Wanneer moet tot ontruiming worden overgegaan?

Het kan mensenlevens kosten als er te laat besloten wordt te ontruimen. Er moet echter niet te snel worden overgegaan tot ontruiming. De ontruiming op zich houdt immers ook bepaalde risico’s in. Het is mogelijk dat personen, bij onvoldoende begeleiding, in de gevarenzone komen en er kunnen letsels ontstaan.

De BHV’er stelt, zo mogelijk, voordat het sein tot ontruiming wordt gegeven, een onderzoek in. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek kan besloten worden tot een gedeeltelijke of algehele ontruiming.

Iedereen moet het pand zo snel mogelijk verlaten bij een ontruiming, onder achterlating van persoonlijke spullen. De BHV’er ziet er op toe dat er over deze spullen gewaakt wordt. Bij een ontruiming wegens een bommelding moet men zo veel als mogelijk de persoonlijke zaken meenemen (om te voorkomen dat deze als verdacht pakket worden aangezien).

4.3 De vluchtroutes

Het is aan te bevelen om in een gebouw, nabij de trappenhuizen, plattegronden op te hangen met de vluchtroutes. Op de plattegronden kan ook worden aangegeven waar de aanwezige blusmiddelen staan en wat de eventuele opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen zijn. De plattegronden moeten ook bij het ontruimingsplan gevoegd worden.

4.4 Ontruimingssignaal

Het ten behoeve van alarmering gegeven ontruimingssignaal moet door het gehele gebouw te horen zijn. Denk hierbij ook aan zolders, kelders, toiletten en dergelijke. Wanneer het ontruimingssignaal gegeven wordt door een elektrische installatie, dan moet deze installatie een noodstroomvoorziening hebben. Het is belangrijk dat de ontruimingssignalering regelmatig wordt getest.

Het ontruimingssignaal kan een bericht of een toonsignaal zijn:

  • Een gesproken ontruimingssignaal via de omroepinstallatie heeft als voordeel, dat hiermee ook gerichte mededelingen gegeven kunnen worden. De omroeper moet duidelijk en rustig overkomen, omdat er gemakkelijk paniek kan ontstaan bij een ontruiming. Er kan gebruik worden gemaakt van vooraf ingesproken tekst.
  • Er zijn ook mobiele app's om alarmeringsberichten door te geven.
  • Een toonsignaal moet duidelijk anders klinken dan andere gebruikte signalen (slow- whoop).

Het verdient de aanbeveling om in gebouwen met een telefooncentrale één nummer als alarmnummer te gebruiken.

4.5 Procedure na het ontruimingssignaal

De procedure, nadat het ontruimingssignaal is afgegeven, is als volgt:

  1. De BHV'ers begeven zich naar een vooraf afgesproken plaats. In de meeste gevallen is dit de receptie bij de hoofdingang.
  2. Er kan geheel of gedeeltelijk worden ontruimd. Dit is afhankelijk van de omvang van het incident en de mobiliteit van de aanwezige personen om zelfstandig naar buiten te gaan.

Bij een volledige ontruiming wordt vaak als volgt gehandeld:

  1. Fase 1: een klein deel van de etage wordt ontruimd en personen worden achter de eerste brandwerende scheiding gebracht.
  2. Fase 2: de hele verdieping wordt ontruimd: iedereen wordt naar buiten, dan wel naar de ondergelegen etage gebracht. Ook de etage boven de brand wordt ontruimd.
  3. Fase 3: het gehele gebouw/complex wordt ontruimd: eerst de etage waar de brand is ontstaan, dan de erboven gelegen etage, dan de daarboven gelegen etage en dan de etage onder de brand, een en ander afhankelijk van de mogelijkheden.
  4. Iedere medewerker en bezoeker meldt zich af op de verzamelplaats.

Ontruim door gebruik te maken van alle (veilige) vluchtwegen. Er kan vooraf bepaald worden hoeveel personen er via een vluchtroute kunnen ontkomen, zodat er geen overbelasting ontstaat.

De bedrijfshulpverleners coördineren de ontruiming, begeleiden de aanwezigen en/of houden zich bezig met de calamiteit. Ze fungeren als gids voor de externe hulpverlenende diensten.

Uit- en nooduitgangen moeten bewaakt worden om te voorkomen dat personen terug het gebouw in gaan of dat onbevoegden het gebouw betreden.

Het ontruimen van kinderen onder de 2 jaar

Bepaal vooraf wat de beste manier is om kinderen van deze leeftijd te verplaatsen. Er kunnen karretjes, evacuatie bedjes (zie foto) of evacuatieschorten gebruikt worden. Zorg voor extra dekentjes om de kinderen warm te houden. Oefen de ontruiming eventueel met poppen en let daarbij op obstakels zoals drempels.

Het ontruimen van kinderen boven de 2 jaar

  • Maak van de ontruiming of ontruimingsoefening een spel;
  • Loop met de kinderen naar buiten als in een polonaise of gebruik een ontruimingskoord;
  • Aan het ontruimingskoord kan (voor iedere groep in een andere kleur) een aantal ringen of lussen zitten gelijk aan het aantal kinderen in de groep.
  • Elk kind kan zijn eigen ring vastpakken. Er is meteen duidelijk of alle kinderen uit een groep aanwezig zijn;
  • Denk aan het warm houden van de kinderen bij slecht weer;
  • Vertel aan de kinderen dat ze niet mogen rennen en dat ze niets mogen meenemen;
  • Houd ook rekening met een eventuele evacuatie tijdens het slaapuurtje van de kinderen. Wellicht moeten de kinderen op een andere manier geëvacueerd worden.
4.6 Instructies

Instructies, die gegeven worden tijdens het ontruimen, moeten kort en eenvoudig zijn. De instructies moeten vooraf besproken worden met degenen, waarvoor ze bestemd zijn. Het is wenselijk om deze besprekingen jaarlijks te herhalen.

De overige personen, die een actieve taak hebben tijdens de ontruiming, krijgen alleen die instructies, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de eigen taak.

Personen die geen taak hebben tijdens een ontruiming, hoeven de ontruimingsprocedures alleen in eenvoudige vorm te kennen. Zij moeten in ieder geval weten:

  • hoe het ontruimingssignaal klinkt;
  • hoe een brand gemeld moet worden;
  • wat de vluchtroutes per afdeling zijn;
  • hoe er gehandeld moet worden in geval van brand;
  • dat alleen persoonlijke bezittingen (zo mogelijk) mogen worden meegenomen, die een snelle ontvluchting niet belemmeren;
  • dat ramen en deuren gesloten moeten worden;
  • dat ramen en deuren geopend moeten worden bij een bommelding of andere explosiedreiging;
  • dat machines moeten worden afgezet;
  • dat bij brand de liften niet gebruikt mogen worden;
  • waar de verzamelplaats is.
4.7 De verzamelplaats

De personen, die in het gebouw aanwezig waren, gaan na een ontruiming naar de verzamelplaats. Op de verzamelplaats kan appèl worden gehouden en kunnen mededelingen worden gedaan.

Er moeten van tevoren afspraken gemaakt worden over het gebruik van de verzamelplaats. Het kan noodzakelijk zijn om verkeersregelaars in te schakelen, als de verzamelplaats alleen te bereiken is via een drukke verkeersweg.

De verzamelplaats mag alleen verlaten worden als de BHV'er hiervoor toestemming heeft gegeven.

De verzamelplaats moet:

  • gunstig gelegen zijn in de directe omgeving van het gebouw;
  • beschikken over voldoende accommodatie;
  • beschikken over telefoon en een lijst met belangrijke telefoonnummers.
4.8 Ontruimingsoefeningen

Ontruimingsoefeningen worden gehouden om de volgende redenen:

  • de gevolgde procedures kunnen aan de hand van de opgedane ervaringen bekeken worden. De procedures kunnen waar nodig worden aangepast;
  • iedereen kan vertrouwd raken met de procedures die bij een ontruiming gevolgd moeten worden.

Het is noodzakelijk om een totale ontruimingsoefening te houden vanwege eerstgenoemde reden. Bij voorkeur eenmaal per jaar. Het is zinvol de ontruimingsoefening één à twee keer per jaar te herhalen. Dit kan alleen als de aard van het bedrijf het toelaat.

Aandachtspunten bij een ontruimingsoefening zijn:

  • de brandweer moet direct gewaarschuwd worden. Ga niet eerst op onderzoek uit;
  • ramen en deuren moeten gesloten worden. Dit moet niet gebeuren bij een bommelding;
  • liften mogen niet gebruikt worden;
  • er moet op de juiste wijze gecontroleerd worden of er geen personen achterblijven;
  • iedereen moet op de hoogte zijn van de plaats en werking van de voorzieningen die zijn aangebracht voor de ontvluchting (zoals speciale trappen en sluitingen van nooduitgangen);
  • de aanrijdplaats voor de brandweer moet vrij zijn en de brandweer moet op de juiste wijze worden ingelicht.
4.9 Na de ontruiming

Wanneer het weer veilig is het gebouw te betreden, begeleidt de BHV'er de personen terug naar binnen.

Het management kan op basis van informatie van de BHV'er extra maatregelen nemen voor slachtoffers (bijvoorbeeld slachtofferhulp).

Na een ontruiming koppelt de BHV'er de belangrijkste informatie terug aan de het management. Samen met het management wordt daarna bezien of er bijstelling nodig is van de procedures.

4.10  Voorzieningen

We kennen de volgende voorzieningen:

Alarmkaarten

Er moeten op strategische punten in het gebouw duidelijke aanwijzingen hangen wat te doen in geval van nood.

De te ondernemen acties en belangrijke telefoonnummers staan meestal op alarmkaarten. Op de alarmkaarten staan vaak pictogrammen.

Transparantverlichting

De vluchtroutes, de uitgangen en nooduitgangen worden met transparantverlichting gemarkeerd. De transparantverlichting moet altijd branden als er mensen in het gebouw zijn.

Noodverlichting

In gebouwen is noodverlichting geïnstalleerd om, in geval van stroomuitval, een redelijke oriëntatie te behouden. De noodverlichting gaat automatisch aan bij stroomuitval.

Vluchtdeuren

De deuren in een vluchtroute

worden vluchtdeuren genoemd. De vluchtdeur naar buiten is een nooduitgang.

Vluchtdeuren draaien altijd met de vluchtroute mee en zijn zelfsluitend. De nooduitgang is voorzien van een panieksluiting.

Brandweeringang en sleutelkluis

De brandweer moet, na een automatische brandmelding, zelf binnen kunnen komen als een gebouw leegstaat of niet in gebruik is. Ook ‘s nachts of in het weekeinde. De brandmeldinstallatie zal de sleutelkluis ontgrendelen, zodat de brandweer toegang heeft tot de sleutels van het gebouw.

Brandweerlift 

De liften mogen bij brand niet gebruikt worden. In sommige gebouwen zijn brandweerliften aangebracht, die in geval van brand ter beschikking staan van de brandweer. Ze hebben een aparte stroomtoevoer, zodat ze altijd gebruikt kunnen worden.

Evacuatiestoel

Er mag bij een ontruiming geen lift worden gebruikt, ook niet voor niet zelfredzame personen. Met een evacuatiestoel is het mogelijk van een trap af te dalen, zonder veel krachtsinspanning van de begeleider.

Evacuatiematras

Er kan gebruik gemaakt worden van een evacuatiematras om mindervalide personen snel via de trap te evacueren.

Voor baby’s en peuters is er een speciale uitvoering.

Evacuatieschort

Een evacuatieschort is bedoeld om, in geval van brand of een andere calamiteit, snel baby’s te kunnen evacueren. Het schort is gemaakt van brandwerend materiaal.

Er zitten 3 draagzakken met openingen voor de beentjes in het evacuatieschort. In geval van nood kunnen er dus 3 baby’s tegelijkertijd verplaatst worden.

Ontruimingskoord/-touw

Een ontruimingskoord wordt gebruikt bij een ontruiming of ontruimingsoefening. Kinderen kunnen, als ze het koord vasthouden, op een speelse manier naar een veilige plaats (buiten) begeleid worden. Het koord is tevens uitermate geschikt om te gebruiken tijdens wandelingen en/of excursies.

Rond uw e-learning nu af door de Toets Ontruiming af te ronden.

Eerste Hulp

COVID-19 richtlijn

Versie 9 oktober 2020. Het is op dit moment voor de meldkamer ambulancezorg niet meer mogelijk om door middel van uitvragen een goede afweging te kunnen maken of het slachtoffer besmettelijk is door het coronavirus. Daarom is ter bescherming van BHV'ers, burgerhulpverleners en ambulancezorgverleners besloten alle slachtoffers te reanimeren volgens de COVID-19 richtlijn.

Voor de reanimatie  van volwassenen betekent dit onder andere:

  • beoordeel de ademhaling door alleen naar de borstkas te kijken, open de luchtweg niet;
  • bedek losjes de mond en neus met een doek of shawl en geef GEEN beademingen, WEL borstcompressies;
  • sluit de AED aan zo gauw deze beschikbaar is.

Beperk in alle gevallen het aantal hulpverleners dat zich met de daadwerkelijke reanimatie bezighoudt tot maximaal twee

Reanimatie bij een slachtoffer met bewezen of veronderstelde COVID-19 besmetting: gebruik de AED, maar geef geen borstcompressies noch beademing.

Na de reanimatie: alle hulpverleners (die direct bij de reanimatie betrokken waren) moeten de handen en polsen desinfecteren.

Reanimatie bij kinderen tot de puberteit: de reanimatie bij kinderen is onveranderd.

2.1 Eerste Hulp

Eerste Hulp beschrijft de basisvaardigheden waarover een bedrijfshulpverlener (BHV'er) moet beschikken om een persoon te helpen die een (plotselinge) stoornis in zijn gezondheidstoestand heeft. De stoornis kan een gevolg zijn van een ongeval of van een ziekte. De persoon met een stoornis noemen we vanaf nu slachtoffer. We spreken voor het leesgemak over het slachtoffer of de hulpverlener als hij of hem.

De hulpverlener moet zich regelmatig laten bijscholen. Hij verstrekt geen medicijnen, behalve paracetamol.

Het bellen van 112 kun je het beste aan een tweede hulpverlener of een omstander vragen, zodat je zelf verder kunt met de hulpverlening. Bel je zelf, zet dan je telefoon op de luidsprekerfunctie.

Er zijn belangrijke zaken bij letsel of een ongeval die de hulpverlener in acht moet nemen. Het allerbelangrijkste is om geen tijd te verliezen. Het leven van het slachtoffer kan door allerhande oorzaken op het spel staan. Bij deze constatering is het van belang meteen 112 te bellen en te bepalen of je moet reanimeren. Pas daarna kijk je of er andere levensbedreigende letsels of ziekten zijn.

De eerste vijf acties op een rij:

  1. Houd afstand als er gevaar is voor jezelf.
  2. Als er geen gevaar is voor jezelf beoordeel je of er gevaar is voor het slachtoffer.
  3. Controleer het bewustzijn van het slachtoffer.
  4. Controleer de ademhaling van het slachtoffer.
  5. Ga na of er sprake is van levensbedreigende stoornissen.

Houd rekening met de regels met betrekking tot de houding van het slachtoffer. Zorg voor voldoende beschutting tegen de kou, regen, wind en warmte. Gebruik bijvoorbeeld een isolatiedeken of verplaats het slachtoffer, als dat mogelijk is, naar een beschutte plaats.

Omstandigheden kunnen wijzigen: blijf de situatie op gevaar controleren.

Benader een slachtoffer met respect en stel hem gerust.

2.2 Verkrijgen van inzicht voordat je eerste hulp verleent

Het verkrijgen van inzicht in de situatie is belangrijk om Eerste Hulp aan een slachtoffer te kunnen verlenen. De vijf acties:

  1. Houd afstand als er gevaar is voor jezelf

De hulpverlener moet eerst veiligheidsmaatregelen nemen voor zichzelf, daarna voor omstanders en het slachtoffer. Is er gevaar voor jezelf: blijf op afstand en bel 112.

  1. Beoordeel of er gevaar is voor het slachtoffer. Kun je het gevaar niet wegnemen bij het slachtoffer neem dan het slachtoffer weg bij het gevaar (wanneer dat veilig kan).

Als er sprake is van een ernstig ongeval met mogelijk wervelletsel mag het slachtoffer niet bewegen. Bel 112 en pas de regels met betrekking tot wervelletsel toe.

Het kan noodzakelijk zijn dat eerst hevige, actieve bloedingen moeten worden behandeld. Bel in dat geval 112 en stelp de bloeding.

Draai een op zijn rug liggend slachtoffer snel op zijn zij als hij moet braken, of als hij veel bloed in zijn mond heeft. Ga op je knieën tegen het bovenlichaam van het slachtoffer zitten. Pak hem aan de schouder en heup van de andere zijde vast. Trek hem in één keer naar je toe. Het slachtoffer komt op zijn zij tegen je aan te liggen. Breng het hoofd iets achterover en maak de mondholte leeg.

  1. Controleer het bewustzijn van het slachtoffer

Beoordeel het bewustzijn als volgt:

  • Benader het slachtoffer aan de kant van het gezicht en spreek hem luid en duidelijk aan. Zorg ervoor dat je gezicht zich in het blikveld van het slachtoffer bevindt. Dit werkt geruststellend mocht het slachtoffer de ogen openen.
  • Je legt je handen op de schouders van het slachtoffer en drukt er voorzichtig tegenaan. Zorg ervoor dat zijn hoofd niet beweegt en vertel wat je gaat doen. Reageert het slachtoffer helder, dan is hij bij kennis.

Als het slachtoffer niet reageert op aanspreken en schudden laat je een omstander 112 bellen en een AED halen. Ben je alleen, dan bel je 112 zelf. Haal de AED na het beoordelen van de ademhaling. Zet de telefoon op de luidsprekerfunctie.

Draai het slachtoffer op zijn rug als hij daar niet op ligt.

Draaien van buik naar rug

  1. Kniel naast het slachtoffer aan de gezichtszijde;
  2. Leg de benen tegen elkaar aan;
  3. Schuif de arm van het slachtoffer, die zich het dichtst bij je bevindt, over de grond tot de arm langs het lichaam naar beneden ligt;
  4. Breng de arm van het slachtoffer, die het verst van je af ligt, omhoog totdat de onderarm tegen het achterhoofd van het slachtoffer ligt;
  5. Til met beide handen de dichtstbijzijnde schouder van het slachtoffer omhoog;
  6. Duw het slachtoffer op zijn zij;
  7. Leg één van je handen op het achterhoofd van het slachtoffer;
  8. Duw met de andere hand tegen zijn schouder tot hij op zijn rug ligt;
  9. Als het slachtoffer op zijn rug ligt kun je de ademhalingscontrole uitvoeren.

Controleer de ademhaling van het slachtoffer

Is het slachtoffer bewusteloos, dan heb je inmiddels 112 gebeld of laten bellen. Het slachtoffer is op zijn rug gedraaid, behalve als hij moet braken of bij hevig bloedverlies in zijn mond.

Open de luchtweg middels de hoofdkantel-kinliftmethode (kinlift) om daarna de ademhaling te beoordelen. Er kan nu worden vastgesteld of het bewusteloze slachtoffer ademhalingsbewegingen en een vrije luchtstroom uit mond en neus heeft.

De hoofdkantel-kinliftmethode gaat als volgt:

  1. Plaats je hand op het voorhoofd van het slachtoffer;
  2. Duw het hoofd voorzichtig iets achterover;
  3. Plaats wijs- en middelvinger van je andere hand onder de punt van de kin van het slachtoffer;
  4. Til de kin op om de luchtweg vrij te maken.

De ademhaling beoordeel je als volgt:

  1. Kijk in de richting van de borst en de buik en kijk of de borstkas en de buik op en neer gaan (ademhalingsbewegingen);
  2. Luister boven mond en neus (ademhalingsgeluiden). Luister naar rochelende, gierende en/of snurkende geluiden;
  3. Voel met de wang en luister met het oor boven de mond en de neus van het slachtoffer of er een luchtstroom bestaat in overeenstemming met de ademhalingsbewegingen (luchtverplaatsing).

Het kijken, luisteren en voelen mag niet meer dan 10 seconden duren. In die tijd moet je 2 tot 3 ademhalingen zien, horen of voelen.

Is er sprake van geen of abnormale ademhaling: begin met reanimeren.

Is de ademhaling normaal: leg voor het vrijhouden van de luchtweg het slachtoffer in de stabiele zijligging.

Is het slachtoffer bij bewustzijn en is er sprake van hevige benauwdheid, bel 112. Richt je op het vrijmaken en vrijhouden van de luchtweg.

Raakt het slachtoffer alsnog bewusteloos, start met reanimeren.

  1. Ga na of er sprake is van levensbedreigende stoornissen

Richt je nu op mogelijk levensbedreigende letsels of ziekten met gevolgen voor de ademhaling, de circulatie of het bewustzijn.

2.3 Inroepen van professionele hulp

Laat, als de situatie dat vereist, een tweede hulpverlener of een omstander hulp vragen (via het interne meldsysteem of rechtstreeks), zodat je zelf bij het slachtoffer kunt blijven. Vraag hem om daarna meteen terug te komen.

AIs er geen tweede hulpverlener of omstander is gebruik je jouw mobiele telefoon om zelf te bellen. Zorg dat de belangrijkste telefoonnummers in je contacten staan, zodat je snel kunt bellen.

112 is de centrale meldkamer voor het aanvragen van een ambulance, politie of brandweer bij direct levensbedreigende situaties, ernstige ongevallen of ziekten in bedrijven of in de openbare ruimte. Bel 112 bijvoorbeeld in geval van:

  • bewusteloosheid;
  • hevige benauwdheid;
  • hevige hoofdpijn na een ongeval;
  • ernstige verwondingen;
  • pijn op de borst, hartklachten;
  • hevig bloedverlies;
  • shock;
  • een beroerte;
  • een epileptische aanval;
  • ernstige brandwonden;
  • (been)breuken, open breuken, ontwrichtingen;
  • (mogelijk) wervelletsel als gevolg van een ongeval.

In andere gevallen kan zo nodig de huisarts(enpost) gebeld worden.

Laat tijdens het bellen met 112 de lijn openstaan en gebruik de telefoon handsfree. Je bent dan in staat om eerste hulp te verlenen. De centralist kan meeluisteren, instructies geven en verdere acties ondernemen. Hij bepaalt wanneer het contact verbroken kan worden. Neem opnieuw contact op met 112 als de situatie van het slachtoffer verslechtert.

De centralist kan je onder andere om de volgende informatie vragen:

  • het adres, om alvast de hulpdienst op weg te sturen;
  • de naam van de melder;
  • de aard van het ongeval;
  • wat er is gebeurd;
  • het aantal slachtoffers;
  • de toestand van de slachtoffers;
  • op welk nummer er teruggebeld kan worden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, ga je door met het verlenen van eerste hulp. Zij bepalen wanneer je kunt stoppen en de hulpverlening van je overgenomen wordt.

2.4 Emotionele reacties van jezelf, het slachtoffer en/of omstanders

Een ongeval kan psychische en/of lichamelijke reacties oproepen. De reacties lopen uiteen van schrikken, transpireren, gespannen zijn, stilletjes zitten, onrustig rondlopen, hinderlijk in de weg lopen, schelden en tieren tot een volledige paniektoestand.

In deze situatie heeft de hulpverlener een moeilijke taak. Hij zal niet alleen rekening moeten houden met zijn eigen emoties, maar ook met de reacties van het slachtoffer en de omstanders (zij kunnen de hulpverlening verstoren).

Het slachtoffer is vaak geschrokken, voelt zich angstig en is soms prikkelbaar. Stel jezelf voor, blijf in de directe nabijheid en treed vriendelijk en kalm op. Stel het slachtoffer gerust en vertel wat je gaat doen. Luister naar het slachtoffer, praat met hem en houd hem zo nodig vast. Blijf rustig, ook als het slachtoffer geïrriteerd reageert.

Hulpverleners, omstanders en slachtoffers kunnen opgevangen en begeleid worden door een intern bedrijfsopvangteam of slachtofferhulp.

2.5  Regels met betrekking tot de houding van het slachtoffer

Het verplaatsen van het slachtoffer kan zijn situatie verslechteren en mag alleen uitgevoerd worden als er sprake is van een onveilige situatie voor de hulpverlener en/of het slachtoffer.

Laat het slachtoffer zelf bepalen welke houding voor hem het prettigst is en ondersteun hem in deze houding.

Laat een slachtoffer met ernstig bloedverlies gaan liggen, zonder dat hij zich daarbij moet inspannen.

Ligt het slachtoffer op zijn rug en moet hij braken of heeft hij veel bloed in de mond, draai hem snel op zijn zij.

Is een slachtoffer bewusteloos, maar heeft hij wel een normale ademhaling, leg hem in de stabiele zijligging. Een bewusteloos ongevalsslachtoffer mag je alleen in de stabiele zijligging leggen als je hem moet verlaten om 112 te bellen.

Stabiele zijligging

  1. Kniel aan één zijde van het slachtoffer. Verwijder een eventueel aanwezige bril. Zorg ervoor dat er voldoende ruimte rond het slachtoffer aanwezig is om de handelingen te kunnen uitvoeren. Zorg dat de benen gestrekt naast elkaar liggen;
  2. Leg de dichtstbijzijnde arm van het slachtoffer zó, dat deze een rechte hoek vormt met de romp;
  3. Pak de andere arm vast bij de pols en leg die met de handrug naar de wang gedraaid over de schouder van het slachtoffer. Houd vast;
  4. Pak het been van de zijde die het verst verwijderd is en buig hem in de knie. Plaats de voet van dit been naast de knie van het andere been. Laat dit been niet los;
  5. Draai het slachtoffer voorzichtig op zijn zij naar je toe door aan de gebogen knie te trekken. Houd met de andere hand de hand van het slachtoffer tegen zijn hoofd. Zorg dat de elleboog van de bovenliggende arm de grond raakt;
  6. Leg het gebogen been zo, dat zich zowel bij de heup als in de knie een rechte hoek vormt;
  7. Kantel het hoofd licht achterover, zodat de luchtweg vrij blijft. De hand van het slachtoffer onder de wang kan daarbij helpen. De mond moet naar beneden gericht zijn, zodat eventueel braaksel er makkelijk uit kan lopen;
  8. Controleer regelmatig de ademhaling, tenminste elke minuut 10 seconden lang. Doe dit met gespreide vingers richting het hoofd, zonder te drukken, met de ene hand op de rug ter hoogte van de schouderbladen, met de andere hand op de overgang van borst naar buik;
  9. Is 112 nog niet gebeld, doe dit alsnog;
  10. Moet er gereanimeerd worden, dan draai je het slachtoffer weer op de rug.

Verslechtert de ademhaling, draai hem op de rug om de luchtweg vrij te maken (kinlift) en de ademhaling te controleren. Als het slachtoffer weer normaal ademt leg je hem in de stabiele zijligging.

Wanneer het slachtoffer benauwd is door ziekte of inademing van giftige stoffen laat je hem niet plat liggen.

Een ongevalsslachtoffer met mogelijk wervelletsel moet (je) in principe niet bewegen, behalve bij gevaar, braken of veel bloed in de mond.

Ondersteun het slachtoffer bij het veranderen van houding.

2.6 Reanimatie

Reanimatie is een combinatie van borstcompressies en beademing. Met borstcompressies boots je de pompfunctie van het hart na en wordt het lichaam van bloed voorzien (circulatie). Met beademing wordt zuurstof aan het bloed toegevoegd.

Borstcompressies alléén leiden niet tot opname van zuurstof in de longen. Combineer daarom borstcompressies als het kan met beademing. Bij een circulatiestilstand wordt er geen zuurstofrijk bloed meer door de slagaders gestuwd. De cellen van het lichaam krijgen hierdoor een tekort aan zuurstof en lijden schade. De hersenen zijn het meest gevoelig voor zuurstofgebrek en kunnen als gevolg hiervan na zeer korte tijd ernstig beschadigd raken. Dit kan aanvankelijk gepaard gaan met spiertrekkingen.

Bij een stilstand van de bloedsomloop stopt de ademhaling vrijwel direct. Soms kunnen snakkende bewegingen worden waargenomen (gasping), die enkele minuten kunnen duren. Dit is geen ademhaling en er wordt geen zuurstof in de longen opgenomen. Er is geen normale luchtstroom bij de mond en de neus waarneembaar. Gasping ontstaat vaak na een circulatiestilstand. Bel 112 of laat 112 bellen en start met reanimatie.

We spreken van een klinische dood als er sprake is van circulatiestilstand, bewusteloosheid en het ontbreken van ademhaling. Na korte tijd raken de hersencellen onherstelbaar beschadigd. Dit is afhankelijk van de oorzaak van de circulatiestilstand en van de omstandigheden waarin de stilstand optreedt. We spreken van een biologische dood als de hersenen onherstelbaar beschadigd zijn. Bij onderkoeling wordt minder zuurstof verbruikt en kan dit proces langer duren.

In de periode tussen klinisch dood en biologisch dood is nog herstel mogelijk. Het slachtoffer is overleden, als de biologische dood is ingetreden. Reanimatie moet zo snel mogelijk na het optreden van de klinische dood gestart worden en soms geruime tijd worden volgehouden. Anders heeft reanimatie geen of weinig kans van slagen.

Automatische Externe Defibrillator (AED)

De oorzaak van een circulatiestilstand ligt meestal in het ontstaan van kamerfibrilleren (kamerfladderen), een ritmestoornis die tot gevolg heeft dat de pompfunctie van het hart uitvalt. Door middel van het toedienen van een elektrische schok (defibrilleren) kan in veel gevallen de pompfunctie van het hart worden hersteld. Het gebruik van de AED vergroot de overlevingskans aanzienlijk.

De overlevingskans bij kamerfibrilleren neemt -zonder ingrijpen van buitenaf- per minuut met 10% af. De defibrillatieschok moet daarom zo snel mogelijk worden toegediend.

De AED is een handzaam apparaat dat de hartritmestoornis kamerfibrillatie herkent, waarvoor een defibrillatieschok moet worden toegediend. De bediening is zo eenvoudig dat in principe elke hulpverlener hem kan bedienen. Het bedieningsgemak sluit het maken van een fout door de hulpverlener uit.

In de AED-tas zit niet alleen de AED, maar ook een schaar, een handdoek (om transpiratie weg te vegen), een scheermesje (om borsthaar te verwijderen), een set handschoenen en een beademingsmasker.

Plaats de elektroden niet over een tepel, een pacemaker, een ICD of inwendige hartmonitor (bobbel onder de huid) of pleisters.

Gebruik de AED niet in het water.

Houd je op de hoogte waar zich AED’s in de buurt bevinden.

Volgorde van handelen bij reanimatie van volwassenen

Het slachtoffer is bewusteloos, een omstander is gevraagd 112 te bellen en een AED te halen. Je hebt zelf 112 gebeld als je alleen bent met het slachtoffer. Haal in dat geval alleen zelf de AED wanneer deze zich binnen onmiddellijk bereik bevindt. Zet je telefoon op de luidsprekerfunctie. Volg de aanwijzingen van de centralist.

Het bewusteloze slachtoffer heeft geen of geen normale ademhaling of je weet het niet zeker.

Start met 30 borstcompressies. Tel hardop mee, zodat de centralist kan volgen wat je doet:

  • kniel naast het slachtoffer ter hoogte van zijn bovenarm;
  • plaats de hiel van je hand midden op de borstkas;
  • plaats de hiel van je andere hand hier bovenop;
  • haak je vingers in elkaar;
  • oefen geen directe druk uit op de onderste punt van het borstbeen, de bovenbuik of de ribben;
  • hang met gestrekte armen loodrecht op de borstkas;
  • duw het borstbeen minimaal 5, maximaal 6 cm in;
  • laat het borstbeen terugveren, maar zorg ervoor dat je handen er mee in contact blijven;
  • herhaal het induwen met een tempo van minimaal 100 en maximaal 120 per minuut;
  • de tijd van het induwen en terugveren van het borstbeen moet hetzelfde zijn.

Kun of wil je geen beademing geven, blijf doorgaan met de compressies tot de AED er is.

Kun of wil je wel beademen, dan doe je dit na iedere 30 compressies steeds 2 maal achtereen:

  • maak de luchtweg vrij (hoofdkantel-kinliftmethode);
  • knijp met twee vingers van de hand, die op het voorhoofd van het slachtoffer rust, zijn neus goed dicht;
  • houd de kin goed omhoog en zorg dat de mond open blijft;
  • adem normaal in en plaats je mond goed sluitend over de mond van het slachtoffer;
  • blaas gedurende 1 seconde rustig in zijn mond;
  • kijk met een schuin oog of hierdoor zijn borstkas omhoog komt (daaraan is te zien of de beademing effectief is);
  • neem je mond van het slachtoffer en kijk of de borstkas inzakt;
  • neem een verse teug lucht;
  • pas een tweede beademing toe;
  • ga door met 30 borstcompressies, 2 beademingen, enzovoorts.

De tijd tussen 2 cycli van 30 borstcompressies mag niet meer dan 10 seconden bedragen. Hierbinnen moeten de 2 beademingen plaatsvinden.

Komt de borstkas niet omhoog bij inblazen, dan is de beademing niet effectief:

  • controleer of je de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert;
  • inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare obstakels;
  • maak knellende kleding los.

Doe de mondinspectie als volgt:

  1. Omvat de kin van het slachtoffer met de duim en wijsvinger van een hand;
  2. Trek de mond open;
  3. Kijk in de mondholte of er iets in zit;
  4. Weest bedacht op plotselinge bijtkramp van het slachtoffer. Duw daarom, als je iets ziet, met de duim de wang van het slachtoffer tussen zijn kiezen;
  5. Ga met de vingers van je andere hand, eventueel omwikkeld met een zakdoek, langs de binnenzijde van de ene wang en maak de mondholte met een lepelende beweging langs de binnenzijde van de andere wang leeg;
  6. Doe slechts één poging om schade te voorkomen.

Zijn er 2 hulpverleners, los elkaar dan om de 2 minuten af. Onderbreek de compressies zo kort mogelijk.

Ga door met reanimeren, totdat:

  • professionele hulpverleners de reanimatie overnemen, of
  • het slachtoffer bij bewustzijn komt, beweegt, de ogen opent en normaal begint te ademen, of
  • je door uitputting niet meer verder kunt reanimeren.

Is het slachtoffer een drenkeling, start eerst met 5 beademingen. Ademt de drenkeling nog niet (goed), geef dan 30 borstcompressies en wissel de borstcompressies af met 2 beademingen.

Extra maatregelen bij het reanimeren

Een beademingsmasker of een gelaatsdoekje kan gebruikt worden bij een slachtoffer met een beschadigd gezicht en de hulpverlener ten dele beschermen tegen besmetting.

Tijdens het reanimeren kan de maaginhoud van het slachtoffer terug naar de mond stromen. Oorzaken hiervoor kunnen zijn:

  • de hulpverlener drukt bij het geven van compressies met zijn handen op de maag van het slachtoffer;
  • de hulpverlener beademt te krachtig, waardoor er lucht in de maag van het slachtoffer geblazen wordt.

Als de maaginhoud van het slachtoffer tijdens de reanimatie naar de mondholte stroomt, moet je het slachtoffer ogenblikkelijk aan schouder en heup naar je toe op zijn zij draaien. Het slachtoffer komt daardoor tegen je dijen te liggen.

Breng het hoofd iets achterover en maak de mondholte leeg.

Draai het slachtoffer vervolgens terug op de rug door zijn heup van je af te duwen en ondersteun daarbij zijn hoofd.

Ga vervolgens door met reanimeren.

Draai het slachtoffer terug op de rug, ondersteun daarbij zijn hoofd.

Reanimatie met de AED

Vanaf het moment dat de AED beschikbaar is ga je als volgt te werk:

  1. Zet de AED aan.
  2. Volg de instructies van de AED meteen op.
  3. Ontbloot de borstkas door de kleding open te trekken of knippen.
  4. Scheer overmatig borsthaar weg en maak een te vochtige huid droog.
  5. Bevestig de elektroden op de juiste plaats op de ontblote borstkas (kijk goed naar de instructie-afbeeldingen op de elektroden). Druk de elektroden goed aan. Zorg dat ze elkaar niet raken.
  6. Het slachtoffer mag niet worden aangeraakt als de AED een analyse maakt.
  7. Geeft de AED een schokopdracht:
    • zorg dat niemand het slachtoffer aanraakt;
    • druk op de knop, wanneer de AED dit opdraagt;
    • volg de instructies van de AED meteen op;
    • start daarna direct met borstcompressies.
  1. Geeft de AED géén schokopdracht, volg de instructies van de AED meteen op en start direct met borstcompressies.

Zijn er twee eerstehulpverleners aanwezig, dan gaat één eerstehulpverlener door met borstcompressies en beademingen geven, terwijl de tweede eerstehulpverlener de elektroden van de AED opplakt. Wissel elkaar bij de reanimatie elke 2 minuten af, bijvoorbeeld op het moment van analyse door de AED.

Volgorde van handelen bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit)

In eerste aanleg kan je bij reanimatie van kinderen (tot de puberteit) uitgaan van dezelfde handelingen als bij volwassenen. De reanimatie van kinderen (tot de puberteit) begint eerst met 5 beademingen en niet met borstcompressies zoals bij de reanimatie van volwassenen.

Is er geen omstander om 112 te bellen dan reanimeer je het kind eerst 1 minuut. Vervolgens bel je zelf 112. Zet de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie.

Begin met 5 beademingen. Kijk met een schuin oog of hierdoor de borstkas omhoog komt (daaraan is te zien of je beademing effectief is*). Als het slachtoffer hierna niet zelfstandig ademt, ga door met afwisselend borstcompressies en beademingen: bij kinderen tot de puberteit resp. 15 en 2, in andere gevallen resp. 30 en 2.

*Komt de borstkas niet omhoog bij inblazen, dan is de beademing niet  effectief:

  • inspecteer de mond van het slachtoffer en verwijder zichtbare obstakels;
  • controleer of je de hoofdkantel-kinliftmethode goed uitvoert.

De borstcompressie bij reanimatie van baby’s (jonger dan 1 jaar) gaat minimaal tot een derde van de diepte van de borstkas (circa 4 cm). Gebruik hiervoor de toppen van wijs- en middelvinger van één hand. Plaats bij beademing je mond over mond en neus van de zuigeling.

De borstcompressie bij reanimatie van kinderen tot de puberteit gaat minimaal tot een derde van de diepte van de borstkas (circa 5 cm) met de hiel van één hand.

Je kan gebruik maken van speciale kinderelektroden of een AED die voor kinderen geschikt is.

Passen de elektroden van de AED niet beide op de borstkas van het kind, plaats er dan één midden op de borstkas en één midden op de rug tussen de schouderbladen.

Na het reanimeren

Wanneer het bewusteloze slachtoffer normaal ademhaalt:

  • leg je hem in de stabiele zijligging;
  • controleer je iedere minuut of de ademhaling normaal blijft.

Bij een slachtoffer in de stabiele zijligging wordt de ademhaling gecontroleerd door één hand op de borst te leggen bij de overgang van borst naar buik en de andere hand op de rug.

Niet-reanimeren verklaring

De wens niet gereanimeerd te willen worden kan kenbaar gemaakt worden met een niet-reanimeren verklaring. Het opvolgen van deze wens wordt door het zelfbeschikkingsrecht van ieder mens mogelijk gemaakt.

Het zelfbeschikkingsrecht van de mens en de hulpverleningsplicht lijken tegenstrijdig. Bij circulatiestilstand moet onmiddellijk hulp worden verleend. Het zoeken naar de niet-reanimeren verklaring kost tijd. Het is voor hulpverleners belangrijk om zo snel mogelijk te starten met de reanimatie. Als er later een  niet-reanimeren verklaring of NVVE penning wordt gevonden, kan de reanimatie gestaakt worden. Als men dat niet durft kan het ook aan de professionele hulpverleners worden overgedragen.

2.7 Levensbedreigende stoornissen in de ademhaling

Ademhaling omvat:

  • de zuurstofopname uit de buitenlucht in de longen;
  • het transport naar de lichaamscellen;
  • de afgifte van zuurstof aan de lichaamscellen;
  • het transport van koolzuurgas naar de longen;
  • de afgifte van het koolzuurgas aan de buitenlucht.

Een volwassene ademt normaal 12 tot 16 keer per minuut zonder bijgeluiden. Als de ademhaling uitvalt ontstaat een zuurstoftekort in de hersenen met bewusteloosheid of zelfs hersenletsel tot gevolg.

Er is sprake van een normale ademhaling als:

  • er geen rochelend of gierend geluid te horen is;
  • de borstkas regelmatig (meer dan 10 maal per minuut) op en neer gaat;
  • de huidskleur normaal is.

Letsels die levensbedreigend voor de ademhaling zijn

Levensbedreigende letsels voor de ademhaling zijn:

  • uitwendige luchtwegbelemmering;
  • inwendige luchtwegbelemmering;
  • inhalatieletsel.

Luchtwegbelemmering

Er is aanvankelijk weinig aan de hand als er geen zuurstof in het bloed kan worden opgenomen (bijvoorbeeld bij verslikking door een spijsbrok). Iedereen kan zeker één minuut, zonder inademing van zuurstof, normaal functioneren. Er is nog voldoende zuurstof in de longen en de slagaders aanwezig. De hersenen reageren als eerste met een geleidelijke afname van het bewustzijn, zodra de zuurstofvoorraad uitgeput raakt.

Bij uitwendige luchtwegbelemmering, bijvoorbeeld door bedelving, probeer je de oorzaak te verwijderen.

Hulpverlening bij inwendige luchtwegbelemmering

Als een slachtoffer ademt, moedig hem dan om aan te hoesten. Blijf observeren.

Als het slachtoffer tekenen vertoont van verminderde of afwezige ademhaling, stopt met hoesten of knikkend bevestigt dat hij zich verslikt heeft:

  • bel 112 of laat 112 bellen en zet de telefoon op de luidsprekerfunctie;
  • geef 5 rugslagen:
    • ga aan de zijkant iets achter het slachtoffer staan;
    • steun met één hand de borst en buig het slachtoffer naar voren om te zorgen dat het vreemde voorwerp, als het losschiet, naar buiten komt en niet dieper in de luchtweg komt;
    • geef maximaal 5 stevige slagen tussen de schouderbladen met de hiel van je andere hand, zodat het vreemde voorwerp los kan komen.
  • Als slaan op de rug niet effectief is, geef dan maximaal 5 buikstoten;
  • ga achter het slachtoffer staan;
  • ga bij een zittend slachtoffer achter hem staan en zet je linker- of rechterheup of - knie tegen de rugleuning van zijn stoel;
  • sla je armen om het bovenste gedeelte van de buik;
  • zorg dat het slachtoffer iets naar voren buigt, zodat het voorwerp bij het losschieten niet dieper in de luchtweg kan zakken;
  • maak een vuist en plaats die tussen de navel en het onderste punt van het borstbeen in;
  • pak met de andere hand je vuist vast;
  • leg je onderarmen op het heupbeen van het slachtoffer;
  • trek je handen krachtig naar je toe en omhoog zodat het vreemde voorwerp losschiet;
  • Geef maximaal afwisselend 5 rugslagen en 5 buikstoten. Controleer na elke poging of de ademhaling weer normaal is.

Is de luchtwegbelemmering niet opgeheven, dan zal het slachtoffer na enkele minuten bewusteloos raken: help het slachtoffer om op de grond te gaan liggen. Bel 112 of laat 112 bellen als dat nog niet is gebeurd. Kijk of het voorwerp te verwijderen is door middel van de mondinspectie (in één poging!) en start met de reanimatie.

Het hart heeft tijdens de luchtwegbelemmering wel bloed rond gepompt, maar dit bloed bevat minder zuurstof. De hartspier heeft voor zijn functie zuurstof nodig en zal in deze situatie steeds minder krachtig gaan pompen. Enige tijd hierna zal het hart hiermee ophouden (klinisch dood). Er is sprake van een stilstand van de bloedsomloop ten gevolge van een ademhalingsstilstand.

Inhalatietrauma

Een inhalatietrauma kan ontstaan door inademing van hete gassen, lucht, rook of vuur. Inhalatieletsel bij een slachtoffer heeft een ongunstige invloed op herstel. De overlevingskans van slachtoffers met een inhalatietrauma is minder dan 50%.

Kenmerken van een inhalatietrauma zijn:

  • beschadiging van de hoge luchtwegen en met name zwelling van het strottenklepje. De zwelling ontstaat meestal enkele uren na het ongeval. Een symptoom kan heesheid zijn. Er zijn veelal brandwonden aan het gelaat en de neusharen zijn verbrand;
  • acute ontsteking van de grote luchtwegen, meestal als gevolg van inademen van rook. Het slachtoffer hoest slijm op waarin zich roetdeeltjes bevinden;
  • ademhalingsproblemen als gevolg van inademing van giftige producten. De problemen ontstaan binnen 48 uur na het ongeval. De verschijnselen zijn toenemende benauwdheid en een versnelde ademhaling.

Handel als volgt wanneer een slachtoffer hete gassen, lucht, rook of chemische stoffen heeft ingeademd:

  1. Bel altijd 112, ook als het slachtoffer niet benauwd is;
  2. Breng hem zo snel mogelijk in de frisse lucht;
  3. Maak knellende kleding los. Het slachtoffer moet zich van zijn kleding ontdoen bij giftige gassen of dampen;
  4. Laat hem - als hij bij bewustzijn is - een halfzittende houding aannemen (de ademhaling wordt hierbij het minst belemmerd);
  5. Is het slachtoffer buiten bewustzijn, maar ademt hij zelf: leg hem in de stabiele zijligging om de ademweg vrij te houden;
  6. Blijf de ademhaling controleren;
  7. Is er geen of geen normale ademhaling: begin direct met reanimeren.

Koolmonoxidevergiftiging

Een koolmonoxidevergiftiging kan ontstaan door onvolledige verbranding van materialen. De zuurstofvoorziening naar de weefsels (stofwisseling) komt in het gedrang. De vergiftigingsverschijnselen variëren van hoofdpijn tot bewusteloosheid en dood.

Er bestaat meestal een relatie tussen de concentratie van koolmonoxide dat gebonden zit aan de bloedkleurstof (=hemoglobine) en de verschijnselen:

 Concentratie Verschijnselen
<10% Weinig verschijnselen
10-20% Hoofdpijn en een strak gevoel om het voorhoofd
20-30% Kloppende hoofdpijn
30-40% Hoofdpijn met een algemeen gevoel van slapte, duizeligheid, gestoord zicht, misselijkheid, braken en flauwvallen
40-50% Snelle hartslag en ademhaling
>50% Bewusteloosheid en epileptische aanvallen
>60% Door stoornissen in het hart en van de ademhaling is een fataal verloop te verwachten

De deskundige hulpverlening dient 100% zuurstof toe bij een verdenking van koolmonoxidevergiftiging, ook tijdens het vervoer naar het ziekenhuis. De koolmonoxide wordt hierdoor sneller geëlimineerd.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor de ademhaling

Een slachtoffer is bekend met een longziekte zoals bijvoorbeeld astma, COPD, longontsteking of longembolie. De gezondheidssituatie van het slachtoffer kan plots verslechteren. Hij kan bloed ophoesten in combinatie met pijn op de borst en hevig benauwd zijn. Bel 112 of laat iemand 112 bellen.

Zet de telefoon op de luidsprekerfunctie. Start met reanimeren wanneer het slachtoffer zijn bewustzijn verliest. Bel de huisarts(enpost) als het slachtoffer pijn heeft bij het (piepend) sneller ademen.

Bel 112 als het slachtoffer niet alleen sneller ademt, maar ook pijn in de borst en hartkloppingen heeft. Hij is hevig benauwd en/of zijn huid kan blauw-paars verkleuren. Hij wordt steeds suffer.

Bij een paniekaanval gaat een slachtoffer sneller ademen. Er is sprake van een te laag koolzuurgehalte (niet van een zuurstoftekort) in het bloed.

2.8 Levensbedreigende stoornissen in de circulatie

Het hart pompt het bloed continu door het lichaam. Door het bloed worden onder andere zuurstof en voedings- en afvalstoffen getransporteerd. In rust is de hartfrequentie bij gezonde volwassenen 60 tot 80 slagen per minuut.

Een intact vaatstelsel (slagaders en aders), voldoende hoeveelheid bloed (vocht) en de rondpompende werking van het hart zijn noodzakelijk voor een goed functionerende bloedsomloop.

Verschijnselen van circulatiestilstand

Een circulatiestilstand is een plotselinge gebeurtenis, waarbij het hart acuut gestopt is met rondpompen van bloed. Het zuurstoftransport naar de organen stopt eveneens direct. De hersenen reageren als eerste op dit zuurstofgebrek. Vrijwel direct (na 10 à 15 seconden) treedt bewusteloosheid in. Doordat de coördinatie van de ademhaling door de hersenen geregeld wordt, zal ook deze vrijwel direct stoppen (ademhalingsstilstand op basis van circulatiestilstand).

Letsels die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Levensbedreigende letsels voor de circulatie kunnen zijn:

  • shock of
  • hevig, actief bloedverlies.

Shock

De bloedsomloop functioneert niet optimaal als er onvoldoende bloed door het vaatstelsel wordt gepompt. Er zal geleidelijk aan een zuurstoftekort optreden in de lichaamscellen. Deze toestand wordt shock genoemd.

De belangrijkste oorzaak van shock is ernstig bloedverlies (uitwendig dan wel inwendig).

Shock kan ook veroorzaakt worden door:

  • hartproblemen;
  • extreem vochtverlies (brandwonden, uitdroging en diarree);
  • allergische reacties;
  • ernstige infecties.

De verschijnselen van een shocktoestand zijn:

  • het slachtoffer is bleek en grauw van kleur;
  • hij voelt koud en klam aan;
  • hij is dorstig;
  • hij voelt zich heel naar;
  • hij maakt (door gebrekkig zuurstoftransport) een onrustige en/of angstige indruk.

Shock is een levensbedreigende situatie die direct deskundige hulp vereist.

Als eenmaal een shocktoestand is ontstaan, kan de hulpverlener deze toestand niet opheffen. Verleen als volgt hulp, gericht op het niet verergeren van shock:

  • bel 112 of laat 112 bellen en zet de telefoon op luidsprekerfunctie;
  • laat het slachtoffer (gaan) liggen;
  • stel het slachtoffer gerust (dit vermindert het zuurstofverbruik);
  • is het slachtoffer nog bij bewustzijn, dan mag hij zelf een, voor hem prettige (liggende) houding kiezen, pas anders de stabiele zijligging toe;
  • stelp uitwendig bloedverlies;
  • bescherm het slachtoffer tegen verdere afkoeling, maar ga hem niet opwarmen;
  • laat het slachtoffer niets drinken of eten!

Hevig, actief bloedverlies

Hevige, actieve bloedingen zijn levensbedreigend. Er zijn bloedvaten getroffen in het hoofd, de hals, armen of benen. Het bloed komt -gelijkmatig of in stoten- uit de wond. Er moet onmiddellijk gehandeld worden. Bel 112 of laat 112 bellen. Vraag het slachtoffer of een omstander druk op de wond te geven, zodat je zelf verder kunt met hulpverlenen. Doe dit anders zelf. Laat het slachtoffer op de rug liggen, zonder dat hij zich hierbij inspant.

Het is wenselijk beschermende handschoenen te dragen bij het behandelen van slachtoffers met een bloeding, om eventuele besmetting te voorkomen.

Er moet op de volgende wijze gehandeld worden:

  1. Maak, als dit mogelijk is, de wond vrij van kleding.
  2. Leg een steriel kompres/verband op de wond. Als je geen verband hebt, kun je van een schone doek of een schone, opengevouwen zakdoek een prop maken en deze prop op de wond drukken. Druk desnoods met de blote hand op de wond.
  3. Druk op de wond. Blijf op de wond drukken, tot het bloeden stopt, je een wonddrukverband zo strak mogelijk kunt aanleggen of de professionele hulp het van je overneemt.

Een geamputeerd lichaamsdeel verpak je in een droge plastic zak. Doe de zak in een andere zak, gevuld met smeltend ijs of ijs waaraan water is toegevoegd.

Ziekten die levensbedreigend zijn voor de circulatie

Een hartprobleem kan levensbedreigend voor de circulatie zijn.

De toestand, waarbij de doorbloeding in de aders zo ernstig is verstoord dat hartspiercellen niet meer voorzien worden van zuurstofrijk bloed, wordt hartinfarct genoemd.

Het slachtoffer ervaart beklemmende pijn op de borst die onder meer naar de bovenarmen, hals, kaak, rug en maagstreek kan uitstralen. Hij voelt zich ellendig en is dikwijls letterlijk doodsbang. Ook kan het slachtoffer hevig transpireren. Als deze verschijnselen optreden moet ogenblikkelijk 112 gebeld worden. Zet de telefoon op luidsprekerfunctie. Laat het slachtoffer niet alleen en laat hem in een voor hem prettige houding zitten of liggen.

Een verminderde doorbloeding komt bij mannen vooral in de kransslagaders voor.

Bij vrouwen komt een verminderde doorbloeding vaker in de kleine hartbloedvaten voor. Hierdoor zijn de daaruit voortvloeiende symptomen bij vrouwen (plotse vermoeidheid, slapeloosheid, maagklachten of hartkloppingen) soms moeilijk herkenbaar als signaal van een hartinfarct.

Ook oorzaken die buiten het hart gelegen zijn, kunnen leiden tot ritmestoornissen, zoals totale uitval van hartactiviteit of kamerfibrilleren.

De buiten het hart gelegen oorzaken kunnen zijn:

  • stoornissen in de ademhaling;
  • bepaalde vergiftigingen;
  • elektriciteit;
  • te hoge temperatuur (oververhitting) of te lage temperatuur (onderkoeling) van het lichaam;
  • een groot bloedverlies;
  • een allergische reactie;
  • een groot vochtverlies (brandwonden);
  • uitdroging (door overgeven of diarree).

Bij een totale uitval van hartactiviteit bereiken de elektrische prikkels de hartspiervezels niet meer. Het hart staat daadwerkelijk stil (hartstilstand). We spreken van kamerfibrilleren wanneer de spiervezels van de kamers zonder onderlinge samenhang samentrekken. Het hart kan het bloed niet meer rondpompen.

Het is voor de hulpverlener niet mogelijk te onderscheiden of het bij een stilstand van de bloedsomloop gaat om een totale uitval van de hartactiviteit of om kamerfibrilleren. De hulpverlener probeert door te reanimeren de pompwerking van het hart over te nemen en daarmee het intreden van de biologische dood te voorkomen. Een goed uitgevoerde reanimatie kan met name succes hebben wanneer de oorzaak in het hart zelf gelegen is. Het uiteindelijke resultaat is afhankelijk van de ernst van de doorbloedingsstoornis in de kransslagaders en de gevolgen daarvan voor het hart.

2.9 Levensbedreigende stoornissen in het bewustzijn

Bij een normaal bewustzijn is er besef voor de omgeving. De hersenen zijn betrokken bij alles wat met bewustzijn te maken heeft.

Letsels die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende letsels voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • schedel- of hersenletsel;
  • elektriciteitsletsel;
  • ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling;
  • vergiftiging bij inname van een giftige stof.

Schedel- of hersenletsel

Na een ongeval kan het slachtoffer hevige of steeds erger wordende hoofdpijn hebben. Dit kan duiden op schedel- of hersenletsel. Bel 112 of laat 112 bellen. Zorg dat het slachtoffer zich niet beweegt in verband met mogelijk wervelletsel.

Lichttraumatisch hersenletsel werd voorheen hersenschudding genoemd. De hersenen worden voor korte tijd door elkaar geschud. De oorzaak kan een val zijn of een stoot tegen het hoofd. Het slachtoffer heeft een tijdelijk verstoord geheugen (weet niet meer wat er is gebeurd), heeft hoofdpijn, is misselijk en moet soms braken. Neem contact op met de huisarts(enpost) en laat het slachtoffer rust houden.

Een schedelbasisbreuk is een breuk van de schedelbasis. Deze bevindt zich tussen de hersenschedel en de aangezichtsschedel. De vrij dunne schedelbasis kan bij een val of een schok makkelijk breken.

De verschijnselen van een schedelbasisbreuk kunnen zijn: vocht (bloedingen) uit de neus of het oor en blauwe plekken rond de ogen of achter de oren (vaak pas na enkele uren zichtbaar). Er kan een aantal hersenzenuwen uitvallen en het slachtoffer kan na het letsel bewusteloos raken. Uitvalsverschijnselen van de hersenzenuwen uiten zich onder andere in het verlies van het reuk- en gezichtsvermogen. Ook kunnen de oogbewegingen en de motoriek worden aangetast. Neem contact op met de huisarts(enpost).

Elektriciteitsletsel

Er zijn uiterlijke kenmerken waaraan je kunt zien dat een slachtoffer in aanraking is of is geweest met stroom:

  • hij kan de stroombron niet loslaten omdat er spierkramp optreedt;
  • hij heeft tweede- en/of derdegraads brandwonden;
  • hij kan moe zijn, wil gaan liggen en raakt versuft;
  • er kan bewusteloosheid, een ademhalingsstoornis of een circulatiestilstand optreden, ook na enige tijd.

Zorg eerst voor je eigen veiligheid! Schakel de stroombron uit door bijvoorbeeld de stekker uit het stopcontact te trekken of door de noodknop van de machine in te drukken. Lukt dit niet, bel 112 of laat 112 bellen.

Heeft het slachtoffer geen contact meer met de stroombron, verleen dan eerste hulp. Is het slachtoffer bewusteloos en heeft hij een goede ademhaling, leg het slachtoffer in de stabiele zijligging. Is het slachtoffer bewusteloos en heeft hij geen (goede) ademhaling, bel 112 of laat 112 bellen en begin met reanimeren.

Een slachtoffer kan getroffen worden door een elektrische schok van een hoogspanningskabel (denk aan de kabels boven het spoor). Bel 112, of laat dit doen. Door de schok kan het slachtoffer weggeslingerd worden. Ga niet naar het slachtoffer toe, tenzij je zeker weet dat de stroom is uitgeschakeld of dat er geen contact meer is met de stroombron. De stroom kan zo sterk zijn, dat hij van het slachtoffer naar jou overspringt.

Bij twijfel of een niet veilige situatie: wacht op de professionele hulpverlening.

Ernstige oververhitting (hitteberoerte) of onderkoeling

Bel 112 als het slachtoffer verschijnselen vertoont van ernstige oververhitting (oververhit, maar met een droge, warme huid zonder transpiratie en toenemende sufheid) of ernstige onderkoeling (onderkoeld, maar gestopt met rillen of klappertanden en toenemende sufheid).

Vergiftiging bij inname van een giftige stof

Het verliezen van het bewustzijn kan veroorzaakt worden door de inname van een giftige stof. Bel 112 (of laat een ander dat doen) wanneer het slachtoffer erg benauwd is, suf is of het bewustzijn heeft verloren. Heeft hij een goede ademhaling, leg het slachtoffer in de stabiele zijligging. Volg de bedrijfsprocedures, zoals die voor de giftige stof gelden of bel de huisarts(enpost).

Ziekten die levensbedreigend zijn voor het bewustzijn

Levensbedreigende ziekten voor het bewustzijn kunnen zijn:

  • epilepsie;
  • diabetes (suikerziekte);
  • beroerte;
  • flauwte.

Epilepsie

Epilepsie is een stoornis in de hersenen die soms toevallen veroorzaakt. In het geval van een kleine aanval verliest het slachtoffer het contact met zijn omgeving. Bij een grote aanval raakt het slachtoffer plotseling bewusteloos, maakt schokkende bewegingen met armen en/of benen en kan soms (bloederig) schuim op de mond krijgen. Het bewustzijn keert na enige tijd terug. Vaak wordt daarna over vermoeidheid geklaagd.

Bel altijd 112 bij een grote aanval. De eerste hulp is gericht op het bewaken van de luchtweg en de ademhaling. Zorg ervoor dat het slachtoffer zich nergens aan kan bezeren. Probeer de bewegingen die hij maakt niet tegen te houden. Is het slachtoffer na een aanval bewusteloos en is zijn ademhaling normaal, leg hem in de stabiele zijligging.

Diabetes (suikerziekte)

Ieder mens heeft een bepaalde hoeveelheid suiker (glucose) in opgeloste vorm in het bloed. Suiker is de energiebron voor de lichaamscellen. Insuline zorgt ervoor dat de hoeveelheid suiker in het bloed binnen bepaalde grenzen blijft. Mensen met diabetes produceren zelf geen of onvoldoende insuline.

De glucose kan niet goed opgenomen worden in de cellen, waardoor een tekort aan energie ontstaat.

We onderscheiden:

  • een te hoog bloedsuikergehalte (hyperglykemie). Wanneer het suikergehalte in het bloed te veel stijgt, wordt het slachtoffer zwakker, slaperig en ademt hij moeilijker. Mogelijk kan het slachtoffer braken. Bel de huisarts(enpost).
  • een te laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie). Het slachtoffer kan erg verward zijn. Hij kan geeuwen, transpireren en soms agressief zijn. Het slachtoffer kan worden geholpen door hem een suikerklontje of limonade te geven. Hij moet dit zelf kunnen aanpakken. Kan hij dat niet, dan mag hij niets eten of drinken. Bel 112 als het slachtoffer het bewustzijn verliest en leg hem in de stabiele zijligging. Ben je er zeker van dat het om een hypo gaat en het bewusteloze slachtoffer ligt niet op de rug, smeer honing of stroop aan de binnenkant van zijn wang. Masseer de buitenkant van de wang om de opname van koolhydraten te bevorderen.

 Beroerte

Een beroerte is een acute verstoring van de hersencirculatie, die veelal gepaard gaat met uitvalsverschijnselen. Een beroerte is vast te stellen door middel van de mond/spraak/arm-

  • Mond: de mond staat scheef en/of de mondhoek hangt;
  • Spraak: het slachtoffer kan niet uit zijn woorden komen, spreekt wartaal of onduidelijk;
  • Arm: wanneer beide armen gestrekt met de handpalm naar boven worden gehouden zijn er ongecontroleerde bewegingen of zakt een arm weg.

Andere symptomen kunnen zijn: problemen met het evenwicht, dubbel of wazig zien en blindheid aan één van de ogen.

Bij een herseninfarct wordt door een bloedstolsel een bloedvat in de hersenen afgesloten. Het slachtoffer vertoont veelal een plotselinge, meestal halfzijdige verlamming en vaak ook een spraakstoornis. Het slachtoffer blijft in de regel bij bewustzijn en begrijpt niet altijd wat er gebeurt. Goede uitleg aan hem is dus belangrijk.

In geval van een hersenbloeding wordt over hevige hoofdpijn geklaagd (soms wordt het barsten van een hersenslagader gevoeld), waarna vaak bewustzijnsverlies optreedt. Het slachtoffer ademt dan blazend vanuit een scheefstaande mond.

In alle gevallen moet je 112 bellen (ook als er sprake is van zeer plotselinge, hevige hoofdpijn met misselijkheid en braken). Is het slachtoffer bewusteloos: controleer de ademhaling. Is de ademhaling normaal: leg hem in de stabiele zijligging. Is er geen normale ademhaling, start met reanimeren.

Flauwte

Flauwte is een tijdelijk tekort aan zuurstofrijk bloed in de hersenen. Het slachtoffer heeft een bleke gelaatskleur, transpireert en geeuwt. Een flauwte kan na enige tijd overgaan in een wegraking (bewusteloosheid). De oorzaken kunnen zijn: uitputting (door vermoeidheid, honger of zwakte), plotselinge schrik, een benauwde omgeving of te weinig zuurstof in de hersenen door bloedarmoede.

Verleen als volgt eerste hulp:

  • Voorkom dat het bewustzijn wordt verloren door het slachtoffer te voorzien van frisse lucht;
  • Stel het slachtoffer gerust en leg hem plat neer (je kunt daarnaast ook de benen omhoog houden);
  • Knapt hij niet binnen 2 minuten op of verliest hij het bewustzijn, bel 112 en controleer de ademhaling;
  • Als het slachtoffer weer bij bewustzijn is minimaal 10 minuten plat op de grond laten liggen. Daarna voorzichtig laten zitten.

2.10 Verwondingen

Bij ernstige verwondingen, zoals grote tweede- en derdegraads brandwonden, diepe wonden, open botbreuken, been-, of heupbreuken, wervelletsel, blauwe of zeer bleke ledematen: bel 112 of laat dit door een ander doen. De huisarts(enpost) bel je in geval van andere grote wonden en als wonden blijven bloeden of vuil zijn.

Verontreiniging en besmetting

Iedere wond is verontreinigd met ziektekiemen. Een kleine verwonding kun je uitspoelen onder de kraan. Het kraanwater in Nederland is hiervoor probleemloos te gebruiken. Is er geen schoon water in de buurt dan kun je een huidontsmettingsmiddel gebruiken. Bij wonden waarmee je na eerstehulpverlening naar een arts gaat, mag je geen jodium gebruiken. Het gebruik van deze middelen verandert het uiterlijk van de wond. Hierdoor kan de arts de wond minder goed beoordelen en lastiger hechten.

Wanneer een wond geïnfecteerd raakt, reageert het afweersysteem van het lichaam hierop met de volgende symptomen:

  • de wond wordt rood en pijnlijker;
  • er is vaak een zwelling zichtbaar;
  • de huid voelt warm aan;
  • het slachtoffer kan verhoging of koorts krijgen.

Het slachtoffer moet naar de huisarts(enpost) als bij een gesloten wond een rode lijn onder de huid verschijnt.

Kleine bloedingen

Een bloeding is het verlies van bloed uit het bloedvatenstelsel door beschadiging van een bloedvat. Bij een inwendige bloeding stroomt bloed uit een bloedvat, maar blijft in het lichaam. Bij een uitwendige bloeding is het uit het lichaam tredende bloed zichtbaar.

We onderscheiden:

  • slagaderlijke bloedingen: het bloed komt stootsgewijs uit de wond en is helder rood;
  • aderlijke bloedingen: het bloed stroomt gelijkmatig uit de wond en is donkerrood;
  • haarvatenbloedingen: het bloed sijpelt uit de wond.

Veel grote bloedingen zijn een combinatie van deze drie soorten.

Hevig, actief bloedverlies kan de bloedvoorziening van de weefsels verstoren. Dit bloedverlies kan zeer ernstige gevolgen hebben en zelfs levensbedreigend zijn.

Het is wenselijk beschermende handschoenen te dragen bij het behandelen van slachtoffers met een bloeding, om eventuele besmetting te voorkomen.

Het is niet noodzakelijk bij kleine bloedingen de huisarts(enpost) of 112 te bellen. Het bloeden kan uit zichzelf door stolling verminderen of stoppen.

Bloedneus

Een bloedneus ontstaat spontaan, of door een klap of stoot tegen het hoofd. Spontane bloedneuzen kunnen ontstaan door een verkoudheid, te vaak of te hard snuiten of door grote temperatuurwisselingen.

Is een bloedneus het gevolg van hoofdletsel, dan mag de neus niet gesnoten worden en moet je 112 bellen. In andere gevallen kun je zelf de eerste hulp verlenen. Laat het slachtoffer voorover in de schrijfhouding zitten, zodat het bloed gemakkelijk de neus uitloopt. Als het slachtoffer het hoofd achterover houdt, dan kan hij bloed inslikken en wordt hij misselijk.

Als de bloedneus spontaan is ontstaan, snuit je je neus een keer goed. Knijp de neus stevig dicht door beide neusvleugels (het zachte deel van de neus) tegen het tussenschot te drukken of laat het slachtoffer dit zelf doen. Houd dit gedurende 5 minuten vol. Is de bloeding niet gestopt, neem contact op met de huisarts(enpost).

Snijwond

Snijwonden kunnen veroorzaakt worden door onder andere scharen, messen, spijkers of snijden aan papier of glas. Snijwonden zijn pijnlijke verwondingen.

Spoel de wond schoon. Dek de wond af met een wondpleister, een steriel kompres (vastgezet met kleefpleister), een snelverband of een elastisch of zelfklevend zwachtel. De keuze van het verband is afhankelijk van de plaats en de grootte van de wond.

De wondranden bij een snijwond kunnen uit elkaar staan. Je kunt de wondranden weer tegen elkaar plaatsen door het plakken van een zwaluwstaartje (geknipt uit kleefpleister) of hechtstrips. Je plakt één kant van de hechtstrip aan de ene kant van de wond. Houd deze met je duim op zijn plaats en trek er licht aan, zodat de wondranden naar elkaar toe getrokken worden. Plak de andere kant vast.

Plaats meerdere hechtstrips naast elkaar, steeds met een paar millimeter er tussen, afhankelijk van de grootte van de wond. Maak rond de wond de huid schoon en dek de wond steriel af.

Laat een eventueel voorwerp in de wond zitten.

Bel de huisarts(enpost) als:

  • het bloeden niet stopt;
  • de wond erg vuil is;
  • de wondranden erg rafelig zijn;
  • of als er nog iets in de wond steekt.

Splinterverwonding

Je kunt een splinter (bijvoorbeeld van hout of glas) of een steentje alleen met een pincet verwijderen als er een klein stukje uitsteekt:

  • pak de splinter zo dicht mogelijk bij de huid beet en
  • verwijder de splinter in de lengterichting.

Steekt er niets uit, is de splinter lastig te verwijderen of twijfel je of de hele splinter is verwijderd, bel de huisarts(enpost). Doe dit ook als er huid in een rits vastzit.

Schaafwond

Schaafwonden zijn pijnlijke wonden. Het bovenste laagje van de huid is stuk. Je ziet kleine bloedende stipjes: dit zijn beschadigde haarvaten. Bij een schaafwond op onbedekte huid kun je er vanuit gaan dat er (straat)vuil in de wond zit.

Spoel de wond schoon met lauw, zacht stromend water. Laat de wond het liefst drogen aan de lucht. Zit de wond onder kleding dan moet deze steriel afgedekt worden. Zalfgaas houdt de schaafwond soepel, zorgt voor een betere doorbloeding en kan leiden tot minder littekenweefsel.

Ga met grote schaafwonden naar een huisarts(enpost).

Steekwond

Een steekwond is een kleine, vaak diepe wond, ontstaan door het steken met een mes, schaar, priem of iets dergelijks.

Als het voorwerp zich nog in het lichaam bevindt, laat het zitten. Het eruittrekken beschadigt het weefsel of verergert een bloeding. Steekt er niets uit de wond, dan kun je de wond met een passend verband verbinden.

Afhankelijk van de diepte en de plaats waar de steekwond zich bevindt bel je de huisarts(enpost) of 112.

Scheurwond

Scheurwonden kunnen ontstaan door achter een spijker te blijven hangen of bij het openhalen aan prikkeldraad. Scheurwonden kunnen ook ontstaan door een beet.

Scheurwonden zijn altijd lelijke wonden. De wondranden zijn rafelig en soms ontbreekt er een stuk van de huid.

Zijn de verwondingen toegebracht door een (huis)dier, zorg ervoor dat het dier uit de ruimte verwijderd wordt. Spoel de wond schoon. Dit soort wonden moeten altijd door een arts gezien worden in verband met infectiegevaar.

2.11 Verbanden

Verbanden worden aangelegd op een uitwendige wond, met als doel het voorkomen van besmetting en (verder) bloedverlies.

Verband kan ook steun geven bij bijvoorbeeld kneuzingen van de ledematen.

Het te gebruiken verband voor uitwendige wonden moet aan een aantal eisen voldoen:

  • het verband moet steriel zijn;
  • het verband moet direct op de juiste plaats worden aangelegd en mag daarna niet meer worden verschoven;
  • het verband mag niet knellen.

Er zijn verschillende soorten verbandmateriaal. De keuze is afhankelijk van de wond (grootte, ernst) en waar de wond zich bevindt.

Een wond kan afgedekt worden met een wondpleister, een steriel niet-verklevend kompres (vast te zetten met kleefpleister of een zwachtel), snelverband of wondsnelverband.

Snelverband heeft een niet-verklevend wondkussen, een korte en een lange zwachtel. Wondsnelverband zit gevouwen in de verpakking en heeft kleefpleisters aan het uiteinde van de windsels.

Het aanleggen van een wondsnelverband

  1. Maak de verpakking open en haal het verband uit de verpakking, zonder het open te vouwen.
  2. Haal de beschermstrook van de kleefpleister van de korte zwachtel.
  3. Neem een windsel in elke hand en houd het verband met het wondkussen boven de wond.
  4. Zet de kleefpleister van de korte zwachtel vast op de huid.
  5. Zie er op toe dat het wondkussen de gehele wond afdekt.
  6. Wikkel de lange zwachtel geheel af.
  7. Verwijder de beschermstrook van de kleefpleister aan de lange zwachtel en kleef het wondsnelverband vast.

Het aanleggen van een snelverband

Een snelverband moet als volgt worden aangelegd:

  1. Kies een snelverband dat geschikt is voor de wond.
  2. Knip enkele stukjes kleefpleister.
  3. Maak de verpakking open en haal het verband uit de verpakking, zonder het open te rollen.
  4. Neem het uiteinde van de rol in de hand en wikkel een stukje verband af totdat het wondkussen geheel zichtbaar is.
  5. Plaats het wondkussen rechtstreeks op de wond.
  6. Wikkel de rol helemaal af en zorg ervoor dat het wondkussen geheel wordt afgedekt door het windsel.
  7. Zet het uiteinde van het afgerolde snelverband met de stukjes kleefpleister vast.

Het aanleggen van een wonddrukverband

Een wonddrukverband wordt aangelegd wanneer bloed door het (wond)snelverband heen komt.

Je hebt de volgende materialen nodig:

  • een zwachtel waarvan de breedte geschikt is voor het gewonde lichaamsdeel;
  • stukjes kleefpleister.

Een wonddrukverband moet als volgt rond het (wond)snelverband worden aangelegd:

  1. Neem de zwachtel zó in de hand, dat in de rol gekeken kan worden.
  2. Zet aan, ruim onder het (wond)snelverband.
  3. Zwachtel zo strak mogelijk, in de richting van de romp.
  4. Bedek met elke slag twee derde van de vorige slag.
  5. Zorg ervoor dat het (wond)snelverband geheel bedekt is.
  6. Eindig ruim boven het (wond)snelverband.
  7. Fixeer de zwachtel met de stukjes kleefpleister.
2.12 Brandwonden

Een brandwond is een ernstig letsel. Een adequate eerstehulpverlening kan de ernst van de verwonding beperken en schadelijke gevolgen op termijn ver minderen. Een brandwond is een beschadiging van de huid als gevolg van warmte-inwerking door vuur, explosie, hete vloeistoffen of contact met hete oppervlakken. Letsels veroorzaakt door elektriciteit, bliksem of chemische producten worden ook tot de brandwonden gerekend.

De ernst van brandwonden wordt bepaald door:

  • de diepte
  • de grootte
  • de plaats
  • de oorzaak

De kans op herstel is mede afhankelijk van leeftijd, lichamelijke gesteldheid en aanwezigheid van andere letsels.

Diepte van de verbranding

Brandwond      Huid symptomen     Actie
Eerstegraads
  • rood
  • licht gezwollen
  • pijnlijk
  • koelen met water
Tweedegraads
  • rood
  • licht gezwollen
  • pijnlijk
  • vertoont blaren
  • koelen met water
  • zo mogelijk steriel afdekken (metalline)
Derdegraads
  • grauwwit (gekookt) of zwart (verkoold)
  • soepelheid verloren
  • pijnloos
  • koelen met water
  • zo mogelijk steriel afdekken (metalline)

Grootte verbrand lichaamsoppervlak

De grootte van de brandwond is niet alleen van belang voor de lokale behandeling, maar vormt ook een graadmeter voor de ernst van de verbranding.

Er kan een shock ontstaan wanneer het lichaam voor meer dan 10% is verbrand. De grootte van de brandwond kan worden bepaald met het handoppervlak (met gestrekte vingers) van het slachtoffer. Het handoppervlak omvat ruim 1% van zijn lichaamsoppervlak.

De regel van negen is een alternatieve methode voor het vaststellen van de grootte van de brandwond. Het lichaamsoppervlak wordt bij deze methode in vlakken van 9% verdeeld.

Eerste hulp bij brandwonden

De eerste hulp bestaat uit:

  • het opheffen van de oorzaak van de verbranding;
  • het inroepen van deskundige hulp;
  • het koelen van de brandwond;
  • het steriel afdekken van de brandwond.

Het opheffen van de oorzaak van de verbranding

Het vuur moet zo snel mogelijk gedoofd worden als het slachtoffer nog in brand staat. Kleding die door benzine in brand is geraakt, kan met water geblust worden. Brandende vloeistoffen zelf kunnen niet met water geblust worden: gebruik een blusdeken of schuimblusser.

Help het slachtoffer te gaan liggen. Vermijd dat het slachtoffer gaat staan of (weg)loopt. Een liggend slachtoffer kan (je) over de grond rollen om de vlammen te doven. Probeer te voorkomen dat hoofd en hals in contact komen met de vlammen.

Het slachtoffer kan in een blusdeken, jas of kleed worden gewikkeld als er geen bluswater binnen handbereik is. Gebruik nooit een jas, kleed of deken van synthetisch materiaal (zoals een isolatiedeken). Synthetisch materiaal is licht ontvlambaar en heeft de neiging aan de verbrande huid vast te kleven.

Wikkel de deken of jas vanaf de hals richting de voeten. Zorg dat het hoofd van het slachtoffer vrij blijft.

Het inroepen van deskundige hulp

Bij ernstige en/of uitgebreide verbrandingen of inhalatietrauma bel je 112.

Bij minder ernstige tweede- en derdegraadswonden bel je de huisarts(enpost).

Het koelen van een brandwond

De eerste hulp bij brandwonden bestaat onder andere uit het koelen om de warmte zo snel mogelijk af te voeren. Verdere verbranding wordt met koelen tegengegaan en het vermindert de pijn. Lang en intensief koelen kan leiden tot onderkoeling. Controleer iedere minuut of het slachtoffer niet teveel afkoelt.

Probeer voor het koelen kleding, luiers en sieraden te verwijderen. Mocht de kleding echt vast zitten, knip de stof eromheen los.

Koelwater mag niet te koud zijn (bij voorkeur tussen 15 ̊C en 30 ̊C). Een harde straal water direct op de brandwond is pijnlijk en moet worden vermeden. Koel 10 - 20 minuten. Heb je geen kraanwater voorhanden, gebruik desnoods slootwater!

Een slachtoffer met grote verbrandingen kan ook onder een douche geplaatst worden.

Het steriel afdekken van een brandwond

Tweede- en derdegraadsbrandwonden moeten steriel worden afgedekt, met plastic huishoudfolie, niet-verklevend steriel kompres/verband of een schone doek. Een kompres wordt losjes bevestigd met een daaromheen gewikkeld zwachtel.

Bij uitgebreide brandwonden wordt het slachtoffer in een metallinelaken of een schoon laken gewikkeld. Breng het verband over de kleding aan, als de kleding echt aan de verbrande huid vastzit.

Smeer niets op de tweede- of derdegraadsbrandwond. Een arts kan de ernst van de verbranding dan niet goed beoordelen. Raak de brandwond ook niet aan.

Hydrogel

Er zijn speciale producten op de markt voor het koelen van brandwonden. Het basisproduct is een hydrogel.

De gel zorgt voor een langdurige koeling en vermindert de pijn. De gel kan eenvoudig met water worden afgespoeld.

Er bestaan sprays en gaaskompressen met gel.

Gebruik hydrogelproducten alleen dan, wanneer er geen stromend water voorhanden is. Heb je al met water gekoeld, dan mag je geen hydrogelproduct meer aanbrengen.

2.13 Wervelletsel, botbreuken, ontwrichtingen,  kneuzingen en verstuikingen

Bel 112 bij wervelletsel, open botbreuken en breuken of ontwrichtingen van been, heup en bekken, bij blauwe of zeer bleke ledematen en bij hevige pijn.

Bel de huisarts(enpost) bij breuken of ontwrichtingen van schouder, arm, elleboog, pols, hand, knie, voet of enkel. Zorg in overleg met de arts voor het vervoer van het slachtoffer naar het ziekenhuis.

Vraag het slachtoffer eventuele sieraden van een gewond lichaamsdeel te verwijderen of help hem daarbij. Er bestaat gevaar voor afknelling door zwelling.

Wervelletsel

Je hebt 112 al gebeld. Een slachtoffer met mogelijk wervelletsel moet stil blijven liggen. Probeer zijn hoofd vast te houden in de gevonden positie. Doe dit niet als het slachtoffer onrustig is of als hij dit niet wil.

Botbreuken

We onderscheiden twee soorten botbreuken:

  • open botbreuken: het bot is gebroken en de huid is ter plaatse kapot (huidwond);
  • gesloten botbreuken: het bot is gebroken, maar de huid is onbeschadigd.

Een botbreuk is te herkennen aan:

  • pijn op de plaats van de breuk;
  • een zwelling op de plaats van de breuk door een onderhuidse bloeding of doordat een bot door verplaatsing tegen de huid drukt;
  • het niet kunnen gebruiken van het gebroken lichaamsdeel;
  • moeite met ademhalen als het een ribbreuk betreft;
  • een abnormale stand;
  • een abnormale beweeglijkheid;
  • het zichtbaar zijn van een uitwendige wond;
  • het hoorbaar kraken of voelbaar meegeven van het bot.

De volgende hulpmaatregelen kunnen genomen worden om de pijn van het slachtoffer te verminderen en verdere beschadiging van het getroffen lichaamsdeel te voorkomen:

  1. Laat, als het kan, het slachtoffer in de houding blijven waarin je hem hebt aangetroffen. Het verplaatsen van het slachtoffer kan zijn toestand verergeren.
  2. Je mag het gebroken lichaamsdeel niet in de goede positie terugbrengen of recht leggen. Dit geldt ook in het geval het lichaamsdeel bleek of blauw verkleurd is (wat kan duiden op een bedreigde circulatie).
  3. Laat het slachtoffer het gebroken lichaamsdeel zo mogelijk zelf ondersteunen door het voorzichtig vast te houden. Ondersteun een gebroken been in de gevonden positie met handen, tassen, jassen of een dekenrol (voorkom dat de voet omklapt).
  4. Leg een kompres losjes op de wond en plak het vierzijdig af als er een (bloedende) wond op de plaats van de breuk zichtbaar is.
  5. Zorg dat het getroffen lichaamsdeel zo min mogelijk bewogen kan worden.

Ontwrichtingen

Bij een ontwrichting is een gewricht uit de kom. Dit kan door een ruk aan een ledemaat zijn ontstaan. De hulpverlening is gelijk aan die van botbreuken.

Probeer niet zelf het gewricht op zijn plaats te krijgen. De kans is groot dat er extra schade ontstaat.

Kneuzingen en verstuikingen

Een kneuzing is een beschadiging van bindweefsel en spieren tussen de huid en het bot. Het kan veroorzaakt worden door een slag of een stoot. Een soortgelijke beschadiging van een gewricht noemen we een verstuiking of verzwikking.

Kneuzingen kunnen over het hele lichaam voorkomen. Ze zijn (vaak later) herkenbaar aan blauwe plekken of zwellingen en zijn altijd pijnlijk. Een gekneusd lichaamsdeel kan de beweging belemmeren.

De eerstehulpverlening bestaat met name uit het koelen van het gekneusde lichaamsdeel. Koel niet wanneer er sprake is van een overduidelijke breuk.

Koel het gekneusde lichaamsdeel met stromend water, een koude washand, een coldpack of ijsblokjes. Wikkel om koudeletsels te voorkomen bij gebruik van coldpack of ijsblokjes, de bijgeleverde hoes of een theedoek om het koelmiddel. Koel 10 - 20 minuten, afhankelijk van hoe lang het slachtoffer het volhoudt (herhalen mag). Koelen gaat de zwelling tegen en helpt tegen de pijn. Neemt de pijn toe, stop dan met koelen.

Na het koelen kun je het gekneusde lichaamsdeel steun en rust geven. Laat het slachtoffer zelf zijn gekneusde hand, pols of arm ondersteunen.

Leg, als het slachtoffer dat wil, een steunverband aan.

Doe dit op dezelfde wijze als het aanleggen van een wonddrukverband, echter niet zo strak. Laat het snelverband achterwege. Een coldpack mag mee worden ingezwachteld, echter voor maximaal 20 minuten.

Haal het steunverband eraf bij toename van de pijn of als vingers of tenen blauw/bleek verkleuren.

De huisarts(enpost) kan gebeld worden als de pijn aanzienlijk verergert of als het slachtoffer meteen na het verstuiken van zijn enkel zonder hulp niet meer dan 4 stappen kan lopen.

2.14 Letsels aan het oog

Men noemt oogletsel ernstig wanneer dit verder gaat dan een vuiltje in het oog.

Bel bij ernstig oogletsel altijd met de huisarts(enpost): ernstig oogletsel kan leiden tot blindheid.

De taak van de hulpverlener is voornamelijk gericht op het geruststellen van het slachtoffer.

Controleer het slachtoffer op de volgende verschijnselen:

  • pijn in één of beide ogen;
  • een rood oog;
  • tranende ogen;
  • toegeknepen ogen;
  • een vervormde pupil;
  • angst, onrust;
  • verminderd gezichtsvermogen.

Zorg ervoor dat het slachtoffer niet in de ogen wrijft! Verwijder contactlenzen niet! Vervoer het slachtoffer zittend.

Handel als volgt bij een vuiltje in het oog:

  1. Verwijder het vuiltje alleen als het zich op het oogwit bevindt.
  2. Trek met duim en wijsvinger de oogleden voorzichtig van elkaar.
  3. Prik het vuiltje aan met de punt van een gaasje of veeg het vuiltje naar de binnenste ooghoek. Je mag niet over het gekleurde deel van het oog vegen.
  4. Laat het slachtoffer eerst naar boven kijken en trek het onderste ooglid naar beneden en vice versa, wanneer het vuiltje niet zichtbaar is.
  5. Bel een huisarts(enpost) als het je niet lukt het vuiltje te verwijderen of als het zich op het hoornvlies bevindt.

Handel als volgt bij een doordringend voorwerp in het oog:

  1. Bel de huisarts(enpost).
  2. Verwijder het voorwerp niet.
  3. Dek het oog af met een oogkapje, al dan niet zelf vervaardigd.

Handel als volgt bij een chemische stof in het oog of verbranding van het oog:

  1. Bel de huisarts(enpost).
  2. Spoel het geopende oog 15 minuten.

Het spoelen van het oog

  1. Laat het slachtoffer zo mogelijk gaan liggen.
  2. Houd het oog open of laat dit door een ander doen.
  3. Spoel het oog met lauw, zacht stromend water gedurende tenminste 15 minuten.
  4. Je kunt ook een oogspoelfles of oogdouche gebruiken.
  5. Vraag het slachtoffer om, tijdens het spoelen, het oog in alle richtingen te draaien.
  6. Zorg ervoor dat het spoelwater niet in het andere oog komt!

Lasogen

Lasogen kunnen ontstaan door ultraviolette straling van lasapparatuur, zonnebank of felle zon op sneeuw. Ultraviolette straling kan het hoornvlies beschadigen. De verschijnselen zijn tranende ogen, hevige, stekende pijn en/of rode ogen. Lasogen kunnen soms pas na enkele uren optreden. Bel de huisarts(enpost).

Stomp oogletsel

Er kan schade aan of rondom het oog (oogkas) ontstaan, als bijvoorbeeld een harde bal het oog raakt. Dit letsel is niet altijd waarneembaar. Het slachtoffer klaagt over onscherp zien. Bel de huisarts(enpost).

2.15 Vergiftigingen

Er kan sprake zijn van inwendige of uitwendige vergiftiging.

Vergiftigingen zijn onder te verdelen in drie categorieën:

  • ingeademd giftig gas;
  • ingeslikte giftige stof;
  • giftige stof op de huid.

In alle gevallen van vergiftiging geldt: bel 112 als het slachtoffer bewusteloos is, erg benauwd of nauwelijks reageert. De eerstehulpverlening volgt de instructies beschreven in de veiligheids(informatie)bladen van de betreffende gevaarlijke stof.

In bedrijven waar met giftige stoffen wordt gewerkt is vaak een nooddouche voor het direct af kunnen spoelen van een giftige stof op de huid (let op: sommige giftige poeders mogen niet met water in aanraking komen; borstel ze eerst af).

2.16 Ziekteverschijnselen

Bel de huisarts(enpost) bij de volgende ziekteverschijnselen:

  • benauwdheid;
  • piepend ademhalen;
  • even stoppen met ademhalen;
  • sufheid of verwardheid;
  • ophoesten van bloederig slijm;
  • het niet binnen kunnen houden van drinken;
  • koorts die niet is gedaald na tenminste twee dagen gebruik van antibiotica.

Bel 112 bij twijfel in ernstige situaties. Zij zullen bepalen of er een ambulance nodig is of doorverwijzing naar een arts.

2.17 Het verplaatsen van een slachtoffer uit een gevaarlijke situatie

Een slachtoffer moet in principe worden geholpen op de plaats van het ongeval.

Er kunnen zich situaties voordoen, waarin je het slachtoffer moet verplaatsen. Er kan gevaar zijn voor het slachtoffer of hij is moeilijk bereikbaar voor het ambulancepersoneel.

Het verplaatsen van een slachtoffer moet altijd voorzichtig gebeuren om te voorkomen dat het letsel verergert.

De wijze van verplaatsen van het slachtoffer hangt af van:

  • de omstandigheden (bijvoorbeeld duisternis, gevaarlijk terrein);
  • de aard van het letsel;
  • de beschikbare hulpmiddelen;
  • de gevaarssituatie (bijvoorbeeld direct instortings- of ontploffingsgevaar);
  • of het slachtoffer al dan niet bewusteloos is;
  • het gewicht van het slachtoffer;
  • het aantal hulpverleners.

Wanneer het slachtoffer bij bewustzijn is en in staat is om te hinkelen, help je hem als volgt:

  1. Ga aan de gewonde zijde van het slachtoffer staan.
  2. Laat het slachtoffer een hand op je schouder leggen.
  3. Loop met het hinkelende slachtoffer mee.

Het verplaatsen met behulp van de Rautekgreep wordt gedaan als het slachtoffer zelf niet kan lopen of hinkelen.

Verplaatsen van een slachtoffer met behulp van de Rautekgreep door 1 hulpverlener

  1. Kniel achter het slachtoffer.
  2. Breng het slachtoffer in een zittende houding. Voorkom daarbij dat het slachtoffer voorover valt.
  3. Schuif je armen onder zijn oksels door (linkerhand via zijn linkeroksel, rechterhand via zijn rechteroksel).
  4. Pak met je handen de horizontale arm van het slachtoffer.
  5. Pak de gezonde arm als de andere gekwetst is.
  6. Houd je vingers en duimen aaneengesloten.
  7. Ga dicht tegen het slachtoffer zitten, je voeten en knieën aan weerszijden van het lichaam.
  8. Til hem op door je benen te strekken.

Verplaatsen van een slachtoffer met behulp van de Rautekgreep door 2 hulpverleners

De hulpverlener, die het slachtoffer in de Rautekgreep vast heeft, ondersteunt het bovenlichaam van het slachtoffer. De tweede hulpverlener ondersteunt de benen, door één been over het andere te leggen. Leg een gewond been over het gezonde been.

Verslepen van een slachtoffer

Als het niet anders kan, versleep het slachtoffer op wat voor manier dan ook. Bijvoorbeeld door aan de enkels te trekken.

Eerstehulp schema

In het schema hierna worden de handelingen weergegeven in het geval eerste hulp kan worden gegeven. Wanneer er gevaar is voor de hulpverlener is dit niet het geval en moet hij volstaan met het afstand houden en 112 bellen.

 

Rond de toets Eerste Hulp af om verder te gaan

BHV Algemeen

1.1.  Inleiding

In de Arbowet is opgenomen dat het verplicht is voor werkgevers om minimaal één BHV’er aan te stellen. Het aantal BHV'ers is afhankelijk van onder andere de grootte van het bedrijf of de instelling, de risico's, het aantal aanwezigen inclusief bezoekers en het aantal niet- zelfredzame personen.

De werkgever bepaalt het juiste aantal BHV’ers op basis van de Risico Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E). Met een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) worden de veiligheids- en gezondheidsrisico’s binnen een bedrijf in kaart gebracht. Kijk voor meer informatie op RIE.nl

De werkgever dient eerste hulpmiddelen (zoals een verbanddoos en blusmiddelen) en juiste persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. De BHV’er moet de BHV-taken verrichten naast zijn reguliere werkzaamheden.

Taken van de BHV'er bij een incidentmelding

Na een incidentmelding gaat de BHV'er naar de plaats van het incident. Liefst samen met een tweede BHV'er.  De BHV'er neemt bij mogelijk letsel een EHBO-doos en eventueel een AED mee. Bij een brandmelding wordt een draagbaar blusmiddel meegenomen.

De BHV’er zorgt dat hij zo snel inzicht krijgt in de situatie die hij aantreft. De BHV'er gaat geen risico's aan die de veiligheid in gevaar brengt. Ook het mogelijke gevaar voor het slachtoffer of omstanders. Een BHV’er is geen brandweerman of ambulanceverpleegkundige. Hij heeft daar geen opleiding voor en beschikt ook niet over de persoonlijke beschermings- en hulpmiddelen.

De BHV'er beoordeelt of hij zelf hulp (Eerste hulp, Brandbestrijding, Ontruiming) kan verlenen of dat hij 112 moet (laten) bellen. De centralist stelt vragen om aan de hand van de antwoorden te bepalen welke hulpdienst nodig is. Ook kan hij aanwijzingen geven hoe verder hulp te verlenen. Als de situatie wijzigt, beoordeelt de BHV'er de situatie opnieuw.

De BHV'er vangt hulpdiensten (ambulance, brandweer of politie) op en licht ze in. Hij koppelt de actuele situatie terug ​naar ​het management. Het management kan direct maatregelen nemen zoals het alvast regelen van slachtofferhulp. Samen met het management evalueert hij het functioneren van de BHV-organisatie na afloop .

1.2  Incident of calamiteit

In het bedrijf waarin de BHV’er werkzaam is kunnen zich verschillende situaties voordoen, waarbij de BHV’er moet optreden om een slachtoffer te helpen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een incident en een calamiteit:
• een incident is een voorval of gebeurtenis die ingrijpen noodzakelijk maakt, maar de dagelijkse gang van zaken niet verstoort;
• een calamiteit is een gebeurtenis die de dagelijkse gang van zaken ernstig verstoort en het bedrijfsproces geheel of gedeeltelijk stillegt.

Het voorkomen van calamiteiten is belangrijk. Van een BHV’er mag worden verwacht dat hij bijvoorbeeld regelmatig de aanwezige vluchtwegen controleert.

1.3  De BHV-organisatie

Bij een groot bedrijf kan een BHV-organisatie worden opgezet met ploegleiders en eventueel een Hoofd BHV.

Het is altijd beter om hulp te verlenen samen met een andere BHV'er bij (een melding van) letsel, brand of andere calamiteit.

Herkenbaarheid van de BHV'er
Het is, vooral bij ontruiming, wenselijk dat de BHV’er als zodanig herkenbaar is. Hij trekt hiervoor een (oranje of geel) hesje aan of een armband met daarop de aanduiding BHV.

De meldorganisatie
De BHV’er moet weten hoe de meldorganisatie in elkaar zit om goed te kunnen functioneren. Ieder bedrijf heeft een specifieke meldorganisatie.
De ontdekker van een incident meldt dit zoals in het bedrijf is afgesproken.

Een melding van een brand, ongeval of een verzoek om hulpverlening kan op meerdere manieren:
• telefonisch, via portofoon en/of mondeling;
• met automatische brandmelders of een brandmeldinstallatie (BMI);
• vanuit andere hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld ambulancedienst en politie.

De BHV'er wordt gewaarschuwd en onderneemt hierop actie. Hij zorgt dat hij binnen enkele minuten op de plaats van het incident is. Liefst samen met een andere BHV'er. De bedrijfshulpverlener maakt altijd melding van een incident waarbij hij een taak heeft verricht of gaat verrichten. Als de melding niet volgens de in het bedrijf vastgelegde procedure gedaan kan worden, moet het alarmnummer 112 (spoedeisend) of 0900-8844 gebeld worden.

Inroepen van professionele hulp
Laat, als de situatie dat vereist, de tweede hulpverlener of een omstander om hulp vragen (via het interne meldsysteem of rechtstreeks) zodat je zelf bij een slachtoffer kunt blijven. Vraag hem om daarna meteen terug te komen.

Als er geen tweede hulpverlener of omstander is, gebruik je jouw mobiele telefoon om te bellen. Zorg dat de belangrijkste telefoonnummers in je contacten staan zodat je snel kunt bellen.

112 is de centrale meldkamer voor het aanvragen van een ambulance, politie of brandweer bij direct levensbedreigende situaties, ernstige ongevallen of ziekten in bedrijven of in de openbare ruimte.

De centralist kan je onder andere om de volgende informatie vragen:
• het adres, om alvast de hulpdienst op weg te sturen;
• je naam;
• de aard van het ongeval;
• wat er is gebeurd;
• het aantal slachtoffers;
• de toestand van de slachtoffers;
• op welk nummer er teruggebeld kan worden.

Als de professionele hulpverleners zijn gearriveerd, ga je door met het verlenen van hulp. Zij bepalen wanneer je kunt stoppen en de hulpverlening van je overgenomen wordt.

Voorpostfunctie
De BHV’er heeft een voorpostfunctie. Hij verleent Eerste Hulp, bestrijdt een beginnende brand en start zo nodig met ontruimen. Hij overbrugt de tijd tot professionele hulpverleners ter plaatse zijn. De ambulance moet binnen 15 minuten ter plaatse zijn. Brandweer en Politie binnen 8 minuten.

Gidsfunctie
De externe hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en getraind voor hun taken. Zij hebben geen specifieke kennis van elk bedrijf binnen hun verzorgingsgebied.

De BHV’er is, gezien zijn opleiding en training, redelijk bekend met de werkwijze, taken, procedures en bevoegdheden van de externe diensten.

De externe hulpverleners zullen, vooral in complexe gebouwen en op omvangrijke terreinen, onvoldoende bekend zijn met de onheilslocatie. Ze doen, om snel ter plaatse te kunnen zijn, een beroep op de gidsfunctie van de bedrijfshulpverleners.

De BHV'er vangt de externe hulpverleningsdiensten op bij de toegang van het terrein waarop het bedrijf zich bevindt. Hij begeleidt ze naar de plek des onheils en staat ze bij.

De bedrijfshulpverleningsorganisatie zorgt ervoor dat bij de receptie/portiersloge een informant is, die antwoord kan geven op de volgende vragen:
• Wat is er aan de hand?
• Zijn er (nog) mensen in gevaar en zo ja, hoeveel?
• Zijn er slachtoffers en zo ja, hoeveel en waar bevinden zij zich?
• Wordt er al actie ondernomen? Zo ja: door wie en wat doen die personen?
• Zijn er gevaren die de hulpverlening kunnen bemoeilijken of juist vergemakkelijken?
• Hoe is de exacte locatie waar de professionele hulp nodig is te bereiken?

De informant kan zijn: de receptionist(e), de portier of de bedrijfshulpverlener die naar de receptie/portiersloge wordt gestuurd.

De hulpverleningsdiensten hebben behoefte aan plattegronden of informatiekaarten. De volgende informatie kan daarop worden gevonden:
• gebouw(en)- en terreinindeling;
• bestemming van de ruimten en/of terreinen;
• plaatsen waar eventueel gevaren kunnen ontstaan;
• plaatsen waar zich Eerste Hulp middelen, AED's, brandbestrijdings- en overige hulpverleningsmiddelen bevinden.

De meest geschikte plaats voor de plattegronden en informatiekaarten is de receptie of portiersloge. De externe hulpverleningsdiensten melden zich daar het eerst. Meldpanelen van de beveiligingssystemen voor brand, inbraak, wateroverlast, storingen en dergelijke bevinden zich daar meestal ook.

In sommige bedrijven is buiten de normale werktijden niemand aanwezig. De deuren kunnen op slot zijn, al dan niet met automatische beveiliging. Er kan een bewakingsfunctionaris of bewakingsdienst aanwezig zijn. Er zijn bedrijven waar in ploegendienst gewerkt wordt buiten de normale werktijden. Met de externe hulpverleningsdiensten moet afgesproken worden hoe de gebouwen en ruimten dag en nacht toegankelijk zijn. Dit is met name van belang voor bedrijven waar beveiligingsinstallaties met automatische doormelding aanwezig zijn.

Registratie

De BHV'er moet beschikken over de volgende checklists:

  • een lijst met de acties die hij moet ondernemen en de instanties en personen die hij moet waarschuwen;
  • een lijst waarop hij het afmelden en het tijdstip van afmelden van assistenten bij de ontruiming kan bijhouden;
  • een lijst van medewerkers en bezoekers.

De BHV'er kan, aan de hand van deze lijsten, de situatie snel overzien. Hij weet waar iedereen zich bevindt. Deze gegevens kan hij doorgeven aan de hulpdiensten. De BHV'er houdt, zo mogelijk, een logboek bij. In het logboek kunnen na de ontruiming aantekeningen worden gemaakt over het verloop ervan. De aantekeningen kunnen een weergave zijn van de acties of berichten en het tijdstip waarop deze zijn ondernomen, binnengekomen of verzonden. Een korte omschrijving van de actie of het bericht kan hier aan worden toegevoegd.

Rond eerst de toets af om verder te gaan naar het volgende hoofdstuk

 

 

Contactgegevens

De Veiligheidstrainer

Aldebaran 16
8531 NL LEMMER

info@veiligheidstrainer.nl
085 06 08 085
Copyright 2021 De Veiligheidstrainer. Alle rechten voorbehouden
Realisatie & Onderhoud: Brand in Webdesign